Strafrecht overig

OM niet-ontvankelijk gelet op de Aanwijzing afpakken. Hoogte van de ontnemingsvordering (200 euro) te laag…

Rechtbank Amsterdam, 17 augustus 2022

Zaakgegevens

Op 17 augustus 2022 heeft de Rechtbank Amsterdam in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Zittingsplaats
Amsterdam
Datum uitspraak
17 augustus 2022
Datum publicatie
22 augustus 2022
Zaaknummer
13/114647-19 (ontneming)
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
ECLI
ECLI:NL:RBAMS:2022:4959
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

OM niet-ontvankelijk gelet op de Aanwijzing afpakken. Hoogte van de ontnemingsvordering (200 euro) te laag. Minimale hoogte is immers 500 euro.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS

Parketnummer: 13/114647-19 (ontneming)

Datum uitspraak: 17 augustus 2022

Vonnis van de meervoudige kamer van de rechtbank Amsterdam, op vordering van de officier van justitie als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht, in de zaak, behorende bij de strafzaak met parketnummer 13/114647-19, tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] ([geboorteland]) op 6 november 1995,

ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres

[adres],

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 3 augustus 2022.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. I. Barendregt, en van wat door de gemachtigde raadsman van verdachte, mr. M.A.C. de Bruijn, naar voren is gebracht.

2 De vordering

Onderzoek van de zaak

De vordering van de officier van justitie van 25 maart 2022 strekt tot het vaststellen van het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht wordt geschat en het aan [verdachte] opleggen van de verplichting tot betaling aan de Staat van dat geschatte voordeel tot een maximumbedrag van € 200,-.

Gezien de stukken waarop de vordering berust en waarnaar deze vordering verwijst, verstaat de rechtbank de vordering aldus dat deze betreft het feit waarvoor [verdachte] in de onderliggende strafzaak is veroordeeld.

3 De standpunten

3.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd de vordering af te wijzen, nu zij in de strafzaak heeft gevorderd het in beslaggenomen geldbedrag verbeurd te verklaren.

3.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft – overeenkomstig zijn schriftelijke pleitnota – aangevoerd dat verdachte een verklaring heeft gegeven voor de herkomst van het geld. Verdachte heeft een verifieerbare verklaring over de herkomst en het verhaal van aangever over het exacte bedrag is inconsistent en dus discutabel. De raadsman heeft verzocht om de vordering af te wijzen, dan wel te matigen.

3.3

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank overweegt als volgt.

De Aanwijzing afpakken geeft regels voor de ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel en benoemt daarbij de strafrechtelijke afpakmogelijkheden van financiële opbrengsten uit criminele activiteiten. In rubriek 6.1 is als uitgangpunt bij commune delicten geformuleerd dat een ontnemingsvordering wordt ingediend wanneer het verkregen voordeel wordt geschat op een bedrag van ten minste € 500,-. Het komen tot een effectieve interventie, al dan niet in het kader van een programmatische of probleemgerichte aanpak, kan reden zijn om af te wijken van dit uitgangspunt. Van dergelijke omstandigheden is in onderhavig geval niet gebleken, zodat de rechtbank vindt dat de officier van justitie niet ontvankelijk is in de vordering.

4 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart de officier van justitie niet ontvankelijk in de vordering.

Dit vonnis is gewezen door

mr. H.E. Hoogendijk, voorzitter,

mrs. C.W. Bianchi en E. Akkermans, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. E.S. Schakenraad en E.J.M. Veerman, griffiers

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 17 augustus 2022.