Europees strafrecht

Executie-EAB uit Polen. Artikel 12 OLW. Afzien van toepassing van de weigeringsgrond…

Rechtbank Amsterdam, 16 april 2026

Zaakgegevens

Op 16 april 2026 heeft de Rechtbank Amsterdam uitspraak gedaan in een zaak over europees strafrecht.

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Zittingsplaats
Amsterdam
Datum uitspraak
16 april 2026
Datum publicatie
17 april 2026
Zaaknummer
13-031921-26
Procedure
Eerste en enige aanleg
ECLI
ECLI:NL:RBAMS:2026:3837
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Executie-EAB uit Polen. Artikel 12 OLW. Afzien van toepassing van de weigeringsgrond. Tenuitvoerleggingsbeslissing valt niet onder de reikwijdte van artikel 12 OLW. Veroordeling voor nieuwe feiten in twee Nederlandse strafzaken. De opgeëiste persoon en zijn raadsman zijn bij beide procedures in persoon verschenen. De weigeringsgrond van artikel 12 OLW is niet van toepassing. Overlevering toegestaan.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13-031921-26

Datum uitspraak: 16 april 2026

UITSPRAAK

op de vordering van 3 februari 2026 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).

Dit EAB is uitgevaardigd op 25 september 2025 door de Regional Court in Poznań, Polen (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:

[de opgeëiste persoon]

geboren in [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1988,

zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,

uit anderen hoofde gedetineerd in de [P.I.] ,

hierna ‘de opgeëiste persoon’.

1 Procesgang

De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 2 april 2026, in aanwezigheid van mr. K. van der Schaft, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. A.M.V. Bandhoe, advocaat in Zoetermeer, en door een tolk in de Poolse taal.

De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd.

Tevens heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen.

2 Identiteit van de opgeëiste persoon

Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.

3 Grondslag en inhoud van het EAB

Het EAB vermeldt een judgment of District Court in Leszno van 12 mei 2023 met kenmerk II K 97/23 en een beslissing van de District Court in Leszno van 28 februari 2024 met kenmerk II Ko 2855/23.

De overlevering wordt verzocht voor de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van twee jaren, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. Van deze straf resteren volgens het EAB nog één jaar, elf maanden en 28 dagen. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon aanvankelijk in voorwaardelijke vorm opgelegd bij het hiervoor genoemde vonnis van 12 mei 2023. Bij beslissing van 28 februari 2024 is de tenuitvoerlegging van deze straf bevolen.

Dit vonnis betreft het feit zoals dat is omschreven in het EAB.

3.1

Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW

Standpunt van de raadsman

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de weigeringsgrond van artikel 12 OLW van toepassing is. De opgeëiste persoon heeft een adresinstructie ontvangen in de strafprocedure, maar deze instructie ziet niet op de beslissing tot tenuitvoerlegging van 28 februari 2024. De opgeëiste persoon is niet in persoon aanwezig geweest bij het proces dat heeft geleid tot de beslissing van 28 februari 2024 en hij heeft ook niet vrijwillig afstand gedaan van zijn verdedigingsrechten.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich - onder verwijzing naar jurisprudentie van deze rechtbank - op het standpunt gesteld dat de weigeringsgrond van artikel 12 OLW van toepassing is, maar dat kan worden afgezien van de weigeringsgrond. De opgeëiste persoon heeft een adresinstructie ontvangen waarin hij is gewezen op de consequenties van het niet voldoen aan de op hem rustende verplichting om adreswijzigingen door te geven. De oproep voor de zitting van 12 mei 2023 is ook naar het door de opgeëiste persoon opgegeven adres verstuurd. De beslissing tot tenuitvoerlegging van 28 februari 2024 valt niet onder de reikwijdte van artikel 12 OLW omdat dit geen beslissing is waarbij de aard of de maat van de straf van de aanvankelijk opgelegde straf is gewijzigd. Aan de beslissing tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde vrijheidsstraf liggen twee Nederlandse veroordelingen voor nieuwe strafbare feiten ten grondslag. De opgeëiste persoon is op beide zittingen in persoon aanwezig geweest en bijgestaan door zijn raadsman, mr. Bandhoe.

Oordeel van de rechtbank

Ten aanzien van het vonnis van the District Court in Leszno van 12 mei 2023 (II K 97/23)

De rechtbank stelt vast dat het EAB strekt tot de tenuitvoerlegging van een vonnis terwijl de verdachte niet in persoon is verschenen bij het proces dat tot die beslissing heeft geleid, en dat - kort gezegd - is gewezen zonder dat zich één van de in artikel 12, sub a tot en met c, OLW genoemde omstandigheden heeft voorgedaan en evenmin een garantie als bedoeld in artikel 12, sub d, OLW is verstrekt.

Gelet daarop kan de overlevering op grond van artikel 12 OLW worden geweigerd.

De rechtbank ziet echter aanleiding om af te zien van haar bevoegdheid om de overlevering te weigeren. Zij acht daarbij het volgende van belang.

Uit de toelichting onder d.2) van het EAB blijkt dat de opgeëiste persoon op de hoogte was van de strafprocedure die tegen hem liep. Uit de toelichting blijkt verder dat de opgeëiste persoon een adres heeft opgegeven en dat de oproep voor de zitting van 12 mei 2023 ook daadwerkelijk naar het door hem opgegeven adres is verstuurd. Daarnaast was de opgeëiste persoon gehouden om iedere adreswijziging aan de Poolse autoriteiten door te geven. Uit de aanvullende informatie van the District Court in Leszno van 19 maart 2026 volgt dat de opgeëiste persoon is gewezen op de consequenties van het niet voldoen aan de op hem rustende verplichting om adreswijzigingen door te geven. Ook blijkt dat de opgeëiste persoon een instructie heeft ondertekend waaruit volgt dat post die aan het door de opgeëiste persoon opgegeven adres is gezonden en niet in ontvangst wordt genomen, als ‘correct betekend’ wordt aangemerkt.

Gelet op het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat de opgeëiste persoon, voor zover hij al niet uit eigen beweging stilzwijgend afstand heeft gedaan van zijn recht om in persoon te verschijnen bij het proces, op zijn minst kennelijk onzorgvuldig is geweest met betrekking tot zijn bereikbaarheid voor officiële correspondentie. De rechtbank ziet dan ook aanleiding om af te zien van toepassing van de weigeringsgrond van artikel 12 OLW.

Ten aanzien van de beslissing van the District Court in Leszno van 28 februari 2024 (III Ko 2855/23)

Uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 23 maart 2023 volgt dat de procedure die heeft geleid tot de veroordeling voor een nieuw strafbaar feit die ten grondslag ligt aan de beslissing tot tenuitvoerlegging van een eerder voorwaardelijk opgelegde straf ook onderworpen dient te worden aan de toets van artikel 12 OLW.

De beslissing tot tenuitvoerlegging van 28 februari 2024 zelf is geen beslissing waarbij de aard of de maat van de aanvankelijk opgelegde straf is gewijzigd. Deze beslissing valt daarom niet onder de reikwijdte van artikel 12 OLW.

Uit de aanvullende informatie van the District Court in Leszno van 19 maart 2026 blijkt dat de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde vrijheidsstraf is bevolen wegens twee Nederlandse veroordelingen voor nieuwe strafbare feiten. Uit het Uittreksel Justitiële Documentatie (het strafblad) en de aanvullende informatie van 19 maart 2026 blijkt dat de opgeëiste persoon is veroordeeld door de politierechter in de rechtbank Rotterdam op 14 augustus 2023 (met parketnummer 10-200301-23) en door de politierechter in de rechtbank Gelderland op 21 december 2023 (met parketnummer 05-330227-23). Uit de aanvullende informatie van 31 maart 2026 volgt dat beide procedures op tegenspraak hebben plaatsgevonden. De opgeëiste persoon en zijn raadsman hebben ter zitting verklaard dat zij allebei aanwezig waren bij beide procedures. De weigeringsgrond van artikel 12 OLW is daarom niet van toepassing op het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 14 augustus 2023 en het vonnis van de rechtbank Gelderland van 21 december 2023.

4 Strafbaarheid; feit waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist

De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft het feit niet aangeduid als een feit waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW zijn neergelegd.

De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan.

Het feit levert naar Nederlands recht op:

diefstal, vergezeld van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen.

5. Artikel 11 OLW: artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de EU

De rechtbank heeft eerder vastgesteld dat, vanwege structurele of fundamentele gebreken in de Poolse rechtsorde, in Polen een algemeen reëel gevaar bestaat van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld.

Nu de opgeëiste persoon geen elementen heeft aangevoerd waaruit blijkt dat die structurele of fundamentele gebreken een concrete invloed hebben gehad op de behandeling van zijn strafzaak, is niet aangetoond dat sprake is van een individueel reëel gevaar van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld.

6 Overige verweren

Standpunt van de raadsman

The District Court in Leszno heeft in het vonnis van 12 mei 2023 voorwaarden aan de opgeëiste persoon opgelegd. Deze voorwaarden zijn opgelegd om de Poolse rechtsorde te beschermen tegen een persoon die strafbare feiten pleegt in Polen. In het onderhavige geval is de tenuitvoerlegging van de in Polen voorwaardelijk opgelegde straf bevolen wegens nieuwe strafbare feiten die in Nederland zijn gepleegd. De Poolse rechtsorde is echter niet geschaad door de strafbare feiten die de opgeëiste persoon in Nederland heeft gepleegd. De raadsman verzoekt de rechtbank de overlevering in het kader van de evenredigheid te weigeren.

Standpunt van de officier van justitie

Aan een voorwaardelijk opgelegde straf wordt onder andere de voorwaarde verbonden dat de veroordeelde persoon geen strafbare feiten mag plegen. Deze voorwaarde is niet beperkt tot een bepaald land. Bovendien hebben we in Europa toegang tot strafregisters van andere lidstaten. Zo hebben de Poolse autoriteiten kennis gekregen van de twee Nederlandse veroordelingen.

Oordeel van de rechtbank

Zelfs indien vast zou komen te staan dat de Poolse rechter op onjuiste gronden de tenuitvoerlegging zou hebben bevolen, hetgeen overigens niet door de raadsman is onderbouwd, dan levert dit geen weigeringsgrond op in de zin van de OLW. Desgevraagd heeft de raadsman niet voldoende onderbouwd aangegeven waarom het eventuele slagen van dit verweer tot weigering van de overlevering van de opgeëiste persoon zou kunnen leiden. De rechtbank verwerpt het verweer.

7 Slotsom

De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe.

8 Toepasselijke wetsbepalingen

De artikelen 312 Wetboek van Strafrecht en 2, 5, 7 en 12 OLW.

9 Beslissing

STAAT TOE de overlevering van [de opgeëiste persoon] aan de Regional Court in Poznań (Polen) voor het feit zoals dat is omschreven in onderdeel e) van het EAB.


Deze uitspraak is gedaan door

mr. O.P.M. Fruytier, voorzitter,

mrs. L. Sanders en J.T.H. Zimmerman, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. G. Riedijk, griffier,

en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 16 april 2026.

Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

Zie artikel 23 Overleveringswet. Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW. Zie onderdeel e) van het EAB. Rb. Amsterdam 5 maart 2026, ECLI:NL:RBAMS:2026:2636. HvJ EU 23 maart 2023, C-514/21 en C-515/21, ECLI:EU:C:2023:235 (Minister for Justice and Equality (Herroeping van de opschorting)). HvJ EU 23 maart 2023, C-514/21 en C-515/21, ECLI:EU:C:2023:235 (Minister for Justice and Equality (Herroeping van de opschorting)), punt 53. Rb. Amsterdam 10 februari 2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:420, r.o. 5.3.1-5.3.3 en Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1794, r.o. 4.4. Vgl. Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1794, onder verwijzing naar HvJ EU 22 februari 2022, C-562/21 PPU en C-563/21 PPU, ECLI:EU:C:2022:100 (Openbaar Ministerie (Recht op een gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld in de uitvaardigende lidstaat)).