Europees strafrecht

EAB Polen; de officier van justitie is niet-ontvankelijk verklaard, omdat de opgeëiste persoon zich niet…

Rechtbank Amsterdam, 31 maart 2026

Zaakgegevens

Op 31 maart 2026 heeft de Rechtbank Amsterdam uitspraak gedaan in een zaak over europees strafrecht.

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Zittingsplaats
Amsterdam
Datum uitspraak
31 maart 2026
Datum publicatie
14 april 2026
Zaaknummer
13/031990-26
Procedure
Eerste en enige aanleg
ECLI
ECLI:NL:RBAMS:2026:3708
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

EAB Polen; de officier van justitie is niet-ontvankelijk verklaard, omdat de opgeëiste persoon zich niet langer op Nederlands grondgebied bevindt

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13/031990-26

Datum uitspraak: 31 maart 2026

UITSPRAAK

op de vordering van 3 februari 2026 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).

Dit EAB is uitgevaardigd op 7 mei 2025 door the District Court in Koszalin II Criminal Department, Polen, (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:

[opgeëiste persoon] ,

geboren op [geboortedag] 2002 in [geboorteplaats] (Polen),

feitelijk verblijfsadres:

[verblijfadres] ,

hierna ‘de opgeëiste persoon’.

1 Procesgang

De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 31 maart 2026, in aanwezigheid van mr. K. van der Schaft, officier van justitie. De opgeëiste persoon is niet verschenen, maar is vertegenwoordigd door zijn gemachtigd raadsman, mr. B.J. Korver, die waarneemt voor zijn kantoorgenoot mr. M.L. van Gessel, beiden advocaat in Amsterdam.

2 Identiteit van de opgeëiste persoon

De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht en vastgesteld dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat de opgeëiste persoon de Poolse nationaliteit heeft.

3 Grondslag en inhoud van het EAB

Het EAB vermeldt een vonnis van the Local Court in Bialogard of 25 September 2020 (II K 171/20).

De overlevering wordt verzocht voor de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van één jaar, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. Van deze straf resteren volgens het EAB nog elf maanden en 28 dagen. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde vonnis.

Dit vonnis betreft de feiten zoals die zijn omschreven in het EAB.

4 Ontvankelijkheid van de officier van justitie

Met de raadsman en de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat de officier van justitie niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vordering tot het in behandeling nemen van het EAB. Op basis van het M-formulier van 30 maart 2026 stelt de rechtbank vast dat de opgeëiste persoon op dit moment op grond van hetzelfde EAB in overleveringsdetentie in Duitsland zit en zich dus niet meer op Nederlands grondgebied bevindt. Daarmee is de grondslag aan de vordering van de officier van justitie komen te ontvallen.

5 Beslissing

VERKLAART de officier van justitie niet-ontvankelijk in de vordering tot het in behandeling nemen van het EAB.

STELT VAST dat de geschorste overleveringsdetentie is geëindigd.

Deze uitspraak is gedaan door

mr. M. Scheeper, voorzitter,

mrs. M. Westerman en L. Sanders, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. C.W. van der Hoek, griffier,

en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 31 maart 2026.

Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

Zie artikel 23 Overleveringswet. Zie onderdeel e) van het EAB.