Europees strafrecht

Executie-EAB Polen; artikel 6a OLW: gelijkstelling met een Nederlander niet onderbouwd; overlevering toegestaan.

Rechtbank Amsterdam, 18 juni 2026

Zaakgegevens

Op 18 juni 2026 heeft de Rechtbank Amsterdam uitspraak gedaan in een zaak over europees strafrecht.

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Zittingsplaats
Amsterdam
Datum uitspraak
18 juni 2026
Datum publicatie
23 juni 2026
Zaaknummer
13-353704-25
Procedure
Eerste en enige aanleg
ECLI
ECLI:NL:RBAMS:2026:6347
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Executie-EAB Polen; artikel 6a OLW: gelijkstelling met een Nederlander niet onderbouwd; overlevering toegestaan.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13-353704-25

Datum uitspraak: 18 juni 2026

UITSPRAAK

op de vordering van 13 april 2026 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).

Dit EAB is uitgevaardigd op 6 november 2025 door the District Court in Koszalin II Criminal Department, Polen (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:

[de opgeëiste persoon] ,

geboren op [geboortedag] 1964 in [geboorteplaats] (Polen),

ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:

[BRP-adres] ,

gedetineerd in [detentieadres] ,

hierna ‘de opgeëiste persoon’.

1 Procesgang

De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 4 juni 2026, in aanwezigheid van mr. K. van der Schaft, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. M. de Klerk, advocaat in Haarlem en door een tolk in de Poolse taal.

De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd.

Tevens heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen.

2 Identiteit van de opgeëiste persoon

Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.

3 Grondslag en inhoud van het EAB

Het EAB vermeldt een vonnis van the Local Court in Szczecinek van 25 februari 2015 met kenmerk II K 7/15.

Het EAB vermeldt dat de opgeëiste persoon in persoon is verschenen bij het proces dat tot de beslissing heeft geleid.

De overlevering wordt verzocht voor de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van twee jaar, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde vonnis en resteert nog in zijn geheel.

Dit vonnis betreft de feiten zoals die zijn omschreven in het EAB.

4 Strafbaarheid

Feiten waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist

De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft de feiten niet aangeduid als feiten waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW zijn neergelegd.

De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan. Daarbij merkt de rechtbank op dat zij, anders dan de raadsman heeft aangevoerd, uit de feitomschrijving niet kan opmaken dat sprake is geweest van onttrekking van goederen aan een faillissement.

De feiten leveren naar Nederlands recht op:

diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak, door twee of meer verenigde personen;

diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van inklimming, door twee of meer verenigde personen.

5 Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 6a OLW

Standpunt van de raadsman

De opgeëiste persoon heeft aangevoerd dat hij voldoende binding heeft met Nederland en dat hij daarom zijn straf in Nederland kan uitzitten.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de opgeëiste persoon niet gelijkgesteld kan worden met een Nederlander. De opgeëiste persoon stond vanaf 2024 ingeschreven op een fictief adres. Sinds april 2026 staat hij ingeschreven op zijn huidige adres. Dit is onvoldoende om vijf jaar onafgebroken rechtmatig verblijf vast te stellen. Er zijn ook geen nadere stukken ter onderbouwing van het gelijkstellingsverweer overgelegd.

Oordeel van de rechtbank

Artikel 6, derde lid, OLW bepaalt dat bewijstukken ter onderbouwing van een gelijkstellingsverweer tijdig voorafgaand aan het verhoor door de rechtbank moeten worden overgelegd. De rechtbank stelt vast dat het verweer van raadsman niet is onderbouwd met stukken waaruit blijkt dat de opgeëiste persoon vijf jaar ononderbroken rechtmatig verblijf in Nederland heeft. Het verweer wordt verworpen.

6 Slotsom

De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe.

7 Toepasselijke wetsbepalingen

De artikelen 311 Wetboek van Strafrecht en 2, 5 en 7 OLW.

8 Beslissing

STAAT TOE de overlevering van [de opgeëiste persoon] aan the District Court in Koszalin II Criminal Department (Polen) voor de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB.

Deze uitspraak is gedaan door

mr. D.L.S. Ceulen, voorzitter,

mrs. O.P.M. Fruytier en L. Sanders, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. M.J. Gauneau, griffier,

en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 18 juni 2026.

Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

Zie artikel 23 Overleveringswet. Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW. Zie onderdeel e) van het EAB.