Europees strafrecht
Executie-EAB uit Polen. Situatie als bedoeld in artikel 12, onder b, OLW aan de orde. Gelijkstellingsverweer…
Rechtbank Amsterdam, 12 februari 2026
ECLI:NL:RBAMS:2026:3899 · Rechtbank Amsterdam · 12 februari 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-amsterdam/strafrecht/europees-strafrecht/eerste-en-enige-aanleg/ecli-nl-rbams-2026-3899
Zaakgegevens
Op 12 februari 2026 heeft de Rechtbank Amsterdam uitspraak gedaan in een zaak over europees strafrecht.
- Instantie
- Rechtbank AmsterdamRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Amsterdam
- Datum uitspraak
- 12 februari 2026
- Datum publicatie
- 20 april 2026
- Zaaknummer
- 13/329066-25
- Rechtsgebied
- Strafrecht » Europees strafrecht
- Procedure
- Eerste en enige aanlegEerste en enige aanlegEr is maar één rechter die over de zaak beslist; hoger beroep is niet mogelijk.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBAMS:2026:3899
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Executie-EAB uit Polen. Situatie als bedoeld in artikel 12, onder b, OLW aan de orde. Gelijkstellingsverweer niet geslaagd nu geen ononderbroken rechtmatig verblijf gedurende vijf jaren is aangetoond. Overlevering toegestaan.
Uitspraak
RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13/329066-25
Datum uitspraak: 12 februari 2026
UITSPRAAK
op de vordering van 8 december 2025 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).
Dit EAB is uitgevaardigd op 15 september 2021 door the Regional Court in Szczecin, Polen (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[de opgeëiste persoon] ,
geboren op [geboortedag] 1985 in [geboorteplaats] (Polen),
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,
nu gedetineerd in [detentieadres] ,
hierna ‘de opgeëiste persoon’.
1 Procesgang
De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 29 januari 2026 in aanwezigheid van mr. A.L. Wagenaar, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. E. Kolokatsi, advocaat in Amersfoort, en door een tolk in de Poolse taal.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd.
Tevens heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen.
2 Identiteit van de opgeëiste persoon
Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.
3. Grondslag en inhoud van het EAB
In het EAB wordt melding gemaakt van the final and non-appealable judgement of the Regional Court in Szczecin of 1 October 2019 (referentie: III K 152/17), reversed with the judgement of the Court of Appeal of Szczecin dated 5 November 2020 (referentie: II Aka 156/20).
De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van vier jaren, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. Van deze straf resteren volgens het EAB nog drie jaren, negen maanden en twaalf dagen. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde arrest.
Het arrest betreft de feiten zoals die zijn omschreven in het EAB.
Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW
Standpunt van de raadsvrouw
De raadvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat de overlevering op grond van artikel 12 OLW moet worden geweigerd, omdat niet is gebleken dat de opgeëiste persoon op de hoogte was van de procedure in hoger beroep. De opgeëiste persoon verklaart dat hij ten tijde van de procedure in hoger beroep al in Nederland verbleef, dat hij geen advocaat heeft gemachtigd om hoger beroep in te stellen of om namens hem zijn verdediging te voeren in hoger beroep en dat hij geen adresinstructie heeft ontvangen. Verder blijkt uit de aanvullende informatie van 18 december 2025 van de uitvaardigende justitiële autoriteit niet dat voor de opgeëiste persoon duidelijk moest zijn dat de adresinstructie ook geldt voor een eventuele procedure in hoger beroep.
Standpunt officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de weigeringsgrond van artikel 12 OLW niet van toepassing is. Uit de aanvullende informatie van 18 december 2025 van de uitvaardigende justitiële autoriteit blijkt dat de opgeëiste persoon tijdens de procedure in hoger beroep is vertegenwoordigd door een – door hemzelf gekozen – advocaat. Hiermee is sprake van de situatie als bedoeld in artikel 12, sub b, OLW. Op basis van het vertrouwensbeginsel moet worden uitgegaan van de juistheid van deze informatie. Subsidiair kan worden afgezien van de weigeringsgrond van artikel 12 OLW, omdat de opgeëiste persoon een adresinstructie heeft gekregen.
Oordeel van de rechtbank
Als het proces in twee opeenvolgende instanties heeft plaatsgevonden, namelijk een eerste aanleg gevolgd door een procedure in hoger beroep, dan is de laatste van die beslissingen relevant voor de beoordeling of is voldaan aan de vereisten van artikel 4 bis, eerste lid, Kaderbesluit 2002/584/JBZ en artikel 12 OLW, voor zover daartegen geen gewoon rechtsmiddel meer openstaat en daarom de zaak ten gronde definitief is afgedaan.De rechtbank stelt vast dat dit in deze zaak het geval is en dat het arrest van the Court of Appeal of Szczecin van 5 november 2020 (referentie: II Aka 156/20) aan artikel 12 OLW getoetst moet worden.
De rechtbank stelt op basis van de aanvullende informatie van 18 december 2025 vast dat het EAB strekt tot de tenuitvoerlegging van een arrest terwijl de opgeëiste persoon niet in persoon
is verschenen bij het proces dat tot het arrest heeft geleid. In het d-formulier met betrekking tot de procedure in hoger beroep, zoals toegevoegd als bijlage bij de aanvullende informatie van
18 december 2025 van de uitvaardigende justitiële autoriteit, is aangekruist dat de opgeëiste persoon, terwijl hij op de hoogte was van het voorgenomen proces, een advocaat heeft gemachtigd zijn verdediging te voeren gedurende dat proces en dat die advocaat ook daadwerkelijk zijn verdediging heeft gevoerd. Verder blijkt uit de toelichting onder 2. dat de gekozen advocaat ter zitting namens de opgeëiste persoon een verzoek tot uitstel heeft gedaan wegens ziekte van de opgeëiste persoon (wat impliceert dat er contact tussen de opgeëiste persoon en de advocaat is geweest) en dat dit verzoek is afgewezen omdat er geen stukken ter onderbouwing zijn overgelegd.
De enkele ontkenning van de opgeëiste persoon dat hij geen advocaat heeft gemachtigd om namens hem zijn verdediging te voeren in hoger beroep is onvoldoende om aan de juistheid van die informatie te twijfelen.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat sprake is van de situatie als bedoeld in artikel 12, sub b, OLW. De weigeringsgrond van artikel 12 OLW is daarom niet van toepassing.
4 Strafbaarheid
Feiten vermeld op bijlage 1 bij de OLW
De uitvaardigende justitiële autoriteit wijst de strafbare feiten vermeld in het EAB onder 1 en 2 aan als zogenoemde lijstfeiten, die in Nederland in de lijst van bijlage 1 bij de OLW staan vermeld, te weten:
deelneming aan een criminele organisatie;
illegale handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen.
Uit het EAB volgt dat op deze feiten naar het recht van Polen een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren is gesteld.
Dit betekent dat een onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van de feiten waarvoor de overlevering wordt verzocht, achterwege moet blijven.
Feiten waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist
De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft de feiten vermeld in het EAB onder 3 en 4 niet aangeduid als feiten waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt.
Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW zijn neergelegd.
De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan.
De feiten leveren naar Nederlands recht op:
opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod;
opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod.
5 Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 6a OLW
Standpunt van de raadsvrouw
De raadsvrouw verzoekt de rechtbank om de opgeëiste persoon gelijk te stellen met een Nederlander en de overlevering te weigeren onder gelijktijdige strafovername. Op grond van alle overgelegde stukken in onderlinge samenhang beschouwd kan de opgeëiste persoon worden gelijkgesteld met een Nederlander in de zin van artikel 6a OLW.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de opgeëiste persoon niet in aanmerking komt voor gelijkstelling met een Nederlander, omdat hij niet voldoet aan het vereiste van een ononderbroken rechtmatig verblijf van vijf jaren in Nederland. Daarom is er ook geen informatie bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst opgevraagd.
Oordeel van de rechtbank
Overlevering van een met een Nederlander gelijk te stellen vreemdeling kan op basis van artikel 6a, eerste en negende lid, OLW worden geweigerd als deze is gevraagd ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een hem bij onherroepelijk vonnis opgelegde vrijheidsstraf en de rechtbank van oordeel is dat de tenuitvoerlegging van die straf kan worden overgenomen.
Om in aanmerking te komen voor gelijkstelling met een Nederlander moet op grond van artikel 6a, negende lid, OLW onder meer zijn voldaan aan het vereiste dat de opgeëiste persoon ten minste vijf jaar ononderbroken rechtmatig in Nederland verblijft als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e en l, Vreemdelingenwet 2000.
De rechtbank is van oordeel dat niet aan dit vereiste is voldaan. Uit de overgelegde stukken blijkt niet dat de opgeëiste persoon ten minste vijf jaren ononderbroken rechtmatig in Nederland verblijft. De duur van het verblijf moet door de rechtbank naar de situatie op dit moment worden beoordeeld, dus de opgeëiste persoon moet op het moment van de uitspraak (dus op 12 februari 2026) aan de voorwaarden voor gelijkstelling voldoen. Dat is niet het geval. Uit de overgelegde huurovereenkomst blijkt dat de opgeëiste persoon op zijn vroegst vanaf 19 april 2021 in Nederland verblijft zodat aan de eis van vijf jaar ononderbroken verblijf niet is voldaan.
Nu niet aan de eerste voorwaarde voor gelijkstelling is voldaan, komt de rechtbank niet toe aan bespreking van de tweede voorwaarde. Het gelijkstellingsverweer wordt verworpen.
6 Artikel 11 OLW: artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de EU
De rechtbank heeft eerder vastgesteld dat, vanwege structurele of fundamentele gebreken in de Poolse rechtsorde, in Polen een algemeen reëel gevaar bestaat van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld.
Nu de opgeëiste persoon geen elementen heeft aangevoerd waaruit blijkt dat die structurele of fundamentele gebreken een concrete invloed hebben gehad op de behandeling van zijn strafzaak, is niet aangetoond dat sprake is van een individueel reëel gevaar van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld.
7 Slotsom
De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe.
8 Toepasselijke wetsbepalingen
De artikelen 3 en 11 Opiumwet en 2, 5 en 7 OLW.
9 Beslissing
STAAT TOE de overlevering van [de opgeëiste persoon] aan the Regional Court in Szczecin, Polen voor de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. A.R.P.J. Davids, voorzitter,
mrs. D.L.S. Ceulen en L. Sanders, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. D.F.A. Reuvekamp, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 12 februari 2026.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.