Europees strafrecht
AVT uit België. Hoorrecht niet geëerbiedigd. Verzoek tot aanvullende toestemming afgewezen.
Rechtbank Amsterdam, 27 mei 2026
ECLI:NL:RBAMS:2026:5986 · Rechtbank Amsterdam · 27 mei 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-amsterdam/strafrecht/europees-strafrecht/eerste-en-enige-aanleg/ecli-nl-rbams-2026-5986
Zaakgegevens
Op 27 mei 2026 heeft de Rechtbank Amsterdam uitspraak gedaan in een zaak over europees strafrecht.
- Instantie
- Rechtbank AmsterdamRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Amsterdam
- Datum uitspraak
- 27 mei 2026
- Datum publicatie
- 12 juni 2026
- Zaaknummer
- 13-009248-25
- Rechtsgebied
- Strafrecht » Europees strafrecht
- Procedure
- Eerste en enige aanlegEerste en enige aanlegEr is maar één rechter die over de zaak beslist; hoger beroep is niet mogelijk.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBAMS:2026:5986
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
AVT uit België. Hoorrecht niet geëerbiedigd. Verzoek tot aanvullende toestemming afgewezen.
Uitspraak
RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13-009248-25
Datum beslissing: 27 mei 2026
BESLISSING
op de vordering ex artikel 14, derde lid, Overleveringswet (hierna: OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank op 1 april 2026, strekkende tot het in behandeling nemen van een verzoek om toestemming te verlenen voor uitbreiding van de vervolging als bedoeld in artikel 14, eerste lid, aanhef en onder g, OLW. Dit verzoek is ingediend door de onderzoeksrechter in de rechtbank van eerste aanleg West-Vlaanderen, afdeling Brugge, België (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) op 10 februari 2026 en betreft:
[de overgeleverde persoon]
geboren op [geboortedag] 1998 in [geboorteplaats] ,
thans gedetineerd in België,
hierna te noemen: de overgeleverde persoon.
1 Beoordeling
De rechtbank zal het verzoek tot aanvullende toestemming om de hiernavolgende reden afwijzen.
Hoorrecht
Vereist is dat de overgeleverde persoon feitelijk de mogelijkheid heeft gehad om al zijn of haar eventuele opmerkingen en bezwaren met betrekking tot het verzoek tot aanvullende toestemming kenbaar te maken (het zogenoemde hoorrecht), zoals bedoeld in het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 26 oktober 2021.
Naar aanleiding van het verzoek tot aanvullende toestemming heeft het Internationaal Rechtshulp Centrum (IRC) op 6 mei 2026 aan de uitvaardigende justitiële autoriteit onder meer gevraagd een zogenaamde terugkeergarantie te verstrekken en tevens de volgende vraag gesteld:
“De rechtbank Amsterdam verzoekt u om de overgeleverde persoon feitelijk de mogelijkheid te geven al zijn eventuele opmerkingen en bezwaren met betrekking tot het verzoek tot toestemming kenbaar te maken (vgl. HvJ EU 26 oktober 2021, C-428/21 PPU en C-429/21 PPU, ECLI:EU:C:2021:876, punt 63), en de schriftelijke verslaglegging daarvan aan de rechtbank te doen toekomen. Met andere woorden verzoekt de rechtbank om de overgeleverde persoon alsnog te (doen) horen over het verzoek tot aanvullende toestemming en hem in dat verband te vragen of hij bezwaren heeft tegen inwilliging door Nederland van dit verzoek en zo ja, welke bezwaren. De enkele mededeling dat de overgeleverde persoon geen afstand wenst te doen van de bescherming van het specialiteitsbeginsel volstaat niet.”
Op deze vraag is geen antwoord gekomen. De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft op 7 mei 2026 wel de volgende aanvullende informatie verstrekt:
“Ik houd eraan u te verduidelijken dat de inverdenkinggestelde [de overgeleverde persoon] niet opnieuw fysiek dient uitgeleverd te worden aan België.
Het aanvullend Europees Aanhoudingsmandaat is louter ingegeven door het feit dat betrokkene geen afstand deed van het specialiteitsbeginsel en er lopende het onderzoek bijkomende feiten naar boven zijn gekomen waaromtrent er aanwijzingen zijn dat betrokkene daarvoor in aanmerking komt. Aldus dienen wij een bijkomende uitlevering te vragen teneinde het openbaar ministerie toe te laten betrokkene ook voor deze bijkomende feiten te kunnen vervolgen in België.
Er is mijn inziens dan ook geen nood aan een nieuwe detentiegarantie.”
Het is de rechtbank niet gebleken dat de overgeleverde persoon is gehoord over het verzoek tot aanvullende toestemming. De rechtbank stelt daarom vast dat de overgeleverde persoon niet de mogelijkheid heeft gehad om zijn eventuele opmerkingen en bezwaren met betrekking tot het verzoek tot aanvullende toestemming kenbaar te maken. De rechtbank zal het verzoek dan ook afwijzen omdat het hoorrecht niet is geëerbiedigd.
Ten overvloede wijst de rechtbank erop dat de uitvaardigende justitiële autoriteit in deze zaak - hoewel daar wel om verzocht is - ook geen terugkeergarantie en geen detentiegarantie voor de overgeleverde persoon heeft afgegeven.
2 Beslissing
De rechtbank wijst het verzoek af.
Deze beslissing is genomen op 27 mei 2026 door
mr. B.M. Vroom-Cramer, voorzitter,
mrs. E. de Rooij en L. Baroud, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. G. Riedijk, griffier.