Europees strafrecht
Executie-EAB uit Polen. Artikel 12 OLW: de opgeëiste persoon is in persoon verschenen bij alle inhoudelijke…
Rechtbank Amsterdam, 18 augustus 2026
ECLI:NL:RBAMS:2026:8273 · Rechtbank Amsterdam · 18 augustus 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-amsterdam/strafrecht/europees-strafrecht/eerste-en-enige-aanleg/ecli-nl-rbams-2026-8273
Zaakgegevens
Op 18 augustus 2026 heeft de Rechtbank Amsterdam uitspraak gedaan in een zaak over europees strafrecht.
- Instantie
- Rechtbank AmsterdamRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Amsterdam
- Datum uitspraak
- 18 augustus 2026
- Datum publicatie
- 18 augustus 2026
- Zaaknummer
- 13-126966-26
- Rechtsgebied
- Strafrecht » Europees strafrecht
- Procedure
- Eerste en enige aanlegEerste en enige aanlegEr is maar één rechter die over de zaak beslist; hoger beroep is niet mogelijk.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBAMS:2026:8273
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Executie-EAB uit Polen. Artikel 12 OLW: de opgeëiste persoon is in persoon verschenen bij alle inhoudelijke behandelingen van de procedure die tot de beslissing heeft geleid. Artikel 7 OLW: kennelijke vergissing bij het aankruisen van het lijstfeit. Overlevering toegestaan.
Uitspraak
RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13-126966-26
Datum uitspraak: 18 augustus 2026
UITSPRAAK
op de vordering van 2 juni 2026 (gecorrigeerd op 3 juni 2026) van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).
Dit EAB is uitgevaardigd op 25 maart 2026 door de the District Court in Krakow, Third Criminal Division, Polen, (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[de opgeëiste persoon]
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedag] 1989,
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,
gedetineerd in [de penitentiaire inrichting] ,
hierna ‘de opgeëiste persoon’.
1 Procesgang
De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 4 augustus 2026, in aanwezigheid van mr. W.L.M. van Poll, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. R.A.A. Maat, advocaat in Goes, en door een tolk in de Poolse taal.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd.
Tevens heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen.
2 Identiteit van de opgeëiste persoon
Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.
3 Grondslag en inhoud van het EAB
Het EAB vermeldt een vonnis van the Krakow-Krowodrza Regional Court in Krakow Second Criminal Division van 12 november 2020, met kenmerk II K 729/18/K, en gewijzigd bij arrest van the District Court in Krakow, Fo[u]rth Division of Criminal Appeals van 21 februari 2023, met kenmerk IV Ka 580/21.
De overlevering wordt verzocht voor de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van vier jaren, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. Van deze straf resteren volgens het EAB nog drie jaren en 22 dagen. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde arrest.
Dit arrest betreft de feiten zoals die zijn omschreven in het EAB.
4 Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW
Standpunt van de raadsman en de officier van justitie
De raadsman heeft geen standpunt ingenomen over de weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW.
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de weigeringsgrond van artikel 12 OLW niet van toepassing is, omdat de opgeëiste persoon in persoon is verschenen bij het proces dat heeft geleid tot de beslissing van the District Court in Krakow, Fo[u]rth Division of Criminal Appeals van 21 februari 2023, met kenmerk IV Ka 580/21.
Oordeel van de rechtbank
Als het proces in twee opeenvolgende instanties heeft plaatsgevonden, namelijk een procedure in eerste aanleg gevolgd door een procedure in hoger beroep, dan is de laatste van die beslissingen relevant voor de beoordeling of is voldaan aan de vereisten van artikel 4 bis, eerste lid, Kaderbesluit 2002/584/JBZ en artikel 12 OLW, voor zover daartegen geen gewoon rechtsmiddel meer openstaat en daarom de zaak ten gronde definitief is afgedaan. De rechtbank zal daarom de beslissing van the District Court in Krakow, Fo[u]rth Division of Criminal Appeals van 21 februari 2023, met kenmerk IV Ka 580/21, toetsen aan artikel 12 OLW.
Uit het EAB en de aanvullende informatie van The Kraków-Krowodrza Regional Court in Krakow, Second Criminal Division, Enforcement Section van 14 juli 2026 blijkt dat de opgeëiste persoon in persoon is verschenen bij alle inhoudelijke behandelingen van de procedure die tot de beslissing heeft geleid. De weigeringsgrond van artikel 12 OLW is daarom niet van toepassing.
5 Strafbaarheid; feiten vermeld op bijlage 1 bij de OLW
Standpunt van de raadsman en de officier van justitie
De raadsman heeft geen standpunt ingenomen over de strafbaarheid van de feiten.
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de lijstfeiten in redelijkheid zijn aangekruist.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank begrijpt het EAB aldus, dat de uitvaardigende justitiële autoriteit de strafbare feiten aanwijst als een zogenoemd lijstfeit, dat in Nederland in de lijst van bijlage 1 bij de OLW staat vermeld, te weten:
georganiseerde of gewapende diefstal.
Uit het EAB volgt dat op deze feiten naar het recht van Polen een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren is gesteld.
Dit betekent dat een onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van de feiten waarvoor de overlevering wordt verzocht, achterwege moet blijven.
Ten aanzien van het eveneens aangekruiste lijstfeit vervalsing van administratieve documenten en handel in valse documenten overweegt de rechtbank dat sprake is van een kennelijke vergissing. Uit de in het EAB opgenomen feitomschrijving blijkt namelijk in het geheel niet dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan feiten die zien op het vervalsen van documenten of van handel daarin. De rechtbank zal geen gevolgen verbinden aan deze kennelijke vergissing.
6. Artikel 11 OLW: artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de EU
De rechtbank heeft eerder vastgesteld dat, vanwege structurele of fundamentele gebreken in de Poolse rechtsorde, in Polen een algemeen reëel gevaar bestaat van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld.
Nu de opgeëiste persoon geen elementen heeft aangevoerd waaruit blijkt dat die structurele of fundamentele gebreken een concrete invloed hebben gehad op de behandeling van zijn strafzaak, is niet aangetoond dat sprake is van een individueel reëel gevaar van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld.
7 Slotsom
De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe.
8 Toepasselijke wetsbepalingen
De artikelen 2, 5 en 7 OLW.
9 Beslissing
STAAT TOE de overlevering van [de opgeëiste persoon] aan the District Court in Krakow, Third Criminal Division (Polen) voor de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. D.L.S. Ceulen, voorzitter,
mrs. L. Sanders en A.B.M. Wijnveldt, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. G. Riedijk, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 18 augustus 2026.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.