Europees strafrecht
Executie-EAB uit Polen. Poolse detentieomstandigheden: Geen algemeneen gevaar ten aanzien van executie-EAB's…
Rechtbank Amsterdam, 7 oktober 2026
ECLI:NL:RBAMS:2026:9919 · Rechtbank Amsterdam · 7 oktober 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-amsterdam/strafrecht/europees-strafrecht/eerste-en-enige-aanleg/ecli-nl-rbams-2026-9919
Zaakgegevens
Op 7 oktober 2026 heeft de Rechtbank Amsterdam uitspraak gedaan in een zaak over europees strafrecht.
- Instantie
- Rechtbank AmsterdamRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Amsterdam
- Datum uitspraak
- 7 oktober 2026
- Datum publicatie
- 8 oktober 2026
- Zaaknummer
- 13-287068-25
- Rechtsgebied
- Strafrecht » Europees strafrecht
- Procedure
- Eerste en enige aanlegEerste en enige aanlegEr is maar één rechter die over de zaak beslist; hoger beroep is niet mogelijk.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBAMS:2026:9919
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Executie-EAB uit Polen. Poolse detentieomstandigheden: Geen algemeneen gevaar ten aanzien van executie-EAB's. Overlevering toegestaan.
Uitspraak
RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13-287068-25
Datum uitspraak: 7 oktober 2026
UITSPRAAK
op de vordering van 6 augustus 2026 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).
Dit EAB is uitgevaardigd op 29 september 2025 door de Circuit Court of Zielona Góra, Polen, (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[de opgeëiste persoon] ,
geboren op [geboortedag] 1986 te [geboorteplaats] (Polen),
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,
nu gedetineerd in [detentieadres] .
hierna ‘de opgeëiste persoon’.
1 Procesgang
De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 23 september 2026, in aanwezigheid van mr. K. van der Schaft, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door mr. Z. Boufadiss, advocaat in Amsterdam en door een tolk in de Poolse taal.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd.
Ook heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen.
2 Identiteit van de opgeëiste persoon
Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.
3 Grondslag en inhoud van het EAB
Het EAB vermeldt een vonnis, namelijk een judgment of November 23, 2022, van de District Court of Żary, met referentie II K 859/22.
De overlevering wordt verzocht voor de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van één jaar, die nog volledig dient te worden ondergaan. De opgeëiste persoon is tot deze straf veroordeeld in het hiervoor genoemde vonnis.
De hiervoor genoemde veroordeling ziet op het feit zoals dat is omschreven in het EAB.
4 Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW
Het EAB vermeldt dat de opgeëiste persoon in persoon is verschenen bij het proces dat tot de beslissing heeft geleid. De weigeringsgrond van artikel 12 OLW is daarom niet van toepassing.
5 Strafbaarheid
Feit waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist
De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft het strafbare feit niet aangeduid als lijstfeit. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, als – kort gezegd – voldaan is aan de vereisten dat voor het feit een vrijheidsstraf van ten minste vier maanden is opgelegd aan de opgeëiste persoon en het feit ook naar Nederlands recht strafbaar is.
De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan.
Het feit levert naar Nederlands recht op:
meerdaadse samenloop van:
overtreding van artikel 8 van de Wegenverkeerswet 1994 en
overtreding van artikel 9, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994.
6 Artikel 11 OLW
Artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de EU
De rechtbank heeft eerder vastgesteld dat, vanwege structurele of fundamentele gebreken in de Poolse rechtsorde, in Polen een algemeen reëel gevaar bestaat van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld. Het is aan de opgeëiste persoon om omstandigheden aan te voeren en aan te tonen waaruit blijkt dat hij dit gevaar ook daadwerkelijk loopt.
Omdat de opgeëiste persoon geen elementen heeft aangevoerd waaruit blijkt dat die structurele of fundamentele gebreken een concrete invloed hebben gehad op de behandeling van zijn strafzaak, is niet aangetoond dat sprake is van een individueel reëel gevaar van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld.
Poolse detentieomstandigheden
Standpunt van de raadsvrouw
De raadsvrouw heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de overlevering dient te worden geweigerd op grond van artikel 11 OLW. Uit het rapport van de European Committee for the Prevention of Torture and Inhuman or Degrading Treatment or Punishment van 24 februari 2024 (hierna: CPT) blijkt namelijk dat de medische zorg voor Poolse gedetineerden structureel tekortschiet. Nu de opgeëiste persoon lijdt aan epilepsie en afhankelijk is van adequate en directe medische zorg, bestaat voor de opgeëiste persoon na overlevering een reëel gevaar van een onmenselijke of vernederende behandeling zoals bedoeld in artikel 4 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. Subsidiair moet de behandeling van de zaak worden aangehouden om hierover aanvullende vragen te stellen aan de Poolse autoriteiten.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat artikel 11 OLW niet aan overlevering in de weg staat. Niet onderbouwd is dat de opgeëiste persoon aan epilepsie lijdt of dat er sprake is van een algemeen reëel gevaar dat personen met epilepsie die in Polen zijn gedetineerd, onmenselijk of vernederend worden behandeld.
Oordeel van de rechtbank
In het arrest van 5 april 2016 heeft het Hof van Justitie voorop gesteld dat het beginsel van wederzijds vertrouwen vereist dat elk van de lidstaten, behoudens uitzonderlijke omstandigheden, ervan uitgaat dat alle andere lidstaten het Unierecht en, meer in het bijzonder, de door dat recht erkende grondrechten in acht nemen.
Dergelijke uitzonderlijke omstandigheden doen zich voor indien de uitvoerende rechterlijke autoriteit bewijzen heeft dat er in het algemeen een reëel gevaar bestaat dat personen die in de uitvaardigende lidstaat zijn gedetineerd onmenselijk of vernederend worden behandeld. In dat geval moet zij beoordelen of dit gevaar in geval van overlevering voor de opgeëiste persoon aanwezig is. Bij haar oordeel of sprake is van een reëel gevaar moet zij zich allereerst baseren op objectieve, betrouwbare, nauwkeurige en naar behoren bijgewerkte gegevens over de detentieomstandigheden die heersen in de uitvaardigende lidstaat en die kunnen duiden op gebreken die hetzij structureel of fundamenteel zijn, hetzij bepaalde groepen van personen raken, hetzij bepaalde detentiecentra betreffen. Als de rechtbank heeft vastgesteld dat er in het algemeen een reëel gevaar bestaat dat personen die in de uitvaardigende lidstaat zijn gedetineerd onmenselijk of vernederend worden behandeld, dient de rechtbank te beoordelen of de opgeëiste persoon in het geval van overlevering daadwerkelijk aan dat gevaar zal worden blootgesteld.
Hoewel in voornoemd CPT-rapport zorgen worden geuit over de medische zorg voor gedetineerden, zijn naar het oordeel van de rechtbank geen objectieve, betrouwbare, nauwkeurige en naar behoren bijgewerkte gegevens verstrekt op grond waarvan een algemeen risico kan worden aangenomen dat gedetineerden in Polen die specialistische medische zorg nodig hebben aan een onmenselijke of vernederende behandeling worden blootgesteld, omdat zij die zorg niet kunnen krijgen. In het CPT-rapport wordt bovendien met name het gebrek aan medische screening van nieuwe gedetineerden besproken. De rechtbank heeft reeds eerder aangenomen dat er geen algemeen reëel gevaar van een onmenselijke en vernederende behandeling kan worden vastgesteld ten aanzien van het ontbreken van een medische controle van gedetineerden die in Polen worden geplaatst, omdat die controle plaatsvindt voorafgaand aan de feitelijke overlevering.
Gelet op het voorgaande komt de rechtbank niet toe aan de vraag of voor deze opgeëiste persoon na zijn overlevering een reëel gevaar voor onmenselijke behandeling in detentie bestaat. Ten overvloede merkt de rechtbank nog op dat niet met objectieve stukken onderbouwd is dat de opgeëiste persoon lijdt aan epilepsie en dat hij daarvoor speciale medische zorg nodig heeft. De rechtbank ziet geen aanleiding om vragen te stellen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit met betrekking tot hetgeen de raadsvrouw over de medische situatie in dit kader heeft aangevoerd. Het verweer van de raadsvrouw wordt dan ook verworpen.
7 Slotsom
De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. De rechtbank staat daarom de overlevering toe.
8 Toepasselijke wetsbepalingen
De artikelen 8, 9 en 176 Wegenverkeerswet 1994 en 2, 5 en 7 OLW.
9 Beslissing
STAAT TOE de overlevering van [de opgeëiste persoon] aan de Circuit Court of Zielona Góra, Polen, voor het feit zoals dat is omschreven in onderdeel e) van het EAB.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. E. van den Brink, voorzitter,
mrs. I. Verstraeten en E.M. de Bie, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. E.A. Harland, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 7 oktober 2026.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.