Materieel strafrecht

Faillissementsfraude. Vrijspraak verduistering in dienstbetrekking.

Rechtbank Amsterdam, 11 juli 2024

Zaakgegevens

Op 11 juli 2024 heeft de Rechtbank Amsterdam in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over materieel strafrecht.

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Zittingsplaats
Amsterdam
Datum uitspraak
11 juli 2024
Datum publicatie
19 oktober 2026
Zaaknummer
81/021682-22
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
ECLI
ECLI:NL:RBAMS:2024:9066
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Faillissementsfraude. Vrijspraak verduistering in dienstbetrekking.

Uitspraak

[afbeelding niet beschikbaar]vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling Publiekrecht

Teams Strafrecht

Parketnummer: 81.021682.22

Datum uitspraak: 11 juli 2024

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1983,

wonende op het adres [adres] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen op 30 mei, 3 en 4 juni en 11 juli 2024.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie,

mr. B.B.A. Frakking, en van wat verdachte en zijn raadsman, mr. J.A. Schadd, naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

Aan verdachte is – na wijziging van de tenlastelegging op de zitting –kort gezegd ten laste gelegd dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan

  1. medeplegen van verduistering in dienstbetrekking bij [naam bedrijf BV 1] , in de periode van 9 november 2016 tot en met 1 mei 2017;

  2. medeplegen van verduistering in dienstbetrekking bij [naam bedrijf BV 2] , in de periode van 30 november 2016 tot en met 21 juni 2017;

  3. medeplegen van faillissementsfraude ex artikel 344a van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr), te weten het niet voldoen aan de bewaar- en administratieplicht ten aanzien van [naam bedrijf BV 2] , in de periode van 30 november 2016 tot en met 31 mei 2018.

Onder de feiten 2 en 3 is in de tenlastelegging opgenomen dat verdachte geldbedragen uit hoofde van zijn dienstbetrekking althans anders dan door misdrijf onder zich heeft gehad.

‘Anders dan door misdrijf’ is een bestanddeel van verduistering. Verduistering in dienstbetrekking is een strafverzwarende omstandigheid. De rechtbank gaat er daarom vanuit dat waar ‘althans’ staat – wat een alternatief zou kunnen impliceren – ‘in elk geval’ wordt bedoeld. De rechtbank zal de tenlastelegging verbeterd lezen, aangezien hier sprake is van een kennelijke misslag waarover ook geen debat is gevoerd . Door de verbetering van deze misslag wordt verdachte niet in de verdediging geschaad.

De volledige tenlastelegging is opgenomen in een bijlage die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.

3 Inleiding

Onder de naam Mount Maudit is door de FIOD onderzoek gedaan naar de onderneming [naam bedrijf BV 1] (hierna: [naam bedrijf BV 1] ). Door het Team Financieel-Economische Criminaliteit van de Politie Eenheid Oost-Nederland is onder de naam Kruisbes onderzoek gedaan naar de onderneming [naam bedrijf BV 2] (hierna: [naam bedrijf BV 2] ).

In het dossier staat beschreven dat naar aanleiding van deze onderzoeken het vermoeden is ontstaan dat door bestuurders/leidinggevers/werknemers van deze twee ondernemingen strafbare feiten zijn gepleegd, te weten oplichting, verduistering enwitwassen. Ten aanzien van [naam bedrijf BV 2] is ook het vermoeden ontstaan dat sprake is van faillissementsfraude. Uiteindelijk is aan verdachte alleen verduistering en faillissementsfraude ten laste gelegd.

Op de terechtzittingen zijn de zaken tegen de verdachten [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en [verdachte] behandeld. De zaak tegen medeverdachte [medeverdachte 3] is om gezondheidsredenen afgesplitst. De zaak tegen medeverdachte [medeverdachte 4] is reeds door het Openbaar Ministerie afgedaan met een strafbeschikking voor witwassen.

4 Waardering van het bewijs

4.1.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat niet kan worden bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de onder 1 ten laste gelegde verduistering, omdat opzet op wederrechtelijke toe-eigening van de door beleggers naar [naam bedrijf BV 1] overgemaakte geldbedragen niet kan worden bewezen. Wel kan verduistering worden bewezen van de geldbedragen die beleggers en kopers van warmtepompen en/of zonnepanelen naar [naam bedrijf BV 2] hebben overgemaakt (feit 2). De officier van justitie heeft daartoe aangevoerd dat de onderneming van meet af aan een lege huls was en zelfverrijking het enige doel was. Er was sprake van verschillende leugens en verdichtsels die in onder meer memoranda en brochures staan beschreven. Mensen dachten hun geld toe te vertrouwen aan een gespecialiseerde onderneming, maar die bleek een façade te zijn. In totaal is € 119.107,- door [naam bedrijf BV 2] ontvangen, maar dit geld is niet besteed aan het doel waarvoor het is overgemaakt, namelijk de aankoop van warmtepompen en/of zonnepanelen. Het geld is daarentegen voor een groot deel in de zakken van verdachten verdwenen. De verduistering heeft overduidelijk plaatsgevonden in de sfeer van list en bedrog. Strafbare oplichting is evenwel niet bewijsbaar, omdat niet kan worden vastgesteld dat de investeerders/kopers door oplichtingsmiddelen ertoe zijn bewogen om geldbedragen naar de onderneming over te maken. Het bestanddeel van verduistering ‘anders dan door misdrijf’ kan dan ook worden bewezen.

De onder 3 ten laste gelegde faillissementsfraude kan worden bewezen op grond van de aangifte van de curator en de verklaring van verdachte ter terechtzitting.

4.2.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft bepleit dat verdachte integraal moet worden vrijgesproken van de onder 1 en 2 ten laste gelegde verduistering. De raadsman heeft daartoe ten aanzien van [naam bedrijf BV 1] (feit 1) bepleit dat verdachte geen actieve bemoeienis heeft gehad met de bedrijfsvoering van [naam bedrijf BV 1] en dat opzet op wederrechtelijke toe-eigening van de ingelegde gelden niet bewezen kan worden. Ten aanzien van [naam bedrijf BV 2] (feit 2) wist verdachte niet dat de ingelegde gelden door de medeverdachten in eigen zak werd gestoken. [medeverdachte 1] bepaalde wat er met het geld dat binnenkwam moest gebeuren. Verdachte heeft geen opzet op verduistering gehad.

In de onder 3 ten laste gelegde faillissementsfraude kan opzet niet worden bewezen. Verdachte had de boekhouding niet op orde, maar dat maakt niet zonder meer dat er opzet was om de boel te flessen.

4.3.

Vrijspraak verduistering (feiten 1 en 2)

De rechtbank is – deels anders dan de officier van justitie – van oordeel dat niet kan worden bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de onder 1 en 2 ten laste gelegde verduistering. Er kan immers niet worden bewezen dat verdachte de ontvangen geldbedragen ‘anders dan door misdrijf’ onder zich heeft verkregen. De rechtbank overweegt daartoe het volgende.

4.3.1.

Juridisch kader

Verduistering is in artikel 321 Sr als volgt strafbaar gesteld:

“Hij die opzettelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort en dat hij anders dan door misdrijf onder zich heeft, wederrechtelijk zich toeëigent, wordt, als schuldig aan verduistering, gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste drie jaren of geldboete van de vijfde categorie.”

Om tot een bewezenverklaring van verduistering te kunnen komen, moet dus worden vastgesteld dat verdachten de gelden anders dan door misdrijf onder zich hebben gekregen.

Volgens jurisprudentie van de Hoge Raad moet het bestanddeel anders dan door misdrijf aldus worden uitgelegd dat niet enig door betrokkene begaan misdrijf, zoals diefstal, afpersing of oplichting, ertoe heeft geleid dat hij het goed onder zich heeft gekregen. Indien er een met een bewezenverklaring van dit bestanddeel onverenigbare mogelijkheid openblijft dat hij het goed door misdrijf onder zich heeft gekregen, staat dit aan een bewezenverklaring van verduistering in de weg (HR 13 november 2001, NJB 2002/5).

De rechtbank begrijpt deze jurisprudentie aldus dat een veroordeling voor verduistering is uitgesloten indien er aanwijzingen (blijven) bestaan dat een verdachte geld of goederen door eigen misdrijf heeft verkregen.

De rechtbank neemt als feit van algemene bekendheid aan dat mensen die geïnteresseerd zijn in het beleggen van hun gelden zich - alvorens daartoe over te gaan - (direct of indirect) laten informeren. Het is gebruikelijk dat dit gebeurt na bestudering van een prospectus, een brochure dan wel andere informatie van het betreffende beleggingsproduct. Beleggers gaan op basis van informatie die aan hen is verstrekt een obligatieovereenkomst aan met als doel een bepaald rendement te behalen (ECLI:NL:PHR:2020:194).

Daarbij overweegt de rechtbank dat in zijn algemeenheid als uitgangspunt geldt dat in overeenkomsten, prospectussen of informatiebrochures gegeven garanties of toegezegde prestaties niet snel zijn aan te merken als oplichtingsmiddel, omdat het gaat over toekomstige onzekere gebeurtenissen. Dat wordt evenwel anders als van meet af aan, of vanaf een bepaald moment, door het geven van een vertekend beeld van de werkelijkheid, alleen (nog) maar sprake is van onwaarheden en listige kunstgrepen (vergelijk: ECLI:NL:GHAMS:2017:1523, in het bijzonder paragraaf 5.2.1).

4.3.2.

[naam bedrijf BV 1] en [naam bedrijf BV 2]

Op 20 september 2016 is door [medeverdachte 3] de onderneming [naam bedrijf BV 3] opgericht. De bedrijfsomschrijving van [naam bedrijf BV 3] was: “Het werven van externe financieringen ten behoeve van (het financieren van) investeringen in onroerende zaken in Indonesië en holding activiteiten”.

Een maand later, op 21 oktober 2016, werd de naam van het bedrijf gewijzigd in ‘ [naam bedrijf BV 1] ’. Er vond ook een aandelenoverdracht plaats. De nieuwe eigenaar en bestuurder werd [naam holding BV] waarvan [medeverdachte 3] sinds 2013 enig aandeelhouder en bestuurder was. De bedrijfsomschrijving werd aangepast naar: “Het investeren in duurzame projecten om huizen van woningcoöperaties, gemeenten en eigenaren energie neutraal te maken; leveren en installeren van duurzame en groene producten voor woningen. Holdingactiviteiten. Uitgeven van obligaties om bovenstaande projecten te financieren”.

Uit het dossier valt af te leiden dat [naam bedrijf BV 1] vermogen aantrok door de uitgifte van obligatieleningen ( [naam bedrijf] ). De aangetrokken gelden waren bestemd om warmtepompen en zonnepanelen in te kopen. Deze zouden vervolgens worden verkocht en geïnstalleerd bij huizenbezitters. Deze huizenbezitters zouden daarmee vanaf de installatie zelfvoorzienend zijn en in ruil daarvoor gedurende 10 tot 15 jaar hun gebruikelijke energielasten afdragen aan [naam bedrijf BV 1] . De obligaties hadden een looptijd van 2 jaar en zouden worden afgelost aan het einde van de looptijd. De voorgespiegelde rentevergoeding was 5,5% vaste rente per jaar en zou per kwartaal worden uitgekeerd.

Naast [medeverdachte 3] als bestuurder en aandeelhouder waren ook [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] nauw betrokken bij de onderneming. Zo kwam het plan om [naam bedrijf BV 1] op te richten van [medeverdachte 1] die – volgens [medeverdachte 4] – had aangegeven dat er een gigantische markt was voor de verkoop van warmtepompen. [medeverdachte 2] vervulde naar eigen zeggen een adviserende rol. [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] hadden weliswaar geen formele rol in het bestuur maar uit de verklaringen van verdachten en getuigen kan worden opgemaakt dat zij veelvuldig betrokken waren bij de dagelijkse bedrijfsvoering en dat er gezamenlijk werd overlegd.

Van [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] kwam ook het initiatief om [naam bedrijf BV 2] op te richten, van waaruit warmtepompen en zonnepanelen konden worden verkocht. [naam bedrijf BV 2] is op 26 november 2016 opgericht en failliet verklaard op 21 juni 2017. [verdachte] was bestuurder en enig aandeelhouder. [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] waren in loondienst. De bedrijfsactiviteiten van [naam bedrijf BV 2] bestonden uit het in- en verkopen van warmtepompinstallaties en zonnepanelen. Vanuit de woning van [verdachte] werden potentiële kopers telefonisch benaderd. Na goedkeuring van de offerte kwam een installateur bij de koper thuis voor een schouw, waarna de benodigde materialen zouden worden besteld. Alvorens de bestelling werd geplaatst, moest een aanbetaling van 60% van het aankoopbedrag worden gedaan. Die aanbetaling was nodig om de betreffende producten te bestellen, aldus [verdachte] .

Daarnaast heeft ook [naam bedrijf BV 2] enkele obligaties uitgegeven. In het memorandum is aangegeven dat deze obligatiegelden onder meer zouden worden gebruikt om te investeren in de fysieke voorraad van warmtepompen en zonnepanelen.

De opstart van [naam bedrijf BV 2] is mogelijk met geld van [naam bedrijf BV 1] gefinancierd (een contant bedrag van

€ 47.393,60 en een giraal bedrag van € 19.359,84). Het is echter onduidelijk waaraan [naam bedrijf BV 2] / [verdachte] dit bedrag heeft besteed.

In de periode van 22 november 2016 tot en met 2 april 2017 heeft [naam bedrijf BV 1] in totaal € 152.900,- van obligatiehouders ontvangen. Van dat bedrag is in totaal € 146.008,54 uitgekeerd aan [medeverdachte 3] (€ 29.260,52), [medeverdachte 2] (€ 13.500,-), [medeverdachte 1] (€ 13.000,-), [medeverdachte 4] (€ 23.494,58) en [naam bedrijf BV 2] / [verdachte] (€ 19.359,84 en € 47.393,60). Dat is 95% van de totale inleg. Ook is er € 2.236,55 uitgegeven aan privé-uitgaven zoals restaurants, boodschappen, online aankopen, verzekeringen en een advocaat. Het saldo op de bankrekeningen bedroeg op 13 april 2017 € 0,-.

Uit een analyse van de bankrekening van [naam bedrijf BV 2] blijkt dat in totaal € 139.600,- is ontvangen van kopers van warmtepompen en/of zonnepanelen en obligatiehouders. Daarvan is in totaal € 119.107,- opgegaan aan uitbetalingen van salarissen, commissies, leningen en andere betalingen aan [medeverdachte 1] (€ 45.939,-), [medeverdachte 2] (€ 15.080,-), [verdachte] (€ 28.588,-) en [medeverdachte 4] (€ 29.500,-) en aan hen gelieerde personen. Dat is 85,3% van de totale inleg.

Van de door beleggers in [naam bedrijf BV 1] en [naam bedrijf BV 2] en kopers in [naam bedrijf BV 2] overgemaakte gelden is niets besteed aan de inkoop van warmtepompen of zonnepanelen. Ook is er nagenoeg geen rendement uitgekeerd aan de obligatiehouders. Er is ook geen enkele warmtepomp of zonnepaneel geïnstalleerd.

Uit het dossier volgt dat bij [naam bedrijf BV 1] en [naam bedrijf BV 2] verdachten investeerders in obligaties en kopers van warmtepompen en/of zonnepanelen hebben aangetrokken door informatie te verstrekken via onder meer een memorandum, een website, een informatiefolder, telefoongesprekken en huisbezoeken. Bij de kopers van warmtepompen en/of zonnepanelen van [naam bedrijf BV 2] is zelfs een installateur langs geweest. Na ontvangst van de door beleggers en kopers overgemaakte geldbedragen werden de bankrekeningen meteen leeg getrokken, soms binnen een paar uur nadat een aanbetaling of een inleg werd gedaan. Daarvan ging het overgrote deel als salaris en commissies naar de verdachten. Van enige uitgave gericht op het verwezenlijken van het aan de beleggers en kopers voorgespiegelde doel is niet gebleken. Veelzeggend vindt de rechtbank dat toen tijdens een van de politieverhoren aan [verdachte] werd voorgehouden dat het lijkt alsof er door [naam bedrijf BV 2] geen winst gemaakt kon worden en het een bedrijf leek te zijn om op te lichten, [verdachte] antwoordde: “Ja dat klopt en het ergste is nog dat ik het minste kreeg”. De rechtbank concludeert dan ook dat er ten aanzien van [naam bedrijf BV 1] en [naam bedrijf BV 2] sterke aanwijzingen bestaan dat nimmer sprake is geweest van reële projecten.

4.3.3.

Conclusie

De rechtbank is op basis van dit alles van oordeel dat er sterke aanwijzingen bestaan dat [naam bedrijf BV 1] en [naam bedrijf BV 2] van meet af aan lege hulzen zijn geweest, dat nimmer sprake is geweest van reële projecten en dat deze vennootschappen door verdachten zijn opgericht met als enige doel zichzelf met geld van anderen te verrijken.

Er bestaat jurisprudentie over zaken die sterke overeenkomsten vertonen met de onderhavige zaak. Daarin is gekomen tot een bewezenverklaring van oplichting in gevallen waarin er van meet af aan geen plan was om de ingelegde gelden te investeren ter verwezenlijking van het project en er aldus sprake was van een lege huls (zie bijvoorbeeld: ECLI:NL:RBAMS:2019:4493, ECLI:NL:GHAMS:2017:1523 en ECLI:NL:GHSHE:2024:1077). Aan de beantwoording van de vraag of ook in onderhavige zaak oplichting al dan niet in combinatie met witwassen bewezen kan worden, komt de rechtbank echter niet toe, omdat uitsluitend verduistering ten laste is gelegd. De rechtbank kan en mag enkel oordelen over hetgeen door de officier van justitie met de tenlastelegging aan haar is voorgelegd (te weten: verduistering).

De rechtbank kan de ogen echter niet sluiten voor de sterke aanwijzingen in dit dossier dat verdachten door listige kunstgrepen en een samenweefsel van verdichtsels beleggers in obligaties en kopers van warmtepompen en/of zonnepanelen ertoe hebben bewogen geld naar de bankrekening van de ondernemingen over te maken terwijl zij nimmer van plan zijn geweest de ingelegde gelden te besteden aan de doelen waarvoor de ingelegde bedragen waren verstrekt. Weliswaar hebben verdachten en getuigen niet overeenkomstig verklaard over ieders rol in de ondernemingen, maar uit het dossier kan wel worden opgemaakt dat alle verdachten enig aandeel hebben gehad in de oprichting en het reilen en zeilen van de ondernemingen. Daarbij komt dat zij allemaal grote geldbedragen uit de ondernemingen hebben ontvangen. Er zijn daarmee aanwijzingen dat verdachten de gelden door (enige vorm van deelneming aan) oplichting, al dan niet in combinatie met witwassen, onder zich hebben verkregen.

Dat alles betekent dat niet buiten redelijke twijfel kan worden vastgesteld dat verdachten de geldbedragen ‘anders dan door misdrijf’ onder zich hebben gekregen. Dit staat aan een bewezenverklaring van verduistering in de weg.

Deze uitkomst is onbevredigend. De rechtbank heeft namelijk tijdens de inhoudelijke behandeling vragen gesteld aan de officier van justitie over de bewijsbaarheid van het bestanddeel “anders dan door misdrijf’ bij verduistering met verwijzing naar genoemde jurisprudentie. De rechtbank heeft daarbij benadrukt dat het naar haar oordeel recht zou doen aan het dossier en het grote aantal beleggers (waarvan een groot deel zich als benadeelde partij heeft gevoegd) als het debat in de volle breedte gevoerd zou (kunnen) worden. Dat heeft er echter niet toe geleid dat de officier van justitie een vordering tot wijziging van de tenlastelegging heeft ingediend.

Bij deze stand van zaken kan de rechtbank niet anders dan verdachte vrij spreken van de ten laste gelegde verduistering.

4.4.

Bewezenverklaring faillissementsfraude (feit 3)

[naam bedrijf BV 2] is bij vonnis van 20 juni 2017 door rechtbank Gelderland failliet verklaard.

De curator heeft verklaard dat in de door verdachte als bestuurder van [naam bedrijf BV 2] aangeleverde administratie van [naam bedrijf BV 2] onder andere bankafschriften, facturen, correspondentie aan opdrachtgevers, een kasboek en een debiteuren- en crediteurenoverzicht ontbraken. [verdachte] heeft desgevraagd aan de curator verklaard dat er geen aanvullende administratie bestaat.Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat het klopt dat hij geen kasboek en geen overzichten van debiteuren en crediteuren bijhield en dat de administratie niet op orde was.

Op grond van het voorgaande kan worden vastgesteld dat de administratie niet voldeed aan de daartoe te stellen eisen, waardoor de curator zich geen volledig beeld heeft kunnen vormen van de rechten en plichten van de onderneming en om het faillissement op de juiste wijze af te handelen. Daarmee heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan het niet voldoen aan de administratie- en bewaarplicht ex artikel 344a Sr. Als bestuurder van een onderneming wordt verdachte geacht de administratie te voeren. Anders dan de raadsman heeft aangevoerd, is voor een bewezenverklaring van het niet voldoen aan de bewaar- en administratieplicht niet vereist dat er bij verdachte sprake was van opzet op het ‘flessen van de boel’. Het (voorwaardelijk) opzet moet zijn gericht op het niet voeren en/of bewaren van een administratie en niet op de bemoeilijking van de afhandeling van het faillissement. Het verweer van de raadsman wordt verworpen.

5 Bewezenverklaring

De rechtbank acht bewezen dat verdachte

als bestuurder van de rechtspersoon [naam bedrijf BV 2] , voor het

faillissement van die rechtspersoon, in de periode van 30 november 2016 tot en met 31 mei 2018 in Nederland, opzettelijk niet heeft voldaan aan en/of heeft bewerkstelligd dat werd voldaan aan de wettelijke verplichtingen tot het voeren van een administratie en het bewaren van de daartoe behorende boeken, bescheiden en/of andere gegevensdragers, ten gevolge waarvan de afhandeling werd bemoeilijkt.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

6 De strafbaarheid van het feit

Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7 De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 Motivering van de straf

8.1.

De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de door hem onder 2 en 3 bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een taakstraf van 180 uur.

8.2.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft verzocht om een lagere taakstraf dan de eis van de officier van justitie op te leggen dan wel een deel voorwaardelijk op te leggen. De raadsman heeft daartoe verzocht rekening te houden met de ouderdom van de feiten en het blanco strafblad van verdachte. Verdachte heeft zijn leven inmiddels goed op orde.

8.3.

Het oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan faillissementsfraude door niet te voldoen aan de administratie- en bewaarplicht waaraan bestuurders van ondernemingen moeten voldoen. Het gaat om een onderneming waarin meerdere particulieren investeringen hebben gedaan terwijl de ingelegde gelden nooit overeenkomstig de voorgespiegelde doelen zijn besteed, terwijl verdachte daar wel financieel voordeel van heeft gehad. Door niet aan de administratieplicht te voldoen werd het bemoeilijkt om een goed beeld te kunnen vormen van de rechten en plichten van schuldeisers. Hij heeft daarmee schuldeisers benadeeld en de curator in het faillissement van die rechtspersoon gehinderd in het uitvoeren van de aan hem opgedragen taken.

In het voordeel van verdachte wordt bij het bepalen van de op te leggen straf rekening gehouden met de ouderdom van de feiten. Ook wordt rekening gehouden met een overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Als uitgangspunt geldt dat in de zaak van een verdachte binnen twee jaar na de start van de redelijke termijn een eindvonnis moet zijn gewezen. In deze zaak is de redelijke termijn gestart op de dag dat verdachte in verzekering is gesteld, te weten op 25 september 2018. Er had dus op 25 september 2020 een eindvonnis moeten liggen. De rechtbank doet echter pas vandaag, bijna 4 jaar later, uitspraak. De periode dat verdachte buiten zijn schuld langer dan nodig in onzekerheid heeft gezeten wordt gecompenseerd in de vorm van strafvermindering.

Alles afwegende, is de rechtbank van oordeel dat een taakstraf voor de duur van 80 uur, met aftrek van voorarrest, een passende en geboden straf is.

9 De vorderingen benadeelde partij

De volgende benadeelde partijen hebben een schadevergoeding gevorderd:

[naam bedrijf BV 1]

[persoon 1] € 5.100,00

[persoon 2] € 20.000,00

[persoon 3] : € 5.000,00

[persoon 4] : € 15.000,00

[persoon 5] en [persoon 6] : € 44.126,00

[persoon 7] : € 25.000,00

[persoon 8] : € 7.650,00

[persoon 9] : € 16.700,00

[persoon 10] : € 5.000,00

[persoon 11] : € 7.650,00

[persoon 12] : € 5.000,00

[naam bedrijf BV 2]

Erfgenaam van de heer [persoon 13] (t.a.v. [persoon 14] ): € 15.000,00

[persoon 15] : € 6.209,69

[persoon 16] : € 8.477,89

[persoon 17] : € 14.056,47

[persoon 18] : € 8.864,99

[persoon 19] : € 16.963,40

[persoon 20] : € 5.100,00

[persoon 21] : € 18.000,00

[persoon 22] : € 8.147,64

[persoon 23] : € 15.000,00

Omdat verdachte van de onder 1 en 2 ten laste gelegde verduistering wordt vrijgesproken, is niet komen vast te staan dat de gevorderde schade het rechtstreeks gevolg is van door verdachte gepleegde strafbare feiten. De benadeelde partijen zullen daarom in hun vordering niet-ontvankelijk worden verklaard. Gelet op deze uitkomst zal de rechtbank de ontvankelijkheid van de vordering die is ingediend door erfgenaam niet afzonderlijk behoordelen.

De benadeelde partijen en de verdachte zullen ieder de eigen kosten dragen.

10 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 9, 22c, 22d en 344a van het Wetboek van Strafrecht.

11 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart het onder 1 en 2 ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat verdachte het onder 3 ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

Het tijdens faillissement opzettelijk niet voldoen aan de verplichting tot het voeren van een administratie.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een taakstraf van 80 (tachtig) uren, met bevel, voor het geval dat de verdachte de taakstraf niet naar behoren heeft verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast van 40 (veertig) dagen, met bevel dat de tijd die door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering is doorgebracht, bij de uitvoering van deze straf geheel in mindering zal worden gebracht naar de maatstaf van 2 (twee) uren per dag.

Verklaart de benadeelde partijen vermeld in paragraaf 9 niet-ontvankelijk in hun vordering.

Bepaalt dat de benadeelde partijen en de verdachte ieder de eigen kosten dragen.

Dit vonnis is gewezen door

mr. M. Smit, voorzitter,

mrs. F. Dekkers en J.M.R. Vastenburg, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. S.D. Riggelink, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 11 juli 2024.

[...]

Voor zover niet anders vermeld, wordt in de hierna volgende voetnoten telkens verwezen naar bewijsmiddelen die zich in het aan deze zaak ten grondslag liggende dossier (62752, onderzoek Mount Maudit/Kruisbes) bevinden, volgens de in dat dossier toegepaste nummering; Vonnis van 20 juni 2017 van rechtbank Gelderland inzake [naam bedrijf BV 2] (A07.01-012-001); Een proces-verbaal van aangifte van 31 mei 2018, in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] , inhoudende de verklaring van curator [persoon 24] , namens [persoon 25] ; De verklaring van verdachte ter terechtzitting van 31 mei 2024 (A07.07).