Strafrecht overig

Onderzoek Bonsai: kinderopvangtoeslagfraude (KOT). Veroordeling voor het medeplegen (poging) oplichting…

Rechtbank Amsterdam, 5 april 2022

Zaakgegevens

Op 5 april 2022 heeft de Rechtbank Amsterdam in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Zittingsplaats
Amsterdam
Datum uitspraak
5 april 2022
Datum publicatie
6 april 2022
Zaaknummer
13-845156-17
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
ECLI
ECLI:NL:RBAMS:2022:1830
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Onderzoek Bonsai: kinderopvangtoeslagfraude (KOT). Veroordeling voor het medeplegen (poging) oplichting, witwassen en deelneming aan een criminele organisatie tot een GEV van 8 mnd waarvan 6 mnd voorw. + een TS van 240 uur. Art. 359a Sv-verweer afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS

Parketnummer: 13-845156-17 (Promis)

Datum uitspraak: 5 april 2022

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren op [geboortedag] 1986 te [geboorteplaats] ,

ingeschreven in de Basisregistratie personen op het adres

[adres verdachte] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de zittingen van 10 februari 2022 en 14 februari 2022.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officieren van justitie mr. P. van Minnen en mr. L.E.M. Wösten en van wat de raadsvrouw van verdachte, mr. M.J.R. Roethof, naar voren hebben gebracht. Verdachte was zelf niet op de zitting aanwezig.

2 Tenlastelegging

De verdenking richting [verdachte] ziet op oplichting van de Belastingdienst en een poging daartoe. Op basis van onjuiste informatie zou de belastingdienst ten onrechte gedurende een lange periode kinderopvangtoeslag hebben uitgekeerd. Verdachte zou tevens een gedeelte van het daarmee verdiende bedrag hebben witgewassen. Verder zou verdachte deel uit maken van een criminele organisatie die zich bezig hield met kinderopvangtoeslagfraude.

Aan verdachte is in dat verband – kort gezegd – ten laste gelegd dat zij

Feit 1:

in de periode van 24 september 2012 tot en met 30 november 2016 te Arnhem/Heerlen – tezamen en in vereniging – met het oogmerk om zich of een ander wederrechtelijk te bevoordelen de Belastingdienst heeft bewogen tot afgifte van circa € 326.533,-

en/of

in de periode van 24 september 2012 tot en met 30 november 2016 te Arnhem/Heerlen opzettelijk behulpzaam is geweest aan het wederrechtelijk bevoordelen van de Belastingdienst door gegevens te verstrekken aan [medeverdachte 1] .

Feit 2:

in de periode van 5 februari 2014 tot en met 11 november 2015 te Arnhem en/of Heerlen, althans in Nederland, – tezamen en in vereniging – gepoogd heeft om – met het oogmerk om zich of een ander wederrechtelijk te bevoordelen – de Belastingdienst te bewegen tot de afgifte van geld door in strijd met de waarheid de suggestie te wekken dat zij, verdachte, recht had op toeslag.

Feit 3:

in de periode van 24 september 2012 tot en met 10 juli 2018 te Arnhem – tezamen en in vereniging – een geldbedrag van ongeveer € 11.110,- heeft witgewassen.

Feit 4:

in de periode van 24 september 2012 tot en met 10 juli 2018 te Amsterdam/Purmerend/Wormerveer/’s-Gravenhage/Arnhem/Nijmegen samen met [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 3] en/of [medeverdachte 4] heeft deelgenomen aan een criminele organisatie die oplichting, valsheid in geschrift en/of witwassen tot oogmerk had.

De tekst van de gehele tenlastelegging is opgenomen in bijlage I die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.

Aanleiding:

Het onderzoek met de naam ‘Bonsai’ is begonnen na een melding van het Fraudeteam van de Belastingdienst Toeslagen dat [persoon 1] (hierna: [persoon 1] ) bij haar aanvraag van kinderopvangtoeslag valse bewijsstukken had aangeleverd. Naar aanleiding hiervan is onderzocht welk IP-adres is gebruikt voor die aanvraag. Er bleek voor nog zeven andere personen via dit IP-adres kinderopvangtoeslag te zijn aangevraagd. Er is onderzoek naar de aanvragen van deze zeven personen gedaan en ook daarbij was in meerdere gevallen sprake van een onjuiste aanvraag waardoor onterecht kinderopvangtoeslag is uitgekeerd. Uit vervolgonderzoek is gebleken dat de aanvragen van deze zeven personen aan in totaal 23 IP-adressen zijn te koppelen. Vanaf deze 23 IP-adressen zijn in totaal voor 50 personen onjuiste aanvragen ingediend, waarbij voor ongeveer 30 personen het vermoeden bestond dat ook valse documenten waren ingestuurd.

Aan de hand van de tenaamstellingen van de IP-adressen kwamen enkele verdachten in beeld en zijn huiszoekingen gedaan. Op de laptops die zijn aangetroffen in de woningen van verdachten [medeverdachte 1] , [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] zijn IP-adressen die zijn gebruikt bij de aanvragen van kinderopvangtoeslag aangetroffen. Op die laptops zijn ook sporen van digitaal contact tussen de aanvragers en de Belastingdienst Toeslagen aangetroffen. Bij [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] zijn USB-sticks met een vrijwel identieke inhoud van vermoedelijk valse bescheiden aangetroffen. Daarnaast zijn in de woning van [medeverdachte 1] 11 DigiD-codes aangetroffen waarvan er vijf zijn te herleiden tot onjuiste aanvragen.

In de woning van [medeverdachte 2] zijn onder andere een agenda met een briefje met een inlogcode en wachtwoord aangetroffen. Tevens zijn op de telefoon en laptop van [medeverdachte 2] chatsessies met [medeverdachte 1] over kinderopvangtoeslag en betalingen aangetroffen.

Werkwijze:

Volgens de Fiscale Inlichtingen- en Opsporingsdienst (FIOD) zijn er drie stadia waarin fraude met kinderopvangtoeslag zou zijn gepleegd. Het eerste stadium is het werven van aanvragers. [verdachte] en [medeverdachte 4] benaderen personen en wijzen hen op de mogelijkheid om kinderopvangtoeslag aan te vragen. Zij bieden aan hen daarbij te helpen. [medeverdachte 1] wordt daarbij voorgesteld als betrouwbare belastingmedewerker of belastingadviseur. Uit het procesdossier volgt dat aanvragers [medeverdachte 1] onder verschillende namen kennen: [naam 1] , [naam 2] , [naam 3] , [naam 4] en/of [naam 5] . Met sommige van de aanvragers onderhield [medeverdachte 1] een (seksuele) relatie.

Het tweede stadium is het indienen van de aanvraag tot kinderopvangtoeslag. Aan aanvragers werd gevraagd om hun DigiD-wachtwoord, bankgegevens en andere persoonlijke gegevens af te geven, veelal aan [verdachte] . Vervolgens werden valse bescheiden opgemaakt en bij de aanvraag gevoegd. Volgens de FIOD zou dit door [medeverdachte 3] zijn gedaan. Daarna werd de aanvraag bij de Belastingdienst Toeslagen ingediend of gewijzigd.

Het laatste stadium is de betaling. Er werd met aanvragers afgesproken welk deel van de ontvangen kinderopvangtoeslag zij moesten afdragen, aan wie zij dit moesten afdragen en hoe zij dit moesten betalen. Een aantal bedragen hiervan zijn overgemaakt op de bankrekening van [medeverdachte 2] .

3 Artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering (Sv) verweer

3.1

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat artikel 6 van het Europese Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) is geschonden. Op basis van het door het Openbaar Ministerie verstrekte procesdossier bestaat te veel onduidelijkheid over de bruikbaarheid van de startgegevens waardoor er niet kan worden gesproken van een eerlijk proces. Uit het procesdossier valt niet af te leiden op welke basis aanvrager [persoon 1] is geselecteerd, zodat niet kan worden uitgesloten dat dit is gebeurd op basis van discriminatoire algoritmes. De naam [persoon 1] is een bekende Surinaamse naam. Gelet op het feit dat – indien er sprake is geweest van een selectie op basis van discriminatoire algoritmes – het een ernstige schending betreft en er tevens sprake is van een direct causaal verband tussen het geschonden voorschrift en het verkregen bewijsmateriaal, moet er in dit geval op grond van art. 359a lid 1 onder b van het Wetboek van Strafvordering (Sv) worden overgegaan tot uitsluiting van het bewijs dat door middel van het onrechtmatige, niet onafhankelijke en niet onpartijdige onderzoek is verkregen. Bij de beoordeling van de (omvang van de) ernst van het verzuim moet daarnaast ook betrokken worden dat de opsporingmethode op basis van discriminatoire algoritmes kennelijk gedurende vele jaren structureel werd toegepast in Nederland. Een structurele schending is extra reden om tot bewijsuitsluiting over te gaan. De consequentie hiervan is dat verdachte moet worden vrijgesproken.

3.3

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

Het Openbaar Ministerie stelt voorop dat in beginsel alleen vormverzuimen tijdens het voorbereidend onderzoek kunnen leiden tot rechtsgevolgen in een strafzaak. De Hoge Raad heeft echter bepaald dat een rechtsgevolg ook op zijn plaats is indien het vormverzuim of de betreffende onrechtmatige handeling van bepalende invloed is geweest op het verloop van het opsporingsonderzoek naar en/of de vervolging van de verdachte ter zake van het tenlastegelegde feit (de voorfase).

Wat betreft die voorfase verwijst het Openbaar Ministerie naar de brief ‘Openbaarmaking risicoclassificatiemodel Toeslagen’ van 26 november 2021 van de staatssecretaris waarin de werkwijze van de Belastingdienst Toeslagen uiteen wordt gezet. Wat uit die brief in ieder geval kan worden afgeleid is dat er met algoritmes werd gewerkt bij de Belastingdienst Toeslagen en dat op basis van meerdere indicatoren werd gekomen tot een risico-score per aanvraag. Scoorde een aanvraag hoog, dan liep die aanvraag meer kans om gecontroleerd te worden. Over de wenselijkheid van de gehanteerde indicatoren is veel politiek debat gevoerd. Zeker bijvoorbeeld over een indicator op het gebied van nationaliteit. [persoon 1] had in ieder geval de Nederlandse nationaliteit en in dat geval werd er door de Belastingdienst Toeslagen geen nadere selectie gemaakt op het bestaan van een eventuele tweede nationaliteit bij de selectie van het controleren van de aanvragen kinderopvangtoeslag. De keuze om de aanvraag van [persoon 1] te controleren had dus niet te maken met haar afkomst.

Voor zover er al sprake zou zijn geweest van een vormverzuim in de voorfase door toepassing van de selectiemethodiek zoals beschreven in de brief van de staatssecretaris, dan geldt bovendien dat dit is begaan in het onderzoek tegen verdachte [persoon 1] . In de zaak van verdachte zou dit dus niet kunnen leiden tot enig rechtsgevolg.

Ook indien de rechtbank van oordeel zou zijn dat er wel sprake is van een vormverzuim in het onderzoek tegen verdachte dan kan dit desondanks niet tot een rechtsgevolg leiden, omdat het niet verdachten zijn die door het vormverzuim in het belang zijn geschaad dat de overtreden norm beoogt te beschermen. De norm beoogt een aanvrager van kinderopvangtoeslag te beschermen tegen controle op basis van discriminatoire gronden. Verdachten kwamen pas in beeld na een in ieder geval rechtmatig verlopen strafrechtelijk onderzoek.

De tweede reden dat een eventueel vormverzuim op dit punt nooit tot een rechtsgevolg kan leiden in de strafzaken tegen verdachten, is dat deze verdachten geen rechtens te respecteren nadeel van het betreffende vormverzuim hebben ondervonden.

3.3

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of er sprake is geweest van een vormverzuim in het voorbereidend onderzoek als bedoeld in artikel 359a Sv, waardoor bewijsuitsluiting zou moeten volgen.

Beoordelingskader

De toepassing van artikel 359a Sv is beperkt tot vormverzuimen die zijn begaan in het voorbereidend onderzoek. Volgens artikel 132 Sv moet daaronder worden verstaan het (strafrechtelijk) onderzoek dat voorafgaat aan de behandeling op de zitting. Het voorbereidend onderzoek in artikel 359a Sv heeft uitsluitend betrekking op het voorbereidend onderzoek tegen de verdachte over het aan hem/haar ten laste gelegde feit waarover de rechtbank heeft te oordelen. Uit jurisprudentie van de Hoge Raad volgt echter dat onder omstandigheden een rechtsgevolg kan worden verbonden aan een onrechtmatige handeling tegen verdachte die buiten het bereik van artikel 359a Sv ligt. Als algemene overkoepelende maatstaf hiervoor geldt dat een rechtsgevolg op zijn plaats kan zijn, indien het vormverzuim of de onrechtmatige handeling van bepalende invloed is geweest op het verloop van de voorfase.

Controle door de Belastingdienst

In de brief van de staatssecretaris van 26 november 2021 wordt de werkwijze van het risicoclassificatiemodel Toeslagen (hierna: het model) uiteengezet. De focus van Toeslagen bij de Belastingdienst lag vanaf 2013 op het tegengaan van oneigenlijk gebruik en op het voorkomen van hoge terugvorderingen, zeker als een hoge terugvordering tot een naar verwachting grote impact voor de aanvrager leidde. Het model werd tussen april 2013 en november 2019 binnen Toeslagen gebruikt om te selecteren welke nieuwe aanvragen of wijzigingen in bestaande toeslagaanvragen voor een handmatige behandeling in aanmerking kwamen. In het rapport ‘De verwerking van de nationaliteit van aanvragers van kinderopvangtoeslag’ is in juli 2020 geconstateerd dat er met selectie op basis van nationaliteit in het model sprake is van een overtreding. Deze verwerking was niet noodzakelijk omdat er minder vergaande mogelijkheden voorhanden waren. Deze overtreding is door de Autoriteit Persoonsgegevens als discriminerend en daarmee onbehoorlijk aangemerkt.

Werkwijze Belastingdienst

Medewerkers van Toeslagen ontwikkelden het model in 2013 aan de hand van een set risico-indicatoren en op basis van voorbeelden van juiste en onjuiste toeslagaanvragen. Door het model te voeden met duizenden voorbeelden van handmatig behandelde aanvragen, herkende het model statistische verbanden tussen indicatoren en voorspelde het model op basis daarvan hoe groot het risico was op onjuistheden in de toeslagaanvragen. Het model werd daarmee in de loop van de tijd aangepast en het model leerde welke posten (on)terecht van een hoge risicoscore waren voorzien. Elke maand kregen de toeslagaanvragen die in het Toeslagen Verstrekkingen Systeem (TVS) klaar stonden voor ‘formeel beschikken’ een risicoscore van 0 tot 1. De meest risicovolle aanvragen kregen een risicoscore dicht bij 1 en de minst risicovolle aanvragen een risicoscore dicht bij 0. De indicatoren voor de kinderopvangtoeslag zagen op de situatie van de opvang (soort opvang zoals gastouder of buitenschoolse opvang, afstand tussen woon- en opvangadres) en op de situatie van de aanvrager (zoals inkomen, toeslagschulden, partner of alleenstaand, leeftijd en aantal kinderen). Het model heeft gebruik gemaakt van de indicator ‘Nederlanderschap Ja/Nee’. Deze indicator was in het model opgenomen, vanwege enerzijds fraude via toeslagaanvragers zonder Nederlandse nationaliteit die in dezelfde periode als de ontwikkeling van het model speelde en anderzijds omdat medewerkers van Toeslagen de ervaring hadden dat toeslagaanvragers zonder Nederlandse nationaliteit soms moeite hadden met het aanvragen van toeslagen en er vaker fouten in hun toeslagaanvragen werden aangetroffen. Deze indicator gaf een 'Ja' gaf als de aanvrager de Nederlandse nationaliteit bezat, ook als daarnaast sprake was van nog een andere nationaliteit. Dus ongeacht of er sprake was van meerdere nationaliteiten, iemand met alleen de Nederlandse nationaliteit werd exact hetzelfde gescoord als iemand met een Nederlandse en andere nationaliteit.

Beoordeling door rechtbank

De rechtbank stelt vast dat er meerdere indicatoren voor de Belastingdienst Toeslagen waren om te bepalen of een aanvraag al dan niet als risicovol moest worden aangemerkt. De raadsvrouw van [verdachte] heeft aangevoerd dat uit het dossier onvoldoende blijkt dat hierbij geen sprake was van discriminatie.

De rechtbank stelt op basis van het dossier vast dat aanvrager [persoon 1] in ieder geval de Nederlandse nationaliteit had. Volgens de hiervoor omschreven werkwijze van de Belastingdienst Toeslagen werd in dat geval niet verder geselecteerd op een eventuele tweede nationaliteit en was er daarmee op dit vlak geen sprake van een risico-indicatie. Verder was [persoon 1] een alleenstaande moeder, had zij een inkomen onder de € 20.000,- per jaar en schulden en was er sprake van een aanvraag waarop veel opvanguren stonden. Dit zijn indicatoren die ervoor zorgen dat een aanvrager een hogere risicoscore ontving en de rechtbank acht het aannemelijk dat de aanvraag van [persoon 1] om die reden nader is bekeken door de afdeling Toeslagen. Het dossier bevat geen aanwijzingen dat discriminatoire, indicatoren zoals haar Surinaamse naam of uiterlijke kenmerken daarbij een rol hebben gespeeld. Van enig vormverzuim in de zin van artikel 359a Sv is dan ook niet gebleken zodat er geen aanleiding bestaat tot bewijsuitsluiting over te gaan. Voor het doen van nader onderzoek ziet de rechtbank, bij gebrek aan aanknopingspunten daarvoor, ook na navraag door de officieren van justitie, evenmin aanleiding. De rechtbank wijst dit verzoek dan ook af.

4 Waardering van het bewijs

4.1

Inleiding

Kinderopvangtoeslag

Om ouders in de gelegenheid te stellen om werk en zorg voor de kinderen te combineren is een inkomensafhankelijke regeling in het leven geroepen, te weten de Wet Kinderopvang (WKO). Deze wet voorziet in een tegemoetkoming in de kosten van kinderopvang. De WKO is op 1 januari 2005 van kracht geworden en regelt onder andere het recht op kinderopvangtoeslag. Om in aanmerking te komen voor kinderopvangtoeslag, houdt de Belastingdienst Toeslagen rekening met een aantal omstandigheden. Zo moet de kinderopvangtoeslag worden aangevraagd door of namens de ouder(s), moet het kind naar een geregistreerde kinderopvangorganisatie gaan, dienen de ouders te werken of een reïntegratietraject te volgen, is de hoogte van de toeslag afhankelijk van het inkomen van de ouder(s) en is de hoogte van de toeslag afhankelijk van het aantal opvanguren, het uurtarief en het soort opvang dat plaatsvindt.

De kinderopvangtoeslag werkt op basis van een maandelijks voorschot dat door de Belastingdienst Toeslagen wordt verstrekt. Het voorschot wordt berekend op basis van de inschatting van de kosten voor kinderopvang en het inkomen van de ouder(s). De kinderopvangtoeslag kan ook met terugwerkende kracht worden aangevraagd. Nadat een aanvraag is ingediend, loopt deze het daarop volgende jaar automatisch door en hoeft er geen nieuwe aanvraag te worden gedaan.

Bij de aanvrager ligt de verplichting om een wijziging van het inkomen of een wijziging in het aantal uren kinderopvang, door middel van een wijzigingsformulier aan de Belastingdienst Toeslagen door te geven. Tevens dient een aanvrager na afloop van een kalenderjaar gegevens door te geven aan de Belastingdienst Toeslagen waaruit onder meer blijkt hoeveel uren kinderopvang er dat kalenderjaar zijn genoten, waarna de kinderopvangtoeslag definitief wordt vastgesteld. Ter controle van deze definitieve vaststelling schrijft de Belastingdienst Toeslagen achteraf steekproefsgewijs aanvragers aan met het verzoek om de door hen daadwerkelijk gemaakte kinderopvangkosten te onderbouwen. Aanvragers moeten hiervoor een ingevuld antwoordformulier retourneren aan de Belastingdienst Toeslagen, met bijgevoegd een jaaropgave van de gemaakte kinderopvangkosten.

4.2

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

Feit 1: Oplichting

De officieren van justitie hebben zich op het standpunt gesteld dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van oplichting. Het oplichtingsbedrag is iets minder dan ten laste gelegd, te weten € 318.009,-.

Feit 2: Poging oplichting

De officieren van justitie hebben zich op het standpunt gesteld dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van een poging tot oplichting door voor zichzelf Kinderopvangtoeslag aan te vragen op onjuiste gronden.

Feit 3: Witwassen

De officieren van justitie stellen zich op het standpunt dat verdachte rond de periode van 20 maart 2013 tot en met 24 september 2014 in vereniging € 11.100,- heeft witgewassen, terwijl zij wist dat dit bedrag van misdrijf afkomstig was.

Feit 4: Deelname aan criminele organisatie

De officieren van justitie hebben zich op het standpunt gesteld dat verdachte zich in de periode van 24 september 2012 tot en met 28 december 2017 schuldig heeft gemaakt aan deelneming aan een criminele organisatie.

4.3

Het standpunt van de verdediging

Feit 1: Oplichting

De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte moet worden vrijgesproken van feit 1. Verdachte had geen belangrijke rol in het geheel en zij was geheel inwisselbaar. Verdachte ontkent bepaalde feitelijke gedragingen niet maar zij heeft zich niet als medepleger of medeplichtige schuldig gemaakt aan oplichting. Verdachte bekent dat zij bepaalde gegevens van anderen in ontvangst heeft genomen en heeft verstrekt aan [medeverdachte 1] , maar zij wist niet wat [medeverdachte 1] daar vervolgens mee ging doen. Verdachte verkeerde in een kwetsbare positie en [medeverdachte 1] heeft hiervan misbruik gemaakt. Verdachte heeft [medeverdachte 1] wel degelijk vragen gesteld en die werden door [medeverdachte 1] geloofwaardig beantwoord. Verdachte had geen wetenschap of een vermoeden dat documenten valselijk weren opgemaakt en gebruikt bij het doen van onjuiste aanvragen.

Feit 2: Poging oplichting

Verdachte heeft verklaard dat zij haar gegevens zelf aan [medeverdachte 1] heeft gegeven om een aanvraag kinderopvangtoeslag voor haarzelf in te dienen. Deze aanvraag werd afgewezen en verdachte dacht dat dit kwam omdat ze er geen recht op had. Hierdoor is hoogstens sprake geweest van een poging tot het doen van een reguliere aanvraag. Verdachte had er geen weet van dat daarna namens haar vervolgens nog valse stukken naar de Belastingdienst zijn gestuurd. Verdachte moet om die reden vrijgesproken worden van de poging oplichting, omdat zij daar geen opzet op had.

Feit 3: Witwassen

De verdediging stelt zich op het standpunt dat er geen sprake is van witwassen. Aan de zijde van verdachte ontbreekt voorwaardelijk opzet en daarom moet vrijspraak volgen. De bedragen die in de tenlastelegging worden benoemd, zijn geldbedragen die onmiddellijk afkomstig zijn uit misdrijven die aan cliënte ten laste zijn gelegd. Indien de rechtbank bewezen acht dat de geldbedragen door de aanvragers aan verdachte zijn overhandigd of op haar bankrekening zijn gestort, betekent dit nog niet dat deze bedragen vanaf dat moment niet langer onmiddellijk afkomstig zijn uit een door verdachte gepleegd misdrijf. Naar het oordeel van de verdediging zijn er geen bewijsmiddelen voorhanden waaruit volgt dat verdachte de criminele herkomst van de geldbedragen daadwerkelijk heeft verborgen of verhuld. Indien verdachte het geld zou hebben overgedragen aan [medeverdachte 1] heeft dat voor verdachte geen verhullend karakter gehad.

Feit 4: Deelname aan criminele organisatie

De verdediging stelt zich op het standpunt dat verdachte moet worden vrijgesproken van deelname aan een criminele organisatie. Voor zover er sprake is van een criminele organisatie, hetgeen de verdediging betwist, is verdachte geen deelnemer, maar maximaal medeplichtige, desnoods (mede-) pleger van een concreet strafbaar feit. Ook als de rechtbank van oordeel is dat verdachte aanvragers heeft geworven, gegevens heeft ingezameld en geld heeft ontvangen, levert dat niet voldoende bewijs op voor deelneming aan een criminele organisatie.

4.4

Het oordeel van de rechtbank

Feit 1:Oplichting

Om te kunnen beoordelen of feit 1 bewezen kan worden beantwoordt de rechtbank de volgende vragen:

Zijn de in de tenlastelegging genoemde stukken vals of vervalst?

De rechtbank stelt op grond van de bewijsmiddelen vast dat de stukken die bij de Belastingdienst zijn ingediend – zoals onder feit 1 vermeldt op de tenlastelegging – valselijk zijn opgemaakt en/of vervalst. Uit de controle van de Belastingdienst blijkt dat kinderopvanginstellingen de kinderen van de aanvragers niet kennen, er geen opvang is afgenomen of het aantal uren naar boven toe is aangepast waardoor ten onrechte kinderopvangtoeslag is uitgekeerd of dit is geprobeerd. De jaaropgave, het jaaroverzicht en de mutatieoverzichten kunnen op basis van een bestaand document zijn aangepast waardoor niet valt uit te sluiten dat deze stukken vervalst zijn in plaats van vals. Daarom is de conclusie van de rechtbank dat de onder feit 1 genoemde documenten vals of vervalst zijn.

Welke oplichtingsmiddelen zijn gebruikt?

De rechtbank is van oordeel dat de aanvragers een valse hoedanigheid hebben aangenomen door zich voor te doen als personen die recht hadden op kinderopvangtoeslag. Ook is de Belastingdienst door listige kunstgrepen en door een samenweefsel van verdichtsel opgelicht. Het gaat namelijk om valse of vervalste stukken en door een combinatie van deze geschriften en onjuiste antwoordformulieren was er sprake van een opeenstapeling van leugens. Van het aannemen van een valse naam is niet gebleken, zodat daarvoor een partiële vrijspraak volgt.

Had verdachte een strafwaardige rol bij de oplichting?

De rechtbank is op basis van de bewijsmiddelen van oordeel dat verdachte nauw en bewust heeft samengewerkt met de andere verdachten, onder wie de aanvragers, bij het oplichten van de Belastingdienst. Verdachte kan als medepleger van de oplichting worden aangemerkt.

Verdachte heeft zelf bekend dat zij aanvragers heeft benaderd en hun persoonlijke gegevens aan medeverdachte [medeverdachte 1] heeft verstrekt. Zij zegt dat zij niet wist wat [medeverdachte 1] hiermee ging doen en dat ze dacht dat hij een vergoeding kreeg omdat hij aanvragers hielp bij hun aanvraag. Verdachte heeft verklaard dat zij dacht dat het om louter legale activiteiten ging.

De rechtbank acht deze verklaring onaannemelijk, voor zover die ziet op het ontbreken van opzet. De rechtbank is van oordeel dat verdachte vol opzet had op de oplichting en dit blijkt uit de volgende feiten en omstandigheden:

Verdachte heeft zich bij in ieder geval twee aanvragers zelf voorgedaan als belastingadviseur en heeft geadviseerd om een bankrekening te openen waar de onterecht verkregen kinderopvangtoeslag op kon worden gestort. Ze was bovendien op de hoogte van het feit dat er (cash-)geld bij aanvragers werd opgehaald als vergoeding voor de hulp bij de aanvraag.

Verdachte heeft namelijk verklaard dat zij geld kreeg van aanvragers om aan [medeverdachte 1] te geven. Dit ging om aanzienlijke bedragen, tot wel de helft van de (onterechte) kinderopvangtoeslag die aanvragers hadden gekregen. Zo een hoge vergoeding staat niet in verhouding tot de verrichte hulp, als het zou gaan om legale aanvragen. Dat heeft verdachte geweten.

Dat verdachte doelbewust heeft meegewerkt aan het aanvragen van kinderopvangtoeslag door aanvragers die daar geen recht op hadden, blijkt tot slot uit het feit dat verdachte zelf ook kinderopvangtoeslag heeft aangevraagd terwijl haar kind toen niet naar de opvang ging (zie feit 2).

Verdachte was degene die zorgde dat aanvragers in contact kwamen met [medeverdachte 1] . Hierdoor is er sprake van het in vereniging plegen van de oplichting.

Welk geldbedrag is in totaal uitgekeerd door de Belastingdienst?

De Belastingdienst is door de oplichting bewogen tot de afgifte van in totaal € 318.009,-. In afwijking van de bedragen genoemd in de tenlastelegging gaat het ten aanzien van aanvrager [persoon 2] om een bedrag van € 59.445,-. Aan [persoon 2] is in totaal € 62.841,-.uitbetaald, terwijl zij slechts recht had op € 3.395,-. Ten aanzien van aanvrager [persoon 3] gaat het om een bedrag van € 48.305,-. Ten aanzien van [persoon 4] komt de rechtbank – net als de officieren van justitie – uit op een hoger bedrag dan is genoemd in de tenlastelegging. Nu een bedrag van € 53.019,- aan verdachte is ten laste gelegd, zal de rechtbank hiervan uitgaan.

Feit 2: Poging oplichting

Om te kunnen beoordelen of feit 2 bewezen kan worden beantwoordt de rechtbank de volgende vragen:

Zijn de in de tenlastelegging genoemde stukken vals of vervalst?

De rechtbank stelt vast dat uit de bewijsmiddelen volgt dat de stukken die bij de Belastingdienst zijn ingediend – zoals vermeld op de tenlastelegging – valselijk zijn opgemaakt en/of vervalst. Uit de controle van de Belastingdienst blijkt dat het kind van verdachte in 2013 niet naar de kinderopvang is geweest.

Welke oplichtingsmiddelen zijn gebruikt?

De rechtbank is van oordeel dat verdachte een valse hoedanigheid heeft aangenomen door zich voor te doen als iemand die recht had op kinderopvangtoeslag. Ook is de Belastingdienst door listige kunstgrepen en door een samenweefsel van verdichtsel opgelicht. Het gaat om valse of vervalste stukken en door een combinatie van deze geschriften en onjuiste antwoordformulieren was er sprake van een opeenstapeling van leugens. De rechtbank is van oordeel dat verdachte partieel dient te worden vrijgesproken van het aannemen van een valse naam.

Had verdachte een strafwaardige rol bij de poging oplichting?

Op basis van de bewijsmiddelen is de rechtbank van oordeel dat verdachte heeft geprobeerd de Belastingdienst op te lichten. Verdachte ontkent het opzet hierop, maar de rechtbank ziet dit anders. De aanvragen zijn onder haar naam en met gebruik van haar DigiD-gegevens ingediend. De rechtbank acht het dan ook onaannemelijk dat iemand anders dan verdachte dit zou hebben gedaan, zonder dat ze hier weet van had. Temeer nu verdachte zelf, zoals beschreven onder feit 1, gegevens van andere aanvragers verzamelde en doorspeelde en dus actief betrokken was bij de oplichtingspraktijken. Bovendien ziet de rechtbank niet in hoe verdachte gedacht kan hebben dat er recht bestond op kinderopvangtoeslag, terwijl haar kind niet naar die opvang ging. De poging oplichting is in vereniging gepleegd omdat uit de bewijsmiddelen naar voren komt dat verdachte de valse en/of vervalste stukken niet zelf heeft opgemaakt maar dit door een mededader is gedaan. Omdat de Belastingdienst uiteindelijk geen kinderopvangtoeslag heeft uitgekeerd, gaat het om een poging tot oplichting.

Feit 3:

De rechtbank is van oordeel dat verdachte, samen met in ieder geval medeverdachte [medeverdachte 1] , de Belastingdienst heeft opgelicht en er sprake is van geld verkregen uit eigen misdrijf. Verscheidende aangevers hebben namelijk verklaard dat zij een deel van hun onterecht ontvangen kinderopvangtoeslag aan verdachte hebben gegeven.

In het geval van een eigen misdrijf moet er sprake zijn van een gedraging die meer omvat dan het enkele voorhanden hebben van het geld en die een op het daadwerkelijk verbergen of verhullen van de criminele herkomst van dat door eigen misdrijf verkregen voorwerp gericht karakter heeft.Voor de contant ontvangen bedragen kan geen verhullingshandeling worden vastgesteld. Met betrekking tot het deze bedragen wordt verdachte dan ook vrijgesproken.

Dat is anders voor de bedragen die over de bankrekening van verdachte zijn gegaan. Aanvragers [persoon 3] en [persoon 4] verklaren dat zij geld naar verdachte hebben overgemaakt. De rechtbank gaat er – op basis van de bewijsmiddelen –vanuit dat dit geld niet daadwerkelijk voor verdachte was, maar voor [medeverdachte 1] . Verdachte heeft ook verklaard dat zij dit geld vervolgens aan [medeverdachte 1] heeft gegeven. Dit betekent dat verdachte hiermee heeft verhuld dat [medeverdachte 1] de rechthebbende op dit geld was. De aanvragers hadden het geld immers ook direct aan [medeverdachte 1] kunnen overmaken. Nu dit niet is gebeurd is er sprake van een verhullingshandeling waardoor witwassen ten aanzien van € 7.110,- kan worden bewezen.

Periode

De rechtbank gaat voor de gepleegde periode uit van de periode waarin de bedragen die door [persoon 3] en [persoon 4] zijn overgemaakt naar verdachte. Dit is van 20 tot en met 22 november 2013 en van 20 februari 2014 tot en met 24 september 2014 geweest.

Feit 4:

De rechtbank is van oordeel dat kan worden bewezen dat verdachte in de tenlastegelegde periode samen met anderen heeft deelgenomen aan een criminele organisatie die tot oogmerk had het plegen van oplichting, valsheid in geschrift en witwassen. De rechtbank verwijst naar de bewijsmiddelen die zijn gebruikt voor de feiten 1, 2 en 3 die in bijlage II zijn opgenomen en naar de bewijsoverwegingen die hier onder volgen.

Beoordelingskader

Voor een veroordeling voor deelneming aan een criminele organisatie moet sprake zijn (geweest) van een organisatie met als doel het plegen van misdrijven. Het moet gaan om een samenwerkingsverband met een zekere duurzaamheid en structuur, tussen twee of meer personen. Voor de deelneming aan de organisatie is van belang dat verdachte bij de organisatie hoort en een bijdrage levert aan het verwezenlijken van het doel van de organisatie. Verdachte moet in zijn algemeenheid weten dat het doel van de organisatie het plegen van misdrijven is en moet opzet hebben op het deelnemen aan die organisatie. Als uit de bewijsmiddelen volgt dat verdachte heeft bijgedragen aan de verwezenlijking van het doel van de organisatie of een aan die organisatie ondersteunende handeling heeft verricht, dan volgt daaruit de wetenschap van dat doel.

Toepassing van dit beoordelingskader op deze zaak

De rechtbank is van oordeel dat er sprake is geweest van een duurzaam en gestructureerd samenwerkingsverband waarbij de deelnemers het doel hadden kinderopvangtoeslagfraude te plegen. Daarmee zijn de delicten oplichting, valsheid in geschrift en witwassen gepleegd. Binnen het samenwerkingsverband speelden de verschillende verdachten ieder een eigen rol. Verdachte was degene die aanvragers benaderde, zich voordeed als medewerker van de Belastingdienst, [medeverdachte 1] geïntroduceerd heeft als belastingdeskundige, DigiD-codes aan [medeverdachte 1] heeft afgegeven en geld heeft opgehaald. Uit het procesdossier volgt dat verdachte niet degene is geweest die de documenten valselijk heeft opgemaakt of heeft vervalst. Gelet op de grote schaal waarop dat gebeurde, heeft zij in ieder geval bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat meer mensen bij de organisatie betrokken waren. Verdachte had daarmee opzet, in ieder geval in voorwaardelijke zin, op deelname aan de organisatie. Daarvoor is niet vereist dat verdachte de anderen persoonlijk kende of wist hoe veel mensen er aan de organisatie deelnamen.

Gelet op haar bijdrage, stelt de rechtbank vast dat verdachte wist wat het oogmerk van de organisatie was. Door de organisatie zijn gedurende een lange periode misdrijven gepleegd en verdachte heeft daarbij een substantiële rol vervuld.

5 Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in bijlage II vervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte

Feit 1:

omstreeks de periode van 24 september 2012 (A17-DOC-001) tot en met 30 november 2016 (o.a. A17-DOC-061) te Arnhem en Heerlen, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk om zich of een ander wederrechtelijk te bevoordelen, hetzij door het aannemen van een valse hoedanigheid, hetzij door listige kunstgrepen, hetzij door een samenweefsel van verdichtsels, de Belastingdienst, heeft bewogen tot de afgifte van geld, immers hebben verdachte en/of haar mededader telkens - ter verkrijging van kinderopvangtoeslag - geschriften en/of documenten bij de Belastingdienst ingediend, te weten valselijk opgemaakte en/of vervalste elektronische aanvragen en/of wijzigingen kinderopvangtoeslag en/of formulieren gegevens kinderopvang, inhoudende dat

1. [persoon 5] (BSN 430686961) met ingang van 4 juni 2012 gedurende 323 uur per maand kinderopvang geniet bij [kinderopvang 1] (A17-DOC-001) en

2. [persoon 6] (BSN 366509603) met ingang van 1 juni 2013 gedurende 134 uur per maand kinderopvang geniet bij [kinderopvang 2] (AOl-DOC-008) en

3. [persoon 8] (BSN 247631425) met ingang van 3 januari 2013 gedurende 150 uur per maand kinderopvang geniet bij [kinderopvang 2] (A06-DOC-001) en

4. [persoon 9] (BSN 264190919) met ingang van 5 augustus 2013 gedurende 170 uur per maand kinderopvang geniet bij [kinderopvang 2] (Al4-DOC-002) en

5. [persoon 10] (BSN 477265558) met ingang van 5 augustus 2013 gedurende 230 uur per maand kinderopvang geniet bij [kinderopvang 1] (A14-DOC-003) en

6. [persoon 11] (BSN 262550544) en/of [persoon 12] (BSN 253275581) met ingang van 1 januari 2013 beiden gedurende 150 uur per maand kinderopvang genieten bij [kinderopvang 4] (A15-DOC-001, A15-DOC-002) en

7. [persoon 13] (BSN 619499606) met ingang van 1 februari 2013 gedurende 230 uur per maand kinderopvang geniet bij [kinderopvang 5] (A26-DOC-003) en

8. [persoon 14] (BSN 267834329) met ingang van 2 januari 2013 gedurende 150 uur per maand kinderopvang geniet bij [kinderopvang 2] (A31-DOC-001)

waardoor verdachte en/of haar mededader telkens de suggestie hebben gewekt dat de persoon genoemd op de aanvraag/de wijziging kinderopvangtoeslag/het formulier gegevens kinderopvang, recht had op deze toeslag, waardoor de Belastingdienst is bewogen tot uitbetaling van voornoemde toeslagen tot een geldbedrag van 59.445 euro (A17-DOC-061) en/of 53.019 euro (AOl-DOC-062) en/of 29.179 euro (A06-DOC-030) en/of 48.305 euro (A14-DOC-040) en/of 75.329 euro (A15-DOC-035) en/of 37.001 euro (A26-DOC-020) en/of 15.551 euro (AJl-AMB-002) (in totaal ongeveer 318.009,-), althans enig geldbedrag;

Feit 2:

omstreeks de periode van 5 februari 2014 tot en met 11 november 2015 te Arnhem en Heerlen, althans in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om, tezamen en in vereniging met een ander met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen, hetzij door het aannemen van een valse hoedanigheid, hetzij door listige kunstgrepen, hetzij door een samenweefsel van verdichtsels, de Belastingdienst, heeft bewogen tot de afgifte van geld, immers heeft verdachte en/of haar mededader telkens - ter verkrijging van kinderopvangtoeslag - geschriften en/of documenten bij de Belastingdienst ingediend, te weten valselijk opgemaakt en/of vervalste elektronische aanvragen en/of formulieren gegevens kinderopvang inhoudende dat

- [persoon 15] (BSN 691796373) met ingang van 25 december 2013 gedurende 230 uur per maand kinderopvang geniet bij [kinderopvang 1] (A04-DOC-001) en

- [persoon 15] (BSN 691796373) met ingang van 6 juli 2015 gedurende 238 uur per maand kinderopvang geniet bij [kinderopvang 1] (A04-DOC-002)

waardoor verdachte en/of haar mededader telkens de suggestie hebben gewekt dat zij, verdachte, recht had op deze toeslag, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

Feit 3:

omstreeks de periode van 20 november 2013 tot en met 24 september 2014 te Arnhem, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander, telkens van geldbedragen, in totaal ongeveer 7.110,- euro (A04-0PV-001, p. 26), de werkelijke aard en de herkomst, heeft verhuld en heeft verhuld wie de rechthebbende op dat geldbedrag was, terwijl zij, verdachte, en haar mededader wisten, dat die geldbedragen geheel - onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren uit enig misdrijf,

Feit 4:

omstreeks de periode van 24 september 2012 tot en met 10 juli 2018 te Amsterdam en/of Purmerend en/of Wormerveer, gemeente Zaanstad, en/of ·s-Gravenhage en/of Arnhem en/of Nijmegen, althans in Nederland, heeft deelgenomen aan een organisatie, te weten een samenwerkingsverband van natuurlijke personen, bestaande uit verdachte, en [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4] , welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, namelijk

- oplichting (artikel 326 Wetboek van Strafrecht) en/of

- valsheid in geschrift (artikel 225 Wetboek van Strafrecht) en/of

- witwassen (artikel 420ter/bis/quater Wetboek van Strafrecht);

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

6 De strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7 De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 Motivering van de straffen en maatregelen

8.1.

De eis van de officier van justitie

Het Openbaar Ministerie heeft gevorderd om verdachte te veroordelen tot een gevangenisstraf van 18 maanden voor de door haar bewezen geachte feiten.

8.2.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft verzocht geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen. Zij verzoekt een lagere straf op te leggen dan door het Openbaar Ministerie is geëist en hierbij rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

8.3.

Het oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.

Ernst van de feiten

Verdachte heeft zich meermalen schuldig gemaakt aan het medeplegen van (poging tot) oplichting en witwassen. Daarnaast heeft verdachte deelgenomen aan een criminele organisatie die oplichting, valsheid in geschrift en witwassen tot oogmerk had.

Verdachte en haar mededaders hielden zich op grote schaal bezig met het valselijk opmaken van stukken en indienen van aanvraag- en wijzigingsformulieren kinderopvangtoeslag en hebben de verkregen gelden vervolgens witgewassen. Hierdoor hebben verdachte en haar mededaders misbruik gemaakt van het systeem van de Belastingdienst, waarvan het doel is miljoenen ouders op een zo efficiënt mogelijke manier financieel te ondersteunen als zij gebruik maken van kinderopvang. De Belastingdienst Toeslagen is hierbij bovendien gedurende een lange periode voor honderdduizenden euro’s opgelicht. Dat is gemeenschapsgeld dat niet voor [verdachte] en haar mededaders was bestemd.

Uitgangspunten voor de strafoplegging

Bij het bepalen van de hoogte van de op te leggen straf kijkt de rechtbank onder meer naar straffen die in vergelijkbare zaken worden opgelegd. Daarvoor kijkt de rechtbank naar de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS). Bij fraude wordt het oriëntatiepunt bepaald door de hoogte van het benadelingsbedrag. Voor een benadelingsbedrag tussen de € 500.000,- en € 1.000.000,- (voor de criminele organisatie) geldt een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 18 tot 24 maanden als oriëntatiepunt.

Rol van de verdachte

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verdachte een belangrijke rol gespeeld bij de kinderopvangtoeslagfraude door nieuwe aanvragers te ronselen en hun gegevens te verzamelen. De rechtbank heeft echter de indruk dat verdachte binnen de organisatie een minder vooraanstaande positie had dan andere verdachten. Uit het dossier blijkt ook niet dat verdachte zelf enig voordeel heeft behaald uit de fraude. Dat weegt de rechtbank in het voordeel van verdachte mee.

Persoon van de verdachte

In het voordeel van verdachte houdt de rechtbank ook in sterke mate rekening met haar persoonlijke omstandigheden, in het bijzonder de omstandigheid dat zij de zorg draagt voor een minderjarige zoon die extra zorg nodig heeft. Er is bij verdachte geen sprake van eerdere veroordelingen voor strafbare feiten waarmee rekening moet worden gehouden.

Overschrijding van de redelijke termijn

In strafverminderende zin houdt de rechtbank eveneens rekening met het gegeven dat sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn. Een verdachte heeft recht op berechting van diens zaak binnen een redelijke termijn. Als uitgangspunt geldt dat binnen twee jaar na aanvang van die redelijke termijn door de rechtbank moet zijn beslist, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden. Volgens jurisprudentie is de redelijkheid van de duur onder andere afhankelijk van de ingewikkeldheid van de zaak (de omvang van het onderzoek en de gelijktijdige berechting van zaken tegen medeverdachten), de invloed van de verdediging en de voortvarendheid van het opsporingsonderzoek. De rechtbank vindt dat van die bijzondere omstandigheden sprake is, nu het gaat om een omvangrijk onderzoek tegen meerdere verdachten, het onderzoek op 10 mei 2021 is gesloten en er een eindproces-verbaal is opgemaakt. De rechtbank zal om die reden uitgaan van een redelijke termijn van drie jaar. De redelijke termijn vangt aan op het moment dat ten aanzien van verdachte een handeling is verricht waaraan verdachte in redelijkheid de verwachting kon ontlenen dat tegen haar ter zake van een bepaald strafbaar feit door het Openbaar Ministerie een strafvervolging kan worden ingesteld. Naar het oordeel van de rechtbank is de redelijke termijn aangevangen op 10 juli 2018. Dit is de dag waarop verdachte voor het eerst als verdachte is gehoord. Ten tijde van het wijzen van dit vonnis is daarom sprake van een overschrijding van de redelijke termijn van bijna negen maanden.

Strafoplegging

Het gaat om een ernstige vorm van fraude en het LOVS oriëntatiepunt komt bij een benadelingsbedrag tussen de € 500.000,- en € 1.000.000,- uit op een onvoorwaardelijke gevangenisstraf tissen de 18 en 24 maanden. Gelet op dit LOVS oriëntatiepunt vindt de rechtbank mede vanuit het oogpunt van rechtsgelijkheid dat verdachte wel (ook) een onvoorwaardelijke gevangenisstraf moet ondergaan. Wel ziet de rechtbank aanleiding in het voordeel van verdachte af te wijken van het oriëntatiepunt en een fors lagere gevangenisstraf op te leggen dan door de officieren van justitie is geëist. De rechtbank zal een deel van de gevangenisstraf voorwaardelijk op leggen om verdachte ervan te weerhouden in de toekomst opnieuw een strafbaar feit te plegen. Daarnaast zal de rechtbank in plaats van een deel van de op te leggen gevangenisstraf de hoogst mogelijke taakstraf opleggen.

Alles overwegende acht de rechtbank een gevangenisstraf van 8 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, passend en geboden, met een proeftijd van 2 jaar en met oplegging van de algemene voorwaarde dat verdachte gedurende de proeftijd geen strafbaar feit pleegt. Daarnaast legt rechtbank een taakstraf van 240 uren op.

9 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 45, 47, 57, 140, 326 van het Wetboek van Strafrecht.

10 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

Feit 1: medeplegen van oplichting, meermalen gepleegd

Feit 2: medeplegen van poging tot oplichting, meermalen gepleegd

Feit 3: medeplegen van witwassen, meermalen gepleegd

Feit 4: deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 maanden.

Beveelt dat een gedeelte, groot 6 maanden, van deze gevangenisstraf niet tenuitvoergelegd zal worden, tenzij later anders wordt gelast.

Stelt daarbij een proeftijd van 2 jaren vast.

De tenuitvoerlegging kan worden gelast indien de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit.

Veroordeelt verdachte tot een taakstraf van 240 uren, met bevel, voor het geval dat de verdachte de taakstraf niet naar behoren heeft verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast van 120 dagen.

Dit vonnis is gewezen door

mr. M. Vaandrager, voorzitter,

mr. C. Huizing-Bruil en mr. J.M.R. Vastenburg, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. M.M. van der Beek, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 5 april 2022.

Mr. C. Huizing-Bruil is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Proces-verbaal van verhoor verdachte [persoon 1] , onderzoek: 61317 Bonsai / 61781, documentcode A-18-V01, pagina 5889. HR 26 oktober 2010, LJN BM4440 en HR 8 januari 2013, LJN BX6909 en BX4449 HR 17 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2578.