Strafrecht overig
Ontneming; OM niet-ontvankelijk omdat verdachte in de onderliggende strafzaak is vrijgesproken.
Rechtbank Amsterdam, 8 juli 2020
ECLI:NL:RBAMS:2020:3386 · Rechtbank Amsterdam · 8 juli 2020
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-amsterdam/strafrecht/strafrecht-overig/eerste-aanleg-meervoudig/ecli-nl-rbams-2020-3386
Zaakgegevens
Op 8 juli 2020 heeft de Rechtbank Amsterdam in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Rechtbank AmsterdamRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Amsterdam
- Datum uitspraak
- 8 juli 2020
- Datum publicatie
- 9 juli 2020
- Zaaknummer
- 15/016173-19 (ontneming)
- Rechtsgebied
- Strafrecht » Strafrecht overig
- Procedure
- Eerste aanleg - meervoudigMeervoudige kamerDe zaak is behandeld door drie rechters samen, meestal omdat zij ingewikkeld of zwaar is.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBAMS:2020:3386
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Ontneming; OM niet-ontvankelijk omdat verdachte in de onderliggende strafzaak is vrijgesproken.
Uitspraak
RECHTBANK AMSTERDAM
VONNIS
Parketnummer: 15/016173-19 (ontneming)
Datum uitspraak: 8 juli 2020
Tegenspraak
Vonnis van de meervoudige kamer van de rechtbank Amsterdam, op vordering van de officier van justitie als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht, in de zaak, behorende bij de strafzaak met parketnummer 15/016173-19, tegen:
[betrokkene], hierna te noemen: [betrokkene],
geboren te [geboorteplaats] ([geboorteland]) op [geboortedag] 1996,
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres [adres], [plaats 1], gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting “[locatie]” te [plaats 2].
1 Onderzoek ter terechtzitting
De rechtbank heeft beraadslaagd naar aanleiding van de vordering van de officier van justitie en het onderzoek op de terechtzitting van 24 juni 2020.
2 Vordering
De vordering van de officier van justitie van 11 maart 2020 strekt tot het vaststellen van het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht wordt geschat en het aan [betrokkene] opleggen van de verplichting tot betaling aan de Staat van dat geschatte voordeel tot een maximumbedrag van € 1.725,45.
Ter terechtzitting van 24 juni 2020 heeft de officier van justitie haar vordering gewijzigd in dier voege dat zij primair het maximumbedrag stelt op € 862,73 en subsidiair op € 342,50.
De rechtbank verstaat de vordering aldus dat deze betrekking heeft op de onderliggende strafzaak tegen [betrokkene].
3 Beoordeling
[betrokkene] is in de onderliggende strafzaak vrijgesproken van het feit waarop de vordering tot ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel ziet. Daarom bestaat er geen grondslag voor de vordering, omdat alleen geld kan worden ontnomen als er een strafrechtelijke veroordeling is. Het Openbaar Ministerie dient daarom niet-ontvankelijk te worden verklaard in de ontnemingsvordering.
4 Beslissing
De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
Verklaart het Openbaar ministerie niet-ontvankelijk in de vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.
Dit vonnis is gewezen door
mr. S. Djebali, voorzitter,
mrs. R.A.J. Hübel en F.C.M. Weijnen, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. L.P.H. Borghans, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 8 juli 2020.