Europees strafrecht

Executie-EAB uit Polen. Artikel 12 OLW: sprake van de situatie als bedoeld in artikel 12, onder a, OLW…

Rechtbank Amsterdam, 10 juni 2026

Zaakgegevens

Op 10 juni 2026 heeft de Rechtbank Amsterdam uitspraak gedaan in een zaak over europees strafrecht.

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Zittingsplaats
Amsterdam
Datum uitspraak
10 juni 2026
Datum publicatie
12 juni 2026
Zaaknummer
13-099105-26
Procedure
Eerste en enige aanleg
ECLI
ECLI:NL:RBAMS:2026:5984
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Executie-EAB uit Polen. Artikel 12 OLW: sprake van de situatie als bedoeld in artikel 12, onder a, OLW. Overlevering toegestaan.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13-099105-26

Datum uitspraak: 10 juni 2026

UITSPRAAK

op de vordering van 7 april 2026 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).

Dit EAB is uitgevaardigd op 9 september 2025 door de Regional Court in Kielce (Sąd Okręgowy w Kielcach), Polen (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:

[de opgeëiste persoon]

geboren in [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 2000,

zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,

nu gedetineerd in het [detentieadres] ,

hierna ‘de opgeëiste persoon’.

1 Procesgang

De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 27 mei 2026, in aanwezigheid van mr. A.L. Wagenaar, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. D.T. Stoof, als waarnemer voor mr. F.T.J. Stoof, beiden advocaat in Breda, en door een tolk in de Poolse taal.

De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd.

Tevens heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen.

2 Identiteit van de opgeëiste persoon

Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.

3 Grondslag en inhoud van het EAB

Het EAB vermeldt een vonnis van the Local Court in Kielce van 11 april 2024, met kenmerk IX K 1302/21.

De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van één jaar en tien maanden, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. Van deze straf resteren volgens het EAB nog één jaar, negen maanden en 25 dagen. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde vonnis.

Dit vonnis betreft het feit zoals dat is omschreven in het EAB.

3.1

Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW

Standpunt van de raadsman

De raadsman heeft de rechtbank verzocht de behandeling van de zaak aan te houden om vragen te stellen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit over het procesverloop in Polen. Uit het EAB blijkt dat de opgeëiste persoon in persoon is gedagvaard, maar dat hij niet bij de zitting aanwezig is geweest. De opgeëiste persoon heeft echter verklaard dat hij in eerste aanleg in persoon wel bij de zittingen aanwezig is geweest en dat vervolgens namens hem hoger beroep is ingesteld, waarbij hij inderdaad niet aanwezig was. Het is onduidelijk of de opgeëiste persoon in eerste aanleg aanwezig is geweest bij de zitting. Voorts is het onduidelijk of namens de opgeëiste persoon hoger beroep is ingesteld en op welke wijze hij op de hoogte is gebracht van de procedure in hoger beroep. Daardoor kan ook niet worden vastgesteld of de opgeëiste persoon bewust en ondubbelzinnig afstand heeft gedaan van zijn verdedigingsrechten. Subsidiair heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat de overlevering op grond van artikel 12 OLW moet worden geweigerd.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de situatie als bedoeld in artikel 12, onder a, OLW van toepassing is, aangezien de opgeëiste persoon op 7 maart 2024 in persoon is gedagvaard. Het EAB biedt geen aanknopingspunten om aan te nemen dat sprake is geweest van een procedure in hoger beroep. Het is vaste jurisprudentie van de rechtbank dat moet worden uitgegaan van de juistheid van de door de uitvaardigende justitiële autoriteit verstrekte informatie. De enkele verklaring van de opgeëiste persoon dat de informatie niet klopt, is onvoldoende om daarvan af te wijken. Er bestaat dan ook geen reden om de zaak aan te houden om vragen te stellen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit over een eventuele procedure in hoger beroep.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank stelt vast dat het EAB strekt tot de tenuitvoerlegging van een vonnis terwijl de opgeëiste persoon niet in persoon is verschenen bij het proces dat tot die beslissing heeft geleid. In onderdeel D) van het EAB is aangegeven dat de opgeëiste persoon op 7 maart 2024 in persoon is gedagvaard, daarbij op de hoogte is gebracht van de datum en plaats van het proces dat tot de beslissing heeft geleid en in kennis is gesteld dat een beslissing kan worden genomen wanneer hij niet op het proces verschijnt.

Gelet op het vertrouwensbeginsel gaat de rechtbank uit van de juistheid van de voornoemde informatie. Er zijn geen objectieve stukken overgelegd waaruit blijkt dat de in het EAB verstrekte informatie niet juist is. De enkele verklaring van de opgeëiste persoon dat hij in eerste aanleg bij de zitting aanwezig zou zijn geweest en dat hij hoger beroep zou hebben ingesteld, is daartoe niet voldoende. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding om de behandeling van de zaak aan te houden om hierover vragen te stellen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit.

De rechtbank stelt daarom vast dat sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 12, onder a, OLW. Dat betekent dat de weigeringsgrond van artikel 12 OLW niet van toepassing is.

4 Strafbaarheid; feit waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist

De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft het feit niet aangeduid als een feit waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW zijn neergelegd.

De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan.

Het feit levert naar Nederlands recht op:

zware mishandeling.

5 Artikel 11 OLW: artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de EU

De rechtbank heeft eerder vastgesteld dat, vanwege structurele of fundamentele gebreken in de Poolse rechtsorde, in Polen een algemeen reëel gevaar bestaat van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld.

Nu de opgeëiste persoon geen elementen heeft aangevoerd waaruit blijkt dat die structurele of fundamentele gebreken een concrete invloed hebben gehad op de behandeling van zijn strafzaak, is niet aangetoond dat sprake is van een individueel reëel gevaar van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld.

6 Slotsom

De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe.

7 Toepasselijke wetsbepalingen

De artikelen 302 Wetboek van Strafrecht en 2, 5 en 7 OLW.

8 Beslissing

STAAT TOE de overlevering van [de opgeëiste persoon] aan de Regional Court in Kielce (Sąd Okręgowy w Kielcach) (Polen) voor het feit zoals dat is omschreven in onderdeel e) van het EAB.


Deze uitspraak is gedaan door

mr. B.M. Vroom-Cramer, voorzitter,

mrs. E. de Rooij en L. Baroud, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. G. Riedijk, griffier,

en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 10 juni 2026.

Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

Zie artikel 23 Overleveringswet. Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW. Zie onderdeel e) van het EAB. Rb. Amsterdam 10 februari 2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:420, r.o. 5.3.1-5.3.3 en Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1794, r.o. 4.4. Vgl. Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1794, onder verwijzing naar HvJ EU 22 februari 2022, C-562/21 PPU en C-563/21 PPU, ECLI:EU:C:2022:100 (Openbaar Ministerie (Recht op een gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld in de uitvaardigende lidstaat)).