Europees strafrecht

Verzoek om aanvullende toestemming uit Roemenië. Gezien het feit dat de overgeleverde persoon zich niet…

Rechtbank Amsterdam, 6 augustus 2026

Zaakgegevens

Op 6 augustus 2026 heeft de Rechtbank Amsterdam uitspraak gedaan in een zaak over europees strafrecht.

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Zittingsplaats
Amsterdam
Datum uitspraak
6 augustus 2026
Datum publicatie
6 augustus 2026
Zaaknummer
13-331595-23
Procedure
Eerste en enige aanleg
ECLI
ECLI:NL:RBAMS:2026:7938
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Verzoek om aanvullende toestemming uit Roemenië. Gezien het feit dat de overgeleverde persoon zich niet langer in Roemenië bevindt, is een verzoek om aanvullende toestemming niet het geëigende instrument voor uitbreiding van de vervolging en/of voor de tenuitvoerlegging van straffen die zijn opgelegd voor feiten die vóór het tijdstip van de overlevering zijn begaan en waarvoor de betrokkene niet is overgeleverd. Daarvoor kan een Europees aanhoudingsbevel worden uitgevaardigd. Bovendien bevat het verzoek niet alle gegevens als bedoeld in artikel 8, eerste lid, van Kaderbesluit 2002/584/JBZ. Verzoek afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13-331595-23

Datum beslissing: 6 augustus 2026

BESLISSING

op de vordering ex artikel 14, derde lid, Overleveringswet (hierna: OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank op 5 maart 2026, strekkende tot het in behandeling nemen van een verzoek om toestemming te verlenen voor uitbreiding van de vervolging als bedoeld in artikel 14, eerste lid, aanhef en onder g, OLW en voor de tenuitvoerlegging van straffen die zijn opgelegd voor feiten die vóór het tijdstip van de overlevering zijn begaan en waarvoor de betrokkene niet is overgeleverd, als bedoeld in artikel 14, eerste lid, aanhef en onder g, OLW. Dit verzoek is ingediend door de Curtea de Apel Cluj (Court of Appeal of Cluj), Roemenië en betreft:

[overgeleverde persoon],

geboren op [geboortedag] 1987 in [geboorteplaats], Roemenië,

zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,

hierna te noemen: de overgeleverde persoon.

1 Beoordeling

De rechtbank leidt uit de aanvullende informatie van de Curtea de Apel Cluj (Court of Appeal of Cluj) af dat de overgeleverde persoon zich in Nederland, althans niet meer in Roemenië, bevindt.

De rechtbank oordeelt dat, gezien het feit dat de overgeleverde persoon zich niet langer in Roemenië bevindt, een verzoek om aanvullende toestemming niet het geëigende instrument is voor uitbreiding van de vervolging en/of voor de tenuitvoerlegging van straffen die zijn opgelegd voor feiten die vóór het tijdstip van de overlevering zijn begaan en waarvoor de betrokkene niet is overgeleverd. Indien de Roemeense autoriteiten wederom overlevering van de overgeleverde persoon willen bewerkstelligen voor andere feiten dan waarvoor de overlevering eerder is toegestaan, kan daarvoor een Europees aanhoudingsbevel worden uitgevaardigd.

De rechtbank overweegt ten overvloede dat het verzoek bovendien niet alle gegevens bevat als bedoeld in artikel 8, eerste lid, van Kaderbesluit 2002/584/JBZ. Het verzoek bevat immers geen vermelding van een nationaal aanhoudingsbevel of een andere voor tenuitvoerlegging vatbare gelijkwaardige rechterlijke beslissing.

In verband met het voorgaande zal het verzoek worden afgewezen. De rechtbank komt daardoor niet toe aan een beoordeling van de vraag of de overgeleverde persoon feitelijk de mogelijkheid heeft gehad al zijn eventuele opmerkingen en bezwaren met betrekking tot het verzoek tot toestemming kenbaar te maken (vgl. HvJ EU 26 oktober 2021, C-428/21 PPU en C-429/21 PPU, ECLI:EU:C:2021:876, punt 63).

De rechtbank wijst het verzoek af.

2 Beslissing

De rechtbank:

WIJST AF het verzoek om toestemming voor uitbreiding van de vervolging van [overgeleverde persoon] voor de feiten zoals vermeld in het verzoek en het verzoek voor de tenuitvoerlegging van straffen die aan hem zijn opgelegd voor feiten die vóór het tijdstip van de overlevering zijn begaan en waarvoor hij niet is overgeleverd.

Deze beslissing is genomen op 6 augustus 2026 door

mr. E.M. de Bie, voorzitter,

mr. O.P.M. Fruytier en mr. E. van den Brink, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. G.S. Haas, griffier.