Strafrecht overig
Rechtbank Amsterdam · Eerste aanleg - meervoudig · Strafrecht overig
Rechtbank Amsterdam, 24 december 2019
ECLI:NL:RBAMS:2019:9972 · Rechtbank Amsterdam · 24 december 2019
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-amsterdam/strafrecht/strafrecht-overig/eerste-aanleg-meervoudig/ecli-nl-rbams-2019-9972
Zaakgegevens
Op 24 december 2019 heeft de Rechtbank Amsterdam in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Rechtbank AmsterdamRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Amsterdam
- Datum uitspraak
- 24 december 2019
- Datum publicatie
- 10 januari 2020
- Zaaknummer
- 13/012427-18 (ontneming)
- Rechtsgebied
- Strafrecht » Strafrecht overig
- Procedure
- Eerste aanleg - meervoudigMeervoudige kamerDe zaak is behandeld door drie rechters samen, meestal omdat zij ingewikkeld of zwaar is.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBAMS:2019:9972
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
ontneming
Uitspraak
RECHTBANK AMSTERDAM
Parketnummer: 13/012427-18 (ontneming)
Datum uitspraak: 24 december 2019
VERKORT VONNIS
Verkort vonnis van de meervoudige kamer van de rechtbank Amsterdam, op vordering van de officier van justitie als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht, in de zaak, behorende bij de strafzaak met parketnummer 13/012427-18, tegen:
[veroordeelde] , hierna te noemen: [veroordeelde] ,
geboren [geboortedag] 1972 te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ),
ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres [adres] .
1 Het onderzoek ter terechtzitting
De rechtbank heeft beraadslaagd naar aanleiding van de vordering van de officier van justitie en het onderzoek op de terechtzitting van 10 december 2019.
De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering tot ontneming van het wederrechtelijk
verkregen voordeel, van de op de vordering betrekking hebbende stukken en van wat door de officier van justitie, mr. A.M. Lobregt, en door [veroordeelde] en zijn raadsman, mr. M. Rasterhoff, op de zitting naar voren is gebracht.
2 De vordering
De vordering van de officier van justitie van 12 november 2019 strekt tot het vaststellen van het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht wordt geschat en het aan [veroordeelde] opleggen van de verplichting tot betaling aan de Staat van dat geschatte voordeel van € 79.497,25.
Gezien de stukken waarop de vordering berust en waarnaar deze vordering verwijst, begrijpt de rechtbank de vordering zo dat deze het feit betreft waarvoor [veroordeelde] in de onderliggende strafzaak is veroordeeld.
3 Grondslag van de vordering
[veroordeelde] is bij vonnis van de rechtbank Amsterdam van vandaag veroordeeld voor verduistering van € 10.307,24.
4 Het wederrechtelijk verkregen voordeel
Het standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie heeft gevorderd dat het door veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel wordt vastgesteld op € 79.497,25.
Het standpunt van de verdediging
De vordering moet worden afgewezen, gelet op het in de onderliggende strafzaak ingenomen standpunt dat [veroordeelde] moet worden vrijgesproken van de verduistering. Als de rechtbank toch tot een veroordeling komt, moet de vordering worden afgewezen voor zover deze betrekking heeft op bedragen die de rechtbank in de hoofdzaak niet heeft bewezen.
Het oordeel van de rechtbank
In de onderliggende strafzaak is [veroordeelde] veroordeeld voor verduistering, waarbij verdachte gedurende 3,5 jaar een totaalbedrag van € 10.307,24, toebehorende aan de slachtoffers [persoon 1] en [persoon 2] , zich wederrechtelijk heeft toegeëigend. Hij is vrijgesproken voor de overige tenlastegelegde bedragen. De rechtbank gaat bij de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel uit van dit vonnis. [veroordeelde] heeft door middel van voornoemd strafbaar feit voordeel verkregen dat de rechtbank schat op € 10.307,24.
De rechtbank merkt op dat in het onderliggende vonnis de verdachte ook de maatregel van artikel 36f Wetboek van Strafrecht tot dat bedrag is opgelegd.
Artikel 36e lid 9 Wetboek van Strafrecht bepaalt weliswaar dat bij de bepaling van de omvang van het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat, de verplichting tot betaling aan de staat van een som gelds ten behoeve van het slachtoffer als bedoeld in artikel 36f in mindering wordt gebracht, maar alleen voor zover die verplichting is voldaan. Nu dat laatste (nog) niet het geval is behoeft bij de bepaling van het ontnemingsbedrag daar geen rekening mee te worden gehouden.
5 De verplichting tot betaling
De rechtbank bepaalt het te ontnemen bedrag op € 10.307,24.
6 Toepasselijke wettelijke voorschriften
De op te leggen maatregel is gegrond op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.
7 Beslissing
De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
Stelt vast als wederrechtelijk verkregen voordeel een bedrag van € 10.307,24.
Legt op aan [veroordeelde] de verplichting tot betaling van € 10.307,24 (tienduizend driehonderdzeven euro en vierentwintig cent) aan de Staat.
Dit vonnis is gewezen door
mr. G.H. Marcus, voorzitter,
mrs. J. Knol en J. Huber, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. I. van den Berg-Meulman, griffier
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 24 december 2019.