Europees strafrecht

Executie uitlevering Montenegro; uitlevering toelaatbaar.

Rechtbank Amsterdam, 18 juni 2026

Zaakgegevens

Op 18 juni 2026 heeft de Rechtbank Amsterdam uitspraak gedaan in een zaak over europees strafrecht.

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Zittingsplaats
Amsterdam
Datum uitspraak
18 juni 2026
Datum publicatie
23 juni 2026
Zaaknummer
13-025806-26
Procedure
Eerste en enige aanleg
ECLI
ECLI:NL:RBAMS:2026:6350
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Executie uitlevering Montenegro; uitlevering toelaatbaar.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM,

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13-025806-26

Datum uitspraak: 18 juni 2026

UITSPRAAK

op de vordering op grond van artikel 23 van de Uitleveringswet (UW) van de officier van justitie in het arrondissement Amsterdam van 13 februari 2026, onder meer strekkende tot het in behandeling nemen van het door tussenkomst van de Minister van Justitie een Veiligheid ontvangen verzoek van de Montenegrijnse autoriteiten tot uitlevering van:

[de opgeëiste persoon] ,

geboren in [geboorteplaats] (Montenegro) op [geboortedag] 1995,

zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,

gedetineerd in [J.C.] ,

hierna te noemen: de opgeëiste persoon.

1 Procesgang.

De rechtbank heeft op 4 juni 2026 de opgeëiste persoon, zijn raadsman, mr. T. Sönmez, advocaat in Rotterdam, en de officier van justitie ter openbare zitting gehoord. De opgeëiste persoon is bijgestaan door een tolk in de Servische taal.

De rechtbank heeft de gevangenhouding van de opgeëiste persoon bevolen.

2 Identiteit van de opgeëiste persoon

De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat zijn personalia als bovengenoemd juist zijn en dat hij de Montenegrijnse nationaliteit heeft.

3 Toepasselijk verdrag

Van toepassing is het Europees Verdrag betreffende uitlevering (Trb. 1965, 9), verder te noemen het EUV en het Tweede Aanvullend Protocol bij dat Verdrag (Trb. 1979, 120).

4 Grondslag van het uitleveringsverzoek

De Montenegrijnse autoriteiten hebben bij brief van 29 januari 2026 verzocht om de uitlevering van de opgeëiste persoon voor de tenuitvoerlegging van een gevangenisstraf van twee jaar. Die gevangenisstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd in een vonnis van the High Court in Podgorica van 20 februari 2025 met kenmerk K No. 13/22.

De feiten waarvoor de uitlevering wordt verzocht zijn uiteengezet in het vonnis van the High Court in Podgorica van 20 februari 2025 met kenmerk K No. 13/22.

5 Genoegzaamheid van de stukken

Bij het uitleveringsverzoek zijn gevoegd:

- een authentiek afschrift van het vonnis van the High Court in Podgorica van 20 februari 2025 met kenmerk K No. 13/22, met daarin een overzicht van de feiten waarvoor uitlevering wordt verzocht, waaronder de tijd en plaats waarop de feiten zijn begaan, hun wettelijke omschrijving en de verwijzing naar de toepasselijke wetsbepalingen;

- een afschrift van de toepasselijke artikelen 126 en 300 van het Montenegrijnse wetboek van strafrecht.

De rechtbank is van oordeel dat de stukken voldoen aan de eisen van artikel 12, tweede lid, van het EUV en artikel 18 UW.

6 Dubbele strafbaarheid

De feiten waarvoor de uitlevering wordt verzocht zijn naar Montenegrijns recht strafbaar en daarvoor kan telkens een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste één jaar worden opgelegd. De feiten zijn ook naar Nederlands recht strafbaar en daarvoor kan telkens een vrijheidsstraf van ten minste één jaar worden opgelegd. De feiten leveren naar Nederlands recht op:

opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod;


opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod.

7. Recht op een eerlijk proces, artikel 3 Tweede Aanvullend Protocol en artikel 5 UW

Standpunt van de raadsman

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de uitlevering ontoelaatbaar moet worden verklaard omdat uit het verzoek niet blijkt dat de opgeëiste persoon zijn verdedigingsrechten heeft kunnen uitoefenen. De opgeëiste persoon is bij verstek veroordeeld en was niet op de hoogte van het gewezen vonnis. De enkele omstandigheid dat hij wist dat tegen hem een

strafprocedure liep, kan niet worden gelijkgesteld met wetenschap van de datum van de terechtzitting. Evenmin kan daaruit worden afgeleid dat hij de mogelijkheid had bij de zitting aanwezig te zijn of dat hij kennis had van de uiteindelijke veroordeling.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de opgeëiste persoon voldoende in de gelegenheid is gesteld om zijn verdedigingsrechten uit te oefenen. De opgeëiste persoon is bij één van de zittingen in persoon aanwezig geweest. Daarna is de opgeëiste persoon spoorloos geraakt en is de procedure bij verstek voortgezet, maar werd de opgeëiste persoon wel vertegenwoordigd door een gemachtigde advocaat.

Oordeel van de rechtbank

Uit het vonnis blijkt dat de strafzaak inhoudelijk is behandeld en dat de opgeëiste persoon daarbij niet is verschenen en uit het uitleveringsverzoek volgt dat het vonnis onherroepelijk is. Artikel 3, eerste lid, eerste volzin, van het Tweede Aanvullend protocol bij het EUV brengt in samenhang met artikel 5, derde lid, UW in een dergelijk geval mee dat de uitleveringsrechter de uitlevering ontoelaatbaar verklaart wanneer deze van oordeel is dat “bij het strafproces de rechten van de verdediging niet in acht zijn genomen die tenminste aan een ieder, tegen wie een strafvervolging wordt ingesteld, behoren toe te komen”, tenzij de verzoekende staat “een verzekering geeft die voldoende wordt geacht om de opgeëiste persoon het recht te waarborgen op een nieuw proces waarin de rechten van de verdediging worden gegarandeerd”.

Uit het verzoek blijkt dat de opgeëiste persoon een paar uur in voorarrest heeft gezeten op 24 december 2021, dat hij als verdachte is gehoord, dat hij aanwezig was bij de eerste main hearing op 29 november 2022 en dat hij toen een bekennende verklaring heeft afgelegd. Verder volgt uit het verzoek dat de opgeëiste persoon niet aanwezig was bij de main hearing van 19 februari 2025, maar dat hij is vertegenwoordigd door een advocaat die daar ook verweren namens hem heeft gevoerd.

De opgeëiste persoon heeft bij de voorgeleiding en ter zitting verklaard dat hij op de hoogte was van de procedure in Montenegro. Ter zitting heeft hij verklaard dat hij bij een zitting aanwezig is geweest. De opgeëiste persoon heeft er daarna voor gekozen uit Montenegro te vertrekken en kon op een gegeven moment geen contact meer maken met zijn advocaat.

De rechtbank is op grond van bovengenoemde omstandigheden van oordeel dat het aan de kennelijke onzorgvuldigheid van de opgeëiste persoon is te wijten dat hij geen gebruik heeft kunnen maken van zijn aanwezigheidsrecht op de zitting van 19 februari 2025. Het had op de weg van de opgeëiste persoon gelegen om op de hoogte te blijven van de voortgang van de procedure, nu hij wist dat er een procedure liep. Ook had het op zijn weg gelegen om contact op te nemen met de Montenegrijnse autoriteiten en/of een nieuwe advocaat, toen het contact met de advocaat niet meer mogelijk was. Dat heeft hij niet gedaan, noch heeft hij enige andere actie ondernomen om ervoor te zorgen dat hij voor oproepingen bereikbaar was. De conclusie luidt dan ook dat bij het strafproces dat tot het bij verstek gewezen vonnis heeft geleid, de rechten van de verdediging in acht zijn genomen die minimaal aan iedereen, tegen wie een strafvervolging wordt ingesteld, moeten toekomen. Artikel 3 van het Tweede Aanvullend protocol bij het EUV en 5, derde lid, UW staan daarom niet aan uitlevering in de weg.

8 Slotsom

Nu de rechtbank heeft geoordeeld dat voor de feiten waarvoor de uitlevering wordt gevraagd aan alle daarvoor in de Wet en de toepasselijke Verdragen gestelde eisen is voldaan, dient de gevraagde uitlevering toelaatbaar te worden verklaard.

9 Toepasselijke wetsartikelen.

De artikelen 3 en 11 Opiumwet;

de artikelen 2 en 5 van de Uitleveringswet; en

de artikelen 1, 2 en 12 van het Europees Verdrag betreffende uitlevering van 13 december 1957 (Trb. 65, 9) en artikel 3 van het Tweede Aanvullend Protocol bij dat Verdrag (Trb.1979, 120).

10 Beslissing.

Verklaart TOELAATBAAR de door Montenegro verzochte uitlevering van [de opgeëiste persoon] voor de tenuitvoerlegging van een gevangenisstraf van twee jaar, zoals opgelegd in het vonnis van the High Court in Podgorica van 20 februari 2025 met kenmerk K No. 13/22 wegens de daarin uiteengezette feiten.

Aldus gedaan door

mr. D.L.S. Ceulen, voorzitter,

mrs. O.P.M. Fruytier en L. Sanders, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. M.J. Gauneau, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 18 juni 2026.

Ingevolge artikel 31 van de UW kan de opgeëiste persoon tegen deze uitspraak binnen 14 dagen beroep in cassatie instellen.