Strafrecht overig

Ontneming wederrechtelijk verkregen voordeel diefstal kluis met inhoud 2.000,- euro. Ontneming 1.000,- euro.

Rechtbank Amsterdam, 7 oktober 2020

Zaakgegevens

Op 7 oktober 2020 heeft de Rechtbank Amsterdam in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Zittingsplaats
Amsterdam
Datum uitspraak
7 oktober 2020
Datum publicatie
12 oktober 2020
Zaaknummer
13.112348.20 (ontneming)
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
ECLI
ECLI:NL:RBAMS:2020:4935
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Ontneming wederrechtelijk verkregen voordeel diefstal kluis met inhoud 2.000,- euro. Ontneming 1.000,- euro.

Uitspraak

[afbeelding niet beschikbaar]vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling Publiekrecht

Teams Strafrecht

Parketnummer: 13.112348.20 (ontneming)

Datum uitspraak: 7 oktober 2020

Vonnis van de meervoudige strafkamer van de rechtbank Amsterdam, op vordering van de officier van justitie als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht in de zaak, behorende bij de strafzaak met parketnummer 13.112348.20, tegen:

[veroordeelde] , hierna te noemen veroordeelde,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1995,

wonende op het [adres] [woonplaats] ,

gedetineerd in [detentieplaats] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

De rechtbank heeft beraadslaagd naar aanleiding van de vordering van de officier van justitie mr. M.L.A. ter Veer, en van wat de raadsman van veroordeelde, M.L. van Gaalen, naar voren heeft gebracht tijdens het onderzoek op de terechtzitting van 23 september 2020.

2 De vordering

De vordering van de officier van justitie van 2 september 2020 strekt tot het vaststellen van het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht wordt geschat en het aan veroordeelde opleggen van de verplichting tot betaling aan de Staat van dat geschatte voordeel tot een maximumbedrag van € 1.000,-.

Gezien de stukken waarop de vordering is gebaseerd en waarnaar deze vordering verwijst, gaat de rechtbank er vanuit dat de vordering het feit betreft waarvoor veroordeelde in de onderliggende strafzaak is veroordeeld.

3 Grondslag van de vordering

[veroordeelde] is bij vonnis van de rechtbank Amsterdam van 7 oktober 2020 ter zake van onder andere het volgende strafbare feit veroordeeld:

diefstal door twee of meer verenigde personen waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft of het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak en valse sleutels

4 Het wederrechtelijk verkregen voordeel

4.1.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie gaat ervan uit dat veroordeelde en zijn medeverdachte ten aanzien van feit 3 elk een aandeel van het totaalbedrag, te weten minimaal (2000,- : 2) 1000,- euro aan wederrechtelijk verkregen voordeel hebben genoten.

4.2.

Het standpunt van de raadsman

De raadsman heeft bepleit dat evident is dat er goederen zijn weggenomen, maar dat niet blijkt dat het bedrag van € 2.000,- in de weggenomen kluis zat. Het bedrag is op geen enkele wijze aannemelijk gemaakt door aangever. De enkele stelling van aangever is onvoldoende om hierop een schatting te baseren. De raadsman heeft verzocht de vordering af te wijzen dan wel tot een lagere schatting te komen.

4.3.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat veroordeelde door middel van voornoemd feit voordeel heeft verkregen. De rechtbank grondt dit oordeel op de feiten en omstandigheden uit de bewijsmiddelen zoals die in het vonnis van 7 oktober 2020 in de onderliggende strafzaak zijn opgenomen.

Ingevolge het bepaalde in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht kan op vordering van het Openbaar Ministerie bij afzonderlijke rechterlijke beslissing aan degene die is veroordeeld wegens een strafbaar feit de verplichting worden opgelegd tot betaling van een geldbedrag ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel uit dat feit. Daartoe moet worden onderzocht of, en zo ja in hoeverre, veroordeelde wederrechtelijk voordeel – waaronder besparing van kosten zijn begrepen – heeft verkregen door middel van of uit baten van het bewezen verklaarde.

Zowel in het proces-verbaal van aangifte als in het proces-verbaal van bevindingen met de aanvullende verklaring van aangever is te lezen dat uit de weggenomen kluis onder andere een bedrag van € 2.000,- is gestolen. Het betreft hier een wisselkluis van een restaurant. Anders dan de raadsman vindt de rechtbank het aannemelijk dat [aangever] een wisselkluis met € 2.000,- in huis had, nu aangever hierover vanaf het begin consistent heeft verklaard en het niet onwaarschijnlijk is dat een restaurant dergelijk contant geld in kas heeft. De rechtbank heeft geen reden aan dit specifieke deel van de verklaring van aangever te twijfelen.

Berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel

Met de officier van justitie vindt de rechtbank dat de € 2.000,- door twee moet worden gedeeld, nu de inbraak door twee daders is gepleegd en niet is gebleken dat verdachte kosten heeft gemaakt met betrekking tot het tenlastegelegde feit.

Het totaal wederrechtelijk verkregen voordeel € 2.000,- : 2 = € 1.000,-.

4.4.

Bewijsmiddelen

De rechtbank ontleent de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel aan de feiten en omstandigheden die in de volgende bewijsmiddelen zijn vervat:

  1. Een proces-verbaal van aangifte met nummer PL1300-2020014064-1 van 24 januari 2020, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [naam opsporingsambtenaar 1] (doorgenummerde pag. 05 001 – 05 002);

  2. Een proces-verbaal van bevindingen met nummer 2019256882 van 8 juni 2020, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [naam opsporingsambtenaar 2] (doorgenummerde pag. 05 003).

5 De verplichting tot betaling

De rechtbank bepaalt het te ontnemen bedrag op € 1.000,-.

6 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen maatregel is gegrond op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.

7 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Stelt vast als wederrechtelijk verkregen voordeel een bedrag van € 1.000,-.

Legt op aan [veroordeelde] de verplichting tot betaling van € 1.000,-.(duizend euro) aan de Staat.

Dit vonnis is gewezen door

mr. H.E. Hoogendijk, voorzitter,

mrs. S. Djebali, M.E. Grijsen, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. J.G.R. Becker, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 7 oktober 2020.