Europees strafrecht

Executie-EAB uit Polen. Verzamelvonnis. Overlevering geweigerd op grond van artikel 12 OLW.

Rechtbank Amsterdam, 16 juni 2026

Zaakgegevens

Op 16 juni 2026 heeft de Rechtbank Amsterdam uitspraak gedaan in een zaak over europees strafrecht.

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Zittingsplaats
Amsterdam
Datum uitspraak
16 juni 2026
Datum publicatie
17 juni 2026
Zaaknummer
13-100257-26
Procedure
Eerste en enige aanleg
ECLI
ECLI:NL:RBAMS:2026:6139
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Executie-EAB uit Polen. Verzamelvonnis. Overlevering geweigerd op grond van artikel 12 OLW.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13-100257-26

Datum uitspraak: 16 juni 2026

UITSPRAAK

op de vordering van 7 april 2026 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).

Dit EAB is uitgevaardigd op 10 oktober 2026 door the Circuit Court in Poznan, Polen, (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:

[de opgeëiste persoon] ,

geboren in [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1991,

ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:

[adres] ,

hierna ‘de opgeëiste persoon’.

1 Procesgang

De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 2 juni 2026, in aanwezigheid van mr. W.L.M. van Poll, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. M.A.M. Pijnenburg, advocaat te Amsterdam, en door een tolk in de Poolse taal.

De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd.

Tevens heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen met gelijktijdige schorsing van dat bevel tot aan de uitspraak.

2 Identiteit van de opgeëiste persoon

Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.

3 Grondslag en inhoud van het EAB

Het EAB vermeldt een verzamelvonnis van the District Court in Sroda Wielkopolska van 20 januari 2020 met kenmerk II K 771/18. Dit vonnis is een samenvoeging van de vrijheidsstraffen die zijn opgelegd bij de volgende beslissingen:

  • een vonnis van the District Court in Sroda Wielkopolska van 17 maart 2015 met kenmerk II K 56/15;

  • een vonnis van the District Court in Wagrowiec, van 18 september 2017, met kenmerk II K 572/16.

De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van één jaar en zes maanden, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. Deze straf resteert nog in het geheel. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde verzamelvonnis.

Dit vonnis betreft de feiten zoals die zijn omschreven in het EAB.

4 Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW

De rechtbank stelt allereerst vast dat het EAB een verzamelvonnis vermeldt, waaraan een tweetal onderliggende vonnissen ten grondslag ligt. Dit brengt mee dat zowel de onderliggende vonnissen als het verzamelvonnis moeten worden getoetst aan artikel 12 OLW, omdat bij de onderliggende vonnissen onherroepelijk uitspraak is gedaan over de schuld van de opgeëiste persoon en hem op grond daarvan vrijheidsstraffen zijn opgelegd. Ook het verzamelvonnis valt onder de reikwijdte van artikel 12 OLW, omdat daarin de duur van de straffen is gewijzigd en de bevoegde autoriteit daarbij over een beoordelingsmarge heeft beschikt.

Het verzamelvonnis met kenmerk II K 771/18

Met de raadsman en de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat de overlevering moet worden geweigerd op grond van artikel 12 OLW.

De Poolse autoriteiten schrijven in de aanvullende informatie van 6 mei 2026 onder meer:

“The proceedings for a combined judgment, ref. no. II K 771/18, were initiated ex officio, without any initiative on the part of the sentenced person in this regard. The hearing concerning the imposition of the judgment sentence took place on 20 January 2020. Mr [de opgeëiste persoon] did not appear at this hearing. Everything indicates that [de opgeëiste persoon] was genuinely unaware of the hearing concerning the combined judgment.”

Uit de aanvullende informatie van 6 mei 2026 blijkt dat de opgeëiste persoon niet in persoon is verschenen in het proces dat tot het verzamelvonnis heeft geleid, dat hij niet op de hoogte was van tijd en plaats van dat proces en dat - omdat het verzamelvonnis van the District Court in Sroda Wielkopolska, van 20 januari 2020, met kenmerk II K 771/18, ex officio is gewezen - dit niet aan hem te wijten valt.

De rechtbank is daarom van oordeel dat niet kan worden vastgesteld dat de opgeëiste persoon op ondubbelzinnige wijze uitdrukkelijk of stilzwijgend afstand heeft gedaan van zijn recht om in persoon aanwezig te zijn, dan wel om zijn verdedigingsrechten uit te oefenen.

Ook kan de rechtbank niet vaststellen dat de opgeëiste persoon onzorgvuldig is geweest met betrekking tot zijn bereikbaarheid voor officiële correspondentie. Uit de aanvullende informatie volgt dat de op 29 december 2014 verstrekte adresinstructie zag op de zaak met kenmerk II K 56/15 en zich niet uitstrekte over een verzamelvonnis-procedure.

Concluderend kan de rechtbank niet vaststellen dat één van de situaties zoals bedoeld in artikel 12, onder a tot en met d, OLW aan de orde is. Zij kan daarom de overlevering weigeren op grond van artikel 12 OLW. De rechtbank ziet geen aanleiding om daarvan af te zien.

De onderliggende vonnissen met kenmerken II K 56/15 en II K 572/16

Het bovenstaande brengt met zich mee dat de aan het verzamelvonnis ten grondslag liggende vonnissen geen nadere bespreking behoeven in het licht van artikel 12 OLW.

5 Slotsom

De rechtbank stelt vast dat de weigeringsgrond van artikel 12 OLW van toepassing is. De rechtbank ziet geen aanleiding om af te zien van toepassing van die weigeringsgrond. Om die reden wordt de overlevering geweigerd.

6 Toepasselijke wetsbepalingen

De artikelen 2, 5, en 12 OLW.

7 Beslissing

WEIGERT de overlevering van [de opgeëiste persoon] aan the Circuit Court in Poznan, Polen, voor de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB.

HEFT OP de (geschorste) overleveringsdetentie.


Deze uitspraak is gedaan door

mr. M. Scheeper, voorzitter,

mrs. E. van den Brink en L. Baroud, rechters,

in tegenwoordigheid van E. Mulder, griffier,

en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 16 juni 2026.

Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

Zie artikel 23 OLW. Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW. In het EAB is vermeld dat het gaat om een onderliggend vonnis van the District Court in Sroda Wielkopolska van 18 september 2017, met kenmerk II K 572/16. Uit de door de Poolse autoriteiten afgegeven aanvullende informatie van 7 mei 2026 blijkt dat dit echter een vonnis van the District Court in Wagrowiec betreft. Zie onderdeel e) van het EAB.