Europees strafrecht
Spaans vervolgings-EAB. Tussenuitspraak. Rechtbank heropent onderzoek om aanvullende vragen te stellen over…
Rechtbank Amsterdam, 16 april 2026
ECLI:NL:RBAMS:2026:3894 · Rechtbank Amsterdam · 16 april 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-amsterdam/strafrecht/europees-strafrecht/eerste-en-enige-aanleg/ecli-nl-rbams-2026-3894
Zaakgegevens
Op 16 april 2026 heeft de Rechtbank Amsterdam uitspraak gedaan in een zaak over europees strafrecht.
- Instantie
- Rechtbank AmsterdamRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Amsterdam
- Datum uitspraak
- 16 april 2026
- Datum publicatie
- 20 april 2026
- Zaaknummer
- 13/027070-26
- Rechtsgebied
- Strafrecht » Europees strafrecht
- Procedure
- Eerste en enige aanlegEerste en enige aanlegEr is maar één rechter die over de zaak beslist; hoger beroep is niet mogelijk.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBAMS:2026:3894
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Spaans vervolgings-EAB. Tussenuitspraak. Rechtbank heropent onderzoek om aanvullende vragen te stellen over de onvoorwaardelijkheid van de door de Spaanse autoriteiten verstrekte terugkeergarantie.
Uitspraak
RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13-027070-26
Datum uitspraak: 16 april 2026
TUSSENUITSPRAAK
op de vordering van 3 februari 2026 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).
Dit EAB is uitgevaardigd op 17 december 2025 door een rechter van de onderzoeksafdeling van de rechtbank van Torremolinos, Plaza Nr. 5, Spanje (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[de opgeëiste persoon] ,
geboren op [geboortedag] 2000 in [geboorteplaats] ,
inschrijvingsadres in de Basisregistratie Personen:
[adres] ,
hierna ‘de opgeëiste persoon’.
1 Procesgang
De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 9 april 2025, in aanwezigheid van mr. E.M. Meppelink, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. N. Wijkman, advocaat in Almere.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd.
Tevens heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen met gelijktijdige schorsing van dat bevel tot aan de uitspraak.
2 Identiteit van de opgeëiste persoon
Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Nederlandse en de Turkse nationaliteit heeft.
3 Grondslag en inhoud van het EAB
Het EAB vermeldt een provisional custody and international arrest van 17 december 2025.
Het IRC heeft naar aanleiding van deze vermelding op 23 februari 2026 gevraagd of er ook een afzonderlijk nationaal aanhoudingsbevel was uitgevaardigd. De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft vervolgens het nationale aanhoudingsbevel verstrekt van 15 februari 2024, dat is uitgevaardigd door de onderzoeksrechter van the Court of investigation No.5 in Torremolinos ten aanzien van de opgeëiste persoon.
De uitvaardigende justitiële autoriteit verzoekt de overlevering vanwege het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan een naar Spaans recht strafbaar feit. Dit feit is omschreven in het EAB.
4 Strafbaarheid; feit vermeld op bijlage 1 bij de OLW
De uitvaardigende justitiële autoriteit wijst het strafbare feit aan als een zogenoemd lijstfeit, dat in Nederland in de lijst van bijlage 1 bij de OLW staat vermeld, te weten:
verkrachting.
Uit het EAB volgt dat op dit feit naar het recht van Spanje een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren is gesteld.
Dit betekent dat een onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van het feit waarvoor de overlevering wordt verzocht, achterwege moet blijven.
5 De garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, OLW
De opgeëiste persoon heeft de Nederlandse nationaliteit en beroept zich op de garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, OLW. De rechtbank stelt vast dat de opgeëiste persoon zodanige banden heeft met Nederland, dat de tenuitvoerlegging van een eventueel na overlevering opgelegde straf, uit het oogpunt van maatschappelijke re-integratie beter in Nederland kan plaatsvinden dan in de uitvaardigende lidstaat. De opgeëiste persoon heeft immers het centrum van zijn belangen in Nederland gevestigd. Zijn overlevering kan daarom worden toegestaan, wanneer is gewaarborgd dat de opgeëiste persoon, in geval van veroordeling in de uitvaardigende lidstaat tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf na overlevering, deze straf in Nederland mag ondergaan.
De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft op 10 maart 2026 de volgende garantie gegeven:
“A Ruling was issued on 25 February 2026 ordering that the proceedings be passed to the State Prosecution Service and other parties so that, within a deadline of 3 days, they could report on whether it would be appropriate to grant the guarantee that any prison term to which the defendants may be sentenced in Spain would be served in the Netherlands, pursuant to article 44 of Law 23/2014 of 20 November on the mutual recognition of judicial decisions in criminal matters in the European Union. The State Prosecution Service reported that it DID NOT OBJECT to granting the guarantee that any prison term to which the defendants [persoon] AND [de opgeëiste persoon] may be sentenced would be served in the Netherlands, pursuant to article 44 of Law 23/2014 of 20 November.
(…)
METHOD OF CHALLENGE: application for AMENDMENT [recurso de REFORMA] to be lodged before this Court within a deadline of three days counted from the notification thereof.”
Standpunt van de raadsvrouw
De raadsvrouw heeft zich – onder verwijzing naar de uitspraak van deze rechtbank van 6 maart 2025 – op het standpunt gesteld dat de terugkeergarantie niet onvoorwaardelijk is, omdat hierin staat vermeld dat verschillende belanghebbende partijen in beroep kunnen gaan tegen de verleende terugkeergarantie. De raadsvrouw heeft verzocht om de behandeling van de zaak aan te houden om aan de Spaanse autoriteiten te vragen of van deze mogelijkheid gebruik is gemaakt.
Standpunt van de officier van justitie
Volgens de officier van justitie is de terugkeergarantie onvoorwaardelijk, nu de beroepstermijn van drie dagen inmiddels is verstreken en niet is gebleken dat er beroep is ingesteld.
Oordeel van de rechtbank
Naar het oordeel van de rechtbank is de hiervoor vermelde terugkeergarantie niet onvoorwaardelijk. De garantie is namelijk bij een rechterlijke uitspraak verleend, terwijl expliciet is aangegeven dat verschillende belanghebbende partijen daartegen in beroep kunnen gaan. De rechtbank kan op basis van de informatie in het dossier niet vaststellen of van die mogelijkheid gebruik is gemaakt.
De rechtbank zal het onderzoek ter zitting heropenen en direct schorsen om de officier van justitie in de gelegenheid te stellen om de volgende vragen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit, voor te leggen:
- Kunt u aangeven of beroep is ingesteld tegen de beslissing van 10 maart 2026 van de rechter van de onderzoeksafdeling van de rechtbank van Torremolinos, Plaza nr. 5, waarin de terugkeer van de opgeëiste persoon [de opgeëiste persoon] naar Nederland bij veroordeling tot een vrijheidsbenemende straf wordt gegarandeerd?
- Indien dit het geval is, is hierover reeds geoordeeld in hoger beroep en, zo ja, wat was daarvan de uitkomst?
- Indien dit niet het geval is, is de verstrekte garantie en autorisatie daarmee onvoorwaardelijk en onherroepelijk geworden?
7 Beslissing
HEROPENT en SCHORST het onderzoek voor onbepaalde tijd om de officier van justitie in de gelegenheid te stellen de in rubriek 5 vermelde vragen aan de Spaanse autoriteiten voor te leggen.
BEPAALT dat de zaak zo snel mogelijk, voor het verstrijken van de verlengde beslistermijn op 26 april 2026, opnieuw op zitting wordt aangebracht.
BEVEELT de oproeping van de opgeëiste persoon tegen een nader te bepalen dag en tijdstip met tijdige kennisgeving daarvan aan de raadsvrouw.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. E.M. de Bie, voorzitter,
mrs. L. Sanders en E. van den Brink, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. D.F.A. Reuvekamp en E. Mulder, griffiers,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 16 april 2026.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.