Strafrecht overig

Een 21-jarige man is veroordeeld tot 125 dagen gevangenisstraf omdat hij op 4 maart 2024 in vereniging een…

Rechtbank Amsterdam, 5 november 2026

Zaakgegevens

Op 5 november 2026 heeft de Rechtbank Amsterdam in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Zittingsplaats
Amsterdam
Datum uitspraak
5 november 2026
Datum publicatie
4 november 2026
Zaaknummer
13/279620-25
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
ECLI
ECLI:NL:RBAMS:2026:10886
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Een 21-jarige man is veroordeeld tot 125 dagen gevangenisstraf omdat hij op 4 maart 2024 in vereniging een explosie veroorzaakte.

Uitspraak

[afbeelding niet beschikbaar]vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling Publiekrecht

Team Strafrecht

Parketnummer: 13/279620-25

Datum uitspraak: 5 november 2026

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2005,

ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres

[adres] , [woonplaats] ,

en op dat adres gedetineerd in de [naam PI] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van

22 oktober 2026.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie,

mr. K. Hara, en van wat verdachte en zijn raadsman, mr. R.A.E. Bunge, advocaat te Heeze, naar voren hebben gebracht.

De benadeelde partij [benadeelde partij 1] is op de terechtzitting bijgestaan door

mr. P. Metgod en namens de benadeelde partij [benadeelde partij 2] is mr. J. Karstens verschenen.

2 Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat

hij op of omstreeks 04 maart 2024 te Duivendrecht, gemeente Ouder-Amstel,

tezamen en in vereniging met (een) ander(en), opzettelijk

een ontploffing teweeg heeft gebracht door een stuk zwaar knalvuurwerk (Cobra 6)

met hieraan bevestigd en/of hierbij neergezet een (PET)-fles gevuld met een

brandbare stof,

te plaatsen aan/nabij de voordeur van de woning aan de [adres]

, en deze te ontsteken en tot ontploffing te brengen, terwijl daarvan

- gemeen gevaar voor goederen, ten aanzien van voornoemde woning ( [adres]

) en die de in die woning aanwezige goederen en de

naastgelegen/omringende woningen en de in die naastgelegen/omringende

woningen/ aanwezige goederen, en

- levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor (een) ander(en) te

duchten was.

3 Voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde feit en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 Waardering van het bewijs

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich – overeenkomstig haar schriftelijk requisitoir – op het standpunt gesteld dat het ten laste gelegde feit kan worden bewezen. Zij heeft daartoe de relevante bewijsmiddelen opgesomd.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft aangevoerd dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft bekend, maar heeft ten aanzien van het bestanddeel dat verdachte het feit tezamen en in vereniging met een ander of anderen (medeplegen) heeft gepleegd verzocht verdachte vrij te spreken. Ook heeft hij vrijspraak bepleit ten aanzien van het bestanddeel dat er levensgevaar dan wel gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander of anderen te duchten was. Voor het overige heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank heeft op grond van de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen staan, waaronder de bekennende verklaring van verdachte, de overtuiging gekregen dat verdachte het hem ten laste gelegde feit heeft begaan zoals hierna, in rubriek 5, bij de bewezenverklaring staat weergegeven.

4.3.1

Bewijsoverwegingen ten aanzien van het ten laste gelegde medeplegen

De rechtbank stelt voorop dat de betrokkenheid aan een strafbaar feit als medeplegen kan worden bewezenverklaard, als is komen vast te staan dat bij het begaan daarvan sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en een of meer anderen. Ook wanneer het ten laste gelegde medeplegen in de kern niet bestaat uit een gezamenlijke uitvoering tijdens het begaan van het strafbare feit, kan sprake zijn van de voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking. De materiële en/of intellectuele bijdrage van een ieder aan het strafbare feit zal dan van voldoende gewicht moeten zijn. Bij de beoordeling of daaraan is voldaan, kan rekening worden gehouden met onder meer de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol in de voorbereiding, de uitvoering of de afhandeling van het delict en het belang van de rol van een ieder.

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij via Snapchat de opdracht heeft gekregen om een explosief bij een woning tot ontploffing te brengen. In ruil daarvoor zou hij worden betaald. Via Snapchat ontving hij het adres van de bewuste woning en op een parkeerplaats in Amsterdam Holendrecht nam hij een Cobra 6 in ontvangst. Vervolgens heeft hij bij een tankstation een petfles gevuld met benzine en dit met ducttape aan de Cobra 6 bevestigd. Daarna is hij naar het flatgebouw gegaan en heeft hij het explosief, bestaande uit een combinatie van voornoemd stuk vuurwerk en brandstof, aangestoken en vanaf de parkeerplaats voor het flatgebouw in de richting van de voordeur van de woning van de slachtoffers op de eerste etage gegooid. Verdachte heeft verklaard dat hij vanaf het moment waarop hij de opdracht ontving tot aan de ontploffing voortdurend instructies kreeg, onder meer over de vervaardiging van het explosief. Ook moest hij een filmpje van de ontploffing maken en opsturen.

De rechtbank stelt vast dat verdachte niet zelf het initiatief heeft genomen tot het teweegbrengen van de ontploffing. Hij heeft de opdracht van een ander ontvangen en de uitvoering daarvan voor zijn rekening genomen. Daarbij heeft hij niet zelfstandig gehandeld, maar gedurende het gehele traject instructies ontvangen en deze ook uitgevoerd. Ook de gebruikte cobra 6 heeft hij van een ander overhandigd gekregen ten behoeve van het uitvoeren van de opdracht. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat aan het teweegbrengen van de ontploffing een intensieve samenwerking vooraf is gegaan, waarbij verdachte en degene(n) met wie hij contact onderhield ieder een eigen, wezenlijke bijdrage hebben geleverd. De materiële en intellectuele bijdragen van de betrokkenen waren, in onderlinge samenhang bezien, van voldoende gewicht om te kunnen spreken van een nauwe en bewuste samenwerking. De rechtbank acht dan ook bewezen dat verdachte het onder 1 ten laste gelegde tezamen en in vereniging met een ander of anderen heeft gepleegd.

4.3.2

Bewijsoverwegingen ten aanzien van het ten laste gelegde gevaar voor zwaar lichamelijk letsel

Om te kunnen vaststellen dat sprake was van levensgevaar dan wel gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander als bedoeld in artikel 157, sub 2, van het Wetboek van Strafrecht is vereist dat uit de inhoud van wettige bewijsmiddelen volgt dat zulk gevaar inderdaad te duchten was. Daarmee wordt gedoeld op de graad van waarschijnlijkheid die bestaat wanneer naar de gewone loop der dingen zonder buitengewone omstandigheden de ernstige mogelijkheid van de noodlottige afloop aanwezig is. Kortom, er is gevaar te duchten wanneer een sterke mogelijkheid bestaat en ingezien kan worden dat dit gevaar door het handelen (in dit geval het laten ontploffen van het explosief) zou kunnen ontstaan. Het gevaar moet ten tijde van de ontploffing naar algemene ervaringsregels voorzienbaar zijn geweest. Dat de dader zelf dat gevaar wellicht niet heeft voorzien, is in dat verband dus niet van belang.

Aangever heeft verklaard dat hij en zijn vrouw net in bed lagen toen zij een ‘pok’ geluid tegen de voordeur hoorden. De hond sloeg aan op het geluid. Aangever keek door een kier in de rolluiken op de slaapkamer, die zich aan de kant van de galerij bevond, en zag een vuurzee. Daarop is hij direct naar de voordeur gerend. Daar zag hij dat er vlammen onder de deur door kwamen, die hij heeft gedoofd.

De rechtbank is van oordeel dat het goed voorstelbaar is dat de bewoners na het horen van het geluid tegen de voordeur en het aanslaan van de hond direct naar de voordeur waren gerend en deze hadden geopend om te kijken wat er aan de hand was. Als het explosief op het moment dat de bewoners de voordeur openen vlak voor hun voeten ontploft, dan lopen die bewoners het gevaar dat zij zwaar gewond raken door de steekvlam, het vuur en (rondslingerende objecten door) de teweeggebrachte schokgolf.

De rechtbank is op grond van het voorgaande dan ook van oordeel dat door het teweegbrengen van de ontploffing van het explosief gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor anderen te duchten was. Dit gevaar is naar algemene ervaringsregels voorzienbaar geweest. Dat er ook sprake was van levensgevaar, is niet bewezen. Uit het dossier blijkt niet dat de gevaarzetting van deze vuurwerk-brandstof-combinatie dusdanig is dat deze bij de ontploffing voor een woning levensgevaar voor de bewoners oplevert of dat waarschijnlijk was dat het explosief direct contact met bijvoorbeeld het hoofd, de nek of de romp van de bewoners zou maken.

5 De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in de bijlage vervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte

op 4 maart 2024 te Duivendrecht, gemeente Ouder-Amstel, tezamen en in vereniging met een ander of anderen opzettelijk een ontploffing teweeg heeft gebracht door een stuk zwaar knalvuurwerk (Cobra 6) met hieraan bevestigd een PET-fles gevuld met een

brandbare stof, te plaatsen nabij de voordeur van de woning aan de [adres]

, en deze te ontsteken en tot ontploffing te brengen, terwijl daarvan

gemeen gevaar voor goederen, ten aanzien van voornoemde woning ( [adres]

) en de in die woning aanwezige goederen en de naastgelegen woningen, en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor anderen te duchten was.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

6 De strafbaarheid van het feit

Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7 De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 Motivering van de straffen en maatregelen

8.1

De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het door haar bewezen geachte feit zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 125 (honderdvijfentwintig) dagen.

8.2

Het strafmaatverweer van de verdediging

De raadsman heeft primair verzocht de zaak af te doen zonder verdere strafrechtelijke gevolgen. Subsidiair heeft de raadsman verzocht te volstaan met de oplegging van een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf.

8.3

Het oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals van een en ander ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

De ernst van het feit

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het laten ontploffen van een explosief door dit in de nacht tegen de voordeur van een woning te gooien. Het explosief bestond uit een Cobra 6 en een brandbare vloeistof. Door de ontploffing is er gevaar voor de woning en de naastgelegen woningen ontstaan en is er gevaar voor zwaar lichamelijk letsel te duchten geweest voor de bewoners van de woning. De bewoners waren thuis en bevonden zich tijdens de ontploffing in hun slaapkamer. Zij werden ’s nachts geconfronteerd met vlammen voor hun woning, die ook onder hun voordeur uit staken. Door het explosief tegen de voordeur van de woning te gooien en hier tot ontploffing te brengen, is voor de bewoners de uitgang van de woning en daarmee hun vluchtroute geblokkeerd geweest tijdens dit alles. Een dergelijk feit veroorzaakt doorgaans grote gevoelens van onveiligheid in de samenleving en is uiterst bedreigend en beangstigend voor de bewoners van de woning en de directe omgeving daarvan. Het is dan ook zaak dat stevig wordt opgetreden tegen dit soort aanslagen.

Uit de onderbouwing van de vorderingen tot schadevergoeding en de slachtofferverklaringen komt duidelijk naar voren dat de aanslag een grote impact op hun leven heeft gehad en nog altijd heeft. Verdachte heeft op geen enkele manier rekening gehouden met de bewoners en de (psychische) schade die hij met zijn handelen zou kunnen aanrichten.

De persoon van de verdachte

Uit het Uittreksel Justitiële Documentatie (het strafblad) van verdachte van 1 september 2026 volgt dat verdachte eerder is veroordeeld voor het plegen van strafbare feiten.


De rechtbank heeft kennisgenomen van het rapport van Reclassering Nederland van 11 mei 2026, opgemaakt door reclasseringswerker W.M.G.M. van Kempen. Dit rapport houdt – zakelijk weergegeven – onder meer het volgende in:

In geval van bewezenverklaring worden de leefgebieden financiën, sociaal netwerk, psychosociaal functioneren en de houding van verdachte aangemerkt als delictgerelateerde factoren. Hij werd reeds eerder veroordeeld voor een soortgelijk strafbaar feit en een woningoverval. De strafbare feiten vonden vrij kort na elkaar plaats, terwijl verdachte daarvoor niet eerder bij justitie in beeld kwam. Ten tijde van het plegen van deze strafbare feiten kan gesproken worden van een pro criminele houding. Er zijn geen duidelijk beschermende factoren. Het gezin van herkomst werd eerder genoemd als mogelijk beschermend, maar de contacten lijken momenteel wat minder hecht te zijn. Verdachte geeft inmiddels aan dat hij wil veranderen en zijn leven anders wil inrichten.

Het risico op recidive kan niet worden ingeschat. Geadviseerd wordt het volwassenenstrafrecht toe te passen en aan verdachte een straf op te leggen zonder bijzondere voorwaarden. Verdachte zit momenteel een gevangenisstraf van 54 maanden uit, waardoor hij naar verwachting in het kader van een voorwaardelijke invrijheidstelling op enig moment bij de reclassering in beeld zal komen. Daarnaast zijn bij de veroordeling op 25 november 2025 reeds bijzondere voorwaarden aan verdachte opgelegd. De reclassering ziet dan ook geen meerwaarde in het adviseren van een reclasseringstoezicht in deze zaak, nu daarin reeds is voorzien.

Verdachte heeft ter terechtzitting in aanvulling op de informatie uit voornoemd rapport verklaard dat hij in 2023 en 2024 veel alcohol dronk en dagelijks wiet rookte. Hij ging met verkeerde mensen om, ging niet naar school en werkte bijna niet. Hierdoor heeft hij verkeerde keuzes gemaakt en het ten laste gelegde feit en twee andere feiten gepleegd. Hij heeft van zijn fouten geleerd en is gemotiveerd om zijn leven te beteren en zijn doelen te behalen; zo wil hij in de toekomst een opleiding volgen tot kok, in het restaurant van zijn ouders gaan werken en het restaurant uiteindelijk overnemen. Hij heeft inmiddels weer goed contact met zijn ouders.

De rechtbank neemt het advies van de reclassering over en past bij de berechting het volwassenenstrafrecht toe.

De op te leggen straf

Verdachte heeft binnen het tijdsbestek van een jaar drie ernstige strafbare feiten gepleegd. Op 21 juli 2026 is hij door het gerechtshof Arnhem veroordeeld tot een gevangenisstraf van 54 maanden ter zake van een woningoverval, gepleegd op 4 januari 2024. Op 11 november 2025 is hij door de rechtbank Midden-Nederland veroordeeld tot 240 dagen jeugddetentie, waarvan 90 dagen voorwaardelijk, voor het medeplegen van het opzettelijk teweegbrengen van een ontploffing, gepleegd op 3 september 2024. Het voorgaande maakt dat artikel 63 (oud) van het Wetboek van Strafrecht van toepassing is.

Verdachte heeft ter terechtzitting verantwoordelijkheid genomen voor zijn handelen en laten zien dat hij zich bewust is van de ernst en gevolgen van het door hem gepleegde strafbare feit. Verdachte komt op de rechtbank authentiek over in de wil om zijn leven een positieve wending te geven. De rechtbank weegt dit mee bij de bepaling van de hoogte van de straf. De rechtbank houdt verder rekening met de jeugdige leeftijd van verdachte – hij was ten tijde van het plegen van het bewezen verklaarde feit 18 jaar – en de omstandigheid dat hij op dat moment een first offender was ten aanzien van het teweegbrengen van explosies.

De rechtbank stelt vast dat er geen sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn, maar houdt rekening met het tijdsverloop in deze zaak. De DNA-hit met het DNA van verdachte was al in oktober 2024 bekend en de laatste onderzoeksbevindingen in deze zaak dateren van 19 september 2025. Dat betekent dat verdachte voor deze zaak gelijktijdig had kunnen worden berecht met de zaken die hebben geleid tot de hiervoor genoemde veroordelingen van 11 november 2025 en 21 juli 2026 (en het daaraan voorafgaande vonnis van de rechtbank Gelderland van 7 januari 2026). De rechtbank houdt daar in strafmatigende zin rekening mee.


De rechtbank is van oordeel dat het bewezen verklaarde feit te ernstig is om te kunnen volstaan met een schuldigverklaring zonder oplegging van straf, zoals door de raadsman is verzocht. Uit de aard en de ernst van het bewezen verklaarde, zoals hiervoor omschreven, volgt naar het oordeel van de rechtbank dat niet kan worden volstaan met een lichtere straf dan een onvoorwaardelijke vrijheidsbenemende straf. Bij de bepaling van de hoogte van de straf houdt de rechtbank ook rekening met straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd.

Alles afwegend ziet de rechtbank geen aanleiding om af te wijken van de door de officier van justitie gevorderde straf. Gelet op de reeds opgelegde vrijheidsbenemende straffen in voornoemde zaken, die verdachte nu nog aan het uitzitten is, acht de rechtbank de oplegging van een gevangenisstraf van 125 (honderdvijfentwintig) dagen passend en geboden.

9 Ten aanzien van de benadeelde partijen

9.1

De vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 1]

De benadeelde partij [benadeelde partij 1] vordert betaling van een totaalbedrag van

€ 9.855,59, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De gevorderde materiële schade behelst een bedrag van € 4.855,59 en bestaat uit de volgende posten:

  • eigen risico van de zorgzekering vanwege EMDR-behandelingen (€ 281,33);

  • kosten om de nieuwe woning bewoonbaar en leefbaar te maken, bestaande uit de aanschaf van verschillende klusmaterialen (€ 568,11) en vloerbekleding inclusief plaatsing (€ 2.950,53);

  • dubbele huurkosten (€ 1.055,62).

Ter vergoeding van immateriële schade wordt een bedrag van € 5.000,00 gevorderd.

9.1.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering in het geheel dient te worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

9.1.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft verzocht de benadeelde partij in zijn vordering niet-ontvankelijk te verklaren. Subsidiair heeft de raadsman verzocht de toe te kennen schadevergoeding op een lager te bedrag te begroten dan wel de schadevergoedingsplicht aanzienlijk te matigen. Hij wijst erop dat na de plaatsing van het explosief in deze zaak, nogmaals een explosief voor de woning is geplaatst. Volgens de raadsman ontbreekt daarmee het causaal verband tussen de gestelde schade en het bewezenverklaarde feit of moet de schade in ieder geval niet geheel voor rekening van verdachte komen.

9.1.3

Het oordeel van de rechtbank

Ten aanzien van de benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel

Vast staat dat aan de benadeelde partij door het bewezen verklaarde feit rechtstreeks materiële schade is toegebracht.

Eigen risico van de zorgverzekering vanwege EMDR-behandelingen

De hoogte van deze schadepost is onderbouwd met schriftelijke stukken en verder niet gemotiveerd betwist; de enkele stelling dat de rechtbank de schade op een lager bedrag zou moeten begroten is daartoe onvoldoende. Deze schadepost kan worden aangemerkt als een direct gevolg van het bewezenverklaarde feit en komt voor vergoeding in aanmerking. Ook aan matiging van de schadevergoedingsplicht komt de rechtbank niet toe, omdat de verdediging niet wordt gevolgd in de feitelijke stelling die hij aan dit beroep ten grondslag heeft gelegd (zie hierna).

Kosten om de nieuwe woning bewoonbaar te maken en de dubbele huurkosten

De hoogte van deze schadeposten is onderbouwd met schriftelijke stukken en verder niet gemotiveerd betwist; de enkele stelling dat de rechtbank de schade op een lager bedrag zou moeten begroten is daartoe onvoldoende. De raadsman van verdachte heeft het oorzakelijk verband tussen deze schadeposten en het bewezenverklaarde wel gemotiveerd bestreden, door erop te wijzen dat bij de woning nogmaals een explosie heeft plaatsgevonden. Volgens hem is daarom niet vast te stellen dat de reden om te verhuizen en de oorsprong van de in dit verband hiermee gevorderde kosten bij de explosie in deze zaak ligt. De raadsvrouw van de benadeelde partij heeft ter zitting en in reactie hierop naar voren gebracht dat al na de onderhavige explosie op 4 maart 2024, en dus vóór de tweede explosie, was besloten om te gaan verhuizen. De raadsman van verdachte heeft die stelling verder niet weersproken, zodat de rechtbank van de juistheid hiervan uitgaat. Omdat de raadsman van verdachte daarmee niet kan worden gevolgd in zijn stelling dat de gevorderde schade mede zijn oorsprong vindt in (de gevolgen van) de tweede explosie, komt de rechtbank ook niet toe aan zijn beroep op matiging van de schadevergoedingsplicht dat enkel op deze feitelijke stelling is gebaseerd. De toewijsbaarheid van de gevorderde schadevergoeding is voor het overige niet bestreden.

Deze schadeposten kunnen aldus worden aangemerkt als direct gevolg van het bewezenverklaarde feit en komen voor een volledige vergoeding in aanmerking.

De rechtbank concludeert dat de vordering tot vergoeding van materiële schade zal worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment waarop de schade als gevolg van het strafbare feit is ingetreden. Voor de schade bestaande uit kosten om de nieuwe woning bewoonbaar en leefbaar te maken (€ 568,11) is dat per de op de aankoopbon genoemde datum van 8 december 2024 . Voor de schade bestaande uit het in rekening gebrachte eigen risico (€ 281,33) volgt uit de stukken geen concrete datum; gelet op de toelichting van de raadsvrouw dat het eigen risico in 2026 in rekening is gebracht zal de rechtbank als ingangsdatum van de wettelijke rente voor dit schadebedrag 1 januari 2026 nemen. Voor de schade bestaande uit de dubbele huurkosten (€ 1.055,62) geldt gelet op de overgelegde stukken dat deze is ingetreden op 1 november 2024 zodat als ingangsdatum van de wettelijke rente die datum geldt. De geleden schade vanwege de aanschaf van de nieuwe vloerbekleding in de nieuwe woning (€ 2.950,53) is blijkens de orderbevestiging ingetreden tussen 28 november 2024 en 18 december 2024; de rechtbank zal hierom voor de ingangsdatum van de wettelijke rente uitgaan van een datum in het midden, zijnde 8 december 2024. De wettelijke rente is voor al deze bedragen verschuldigd tot aan de dag van de algehele voldoening.


Ten aanzien van het deel van de vordering dat ziet op vergoeding van immateriële schade overweegt de rechtbank als volgt.

Artikel 6:106, aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek (verder: BW) brengt mee dat de benadeelde recht heeft op een naar billijkheid vast te stellen immateriële schadevergoeding indien sprake is – voor zover voor de beoordeling in deze zaak van belang – van een aantasting in de persoon op ‘andere wijze’. Ook als het bestaan van geestelijk letsel niet kan worden aangenomen, is niet uitgesloten dat de aard en de ernst van de normschending en van de gevolgen daarvan voor de benadeelde, meebrengen dat van de in art. 6:106, aanhef en onder b, BW bedoelde aantasting in zijn persoon ‘op andere wijze’ sprake is. In zo’n geval zal degene die zich hierop beroept de aantasting in zijn persoon met concrete gegevens moeten onderbouwen. Dat is slechts anders indien de aard en de ernst van de normschending meebrengen dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen. Van een aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ als bedoeld in art. 6:106, aanhef en onder b, BW is niet reeds sprake bij de enkele schending van een fundamenteel recht.

De begroting van immateriële schade gebeurt naar billijkheid met inachtneming van alle omstandigheden van het geval, waaronder de aard van de aansprakelijkheid en de ernst van het aan de aansprakelijke te maken verwijt. Voorts dient de rechtbank bij de begroting, indien mogelijk, te letten op de bedragen die door Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen zijn toegekend. De rechtbank benadert deze begroting concreet via de methode van de Rotterdamse schaal.

De rechtbank overweegt dat de aard en ernst van de normschending, te weten het in de nacht opzettelijk teweegbrengen van een ontploffing met een vuurwerk-brandstof-combinatie bij de voordeur van de woning van de benadeelde partij, volgen uit de bewijsmiddelen waarin de specifieke omstandigheden van het gebeuren zijn geconcretiseerd.

De gevolgen voor de benadeelde partij blijken uit het schade-onderbouwingsformulier, waarvan de inhoud niet is weersproken, en de daarbij gevoegde schriftelijke slachtofferverklaring. Daaruit volgt dat de benadeelde partij sinds het incident kampt met sombere gevoelens, slapeloze nachten en herbelevingen en constant op zijn hoede is. Hij merkt dat hij moeite heeft om zijn gevoelens te remmen, waardoor hij soms heftig reageert op anderen. Hij is doorverwezen naar een psycholoog en de klachten die hij ervaart komen waarschijnlijk voort uit een trauma- en stressgerelateerde stoornis (PTSS), waarvoor hij inmiddels EMDR-behandelingen ondergaat. Daarnaast betreurt hij nog altijd dat hij in verband met de veiligheid noodgedwongen heeft moeten verhuizen. Hij voelt zich tot op de dag van vandaag niet thuis in de nieuwe woning, wat hem zeer verdrietig maakt.

Naar het oordeel van de rechtbank is deze aard en ernst van de normschending in samenhang bezien met de specifieke gevolgen daarvan voor de benadeelde van een zodanig gewicht, dat dit verder reikt dan de enkele schending van een fundamenteel recht. De rechtbank concludeert dat de benadeelde is aangetast in de persoon op andere wijze, niet zijnde geestelijk letsel, als bedoeld in artikel 6:106, eerste lid, sub b, BW.

In de Rotterdamse schaal (hoofdstuk 19.3, categorie ‘ernstig’) staat vermeld dat in geval van een ontploffing in of vlakbij de woning van de benadeelde, waar de benadeelde op dat moment aanwezig was, schadevergoedingen tussen € 1.000,00 en € 5.000,00 passend zijn. Met inachtneming van het voorgaande en rekening houdend met de vergoedingen die in soortgelijke zaken worden toegekend, begroot de rechtbank de immateriële schadevergoeding naar billijkheid op € 3.000,00. De rechtbank ziet geen aanleiding om de schadevergoedingsplicht te matigen. De rechtbank zal bepalen dat de schadevergoeding wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd (4 maart 2024) tot aan de dag van de algehele voldoening. De vordering zal voor het meerdere worden afgewezen.

Voorts wordt verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken, tot op heden begroot op nihil.

In het belang van [benadeelde partij 1] zal de rechtbank, als extra waarborg voor betaling, de schadevergoedingsmaatregel aan verdachte opleggen, zodat hij de schadevergoeding niet zelf hoeft te innen.

9.2

De vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 2]

De benadeelde partij [benadeelde partij 2] vordert betaling van € 5.000,00 aan vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

9.2.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering in het geheel wordt toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

9.2.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft verzocht de vordering niet-ontvankelijk te verklaren. Subsidiair heeft de raadsman verzocht naar billijkheid een lager bedrag vast te stellen dan wel de schadevergoedingsplicht aanzienlijk te matigen.

9.2.3

Het oordeel van de rechtbank

Artikel 6:106, aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek (verder: BW) brengt mee dat de benadeelde recht heeft op een naar billijkheid vast te stellen immateriële schadevergoeding indien sprake is – voor zover voor de beoordeling in deze zaak van belang – van een aantasting in de persoon op ‘andere wijze’. Ook als het bestaan van geestelijk letsel niet kan worden aangenomen, is niet uitgesloten dat de aard en de ernst van de normschending en van de gevolgen daarvan voor de benadeelde, meebrengen dat van de in art. 6:106, aanhef en onder b, BW bedoelde aantasting in zijn persoon ‘op andere wijze’ sprake is. In zo’n geval zal degene die zich hierop beroept de aantasting in zijn persoon met concrete gegevens moeten onderbouwen. Dat is slechts anders indien de aard en de ernst van de normschending meebrengen dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen. Van een aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ als bedoeld in art. 6:106, aanhef en onder b, BW is niet reeds sprake bij de enkele schending van een fundamenteel recht.

De begroting van immateriële schade gebeurt naar billijkheid met inachtneming van alle omstandigheden van het geval, waaronder de aard van de aansprakelijkheid en de ernst van het aan de aansprakelijke te maken verwijt. Voorts dient de rechtbank bij de begroting, indien mogelijk, te letten op de bedragen die door Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen zijn toegekend. De rechtbank benadert deze begroting concreet via de methode van de Rotterdamse schaal.

De rechtbank overweegt dat de aard en ernst van de normschending, te weten het ’s avonds laat opzettelijk teweegbrengen van een ontploffing met een vuurwerk-brandstofcombinatie bij de voordeur van de woning van de benadeelde partij, volgen uit de bewijsmiddelen waarin de specifieke omstandigheden van het gebeuren zijn geconcretiseerd.

De gevolgen voor de benadeelde partij blijken uit het schade-onderbouwingsformulier, waarvan de inhoud niet is weersproken, en de daarbij gevoegde schriftelijke slachtofferverklaring. Daaruit volgt dat de benadeelde partij nog altijd angstig en op haar hoede is en het niet prettig vindt om alleen thuis te zijn. Zij heeft tot op heden geen professionele ondersteuning gezocht voor hulp bij deze gevoelens, maar sluit niet uit dat dit in de toekomst alsnog noodzakelijk is. Verder betreurt zij nog altijd dat zij in verband met de veiligheid noodgedwongen heeft moeten verhuizen en voelt zij zich tot op de dag vandaag niet thuis in haar nieuwe woning, wat haar zeer verdrietig maakt.

Naar het oordeel van de rechtbank is deze aard en ernst van de normschending in samenhang bezien met de specifieke gevolgen daarvan voor de benadeelde van een zodanig gewicht, dat dit verder reikt dan de enkele schending van een fundamenteel recht. De rechtbank concludeert dat de benadeelde is aangetast in de persoon op andere wijze, niet zijnde geestelijk letsel, als bedoeld in artikel 6:106, eerste lid, sub b, BW.

In de Rotterdamse schaal (hoofdstuk 19.3, categorie ‘ernstig’) staat vermeld dat in geval van een ontploffing in of vlakbij de woning van de benadeelde, waar de benadeelde op dat moment aanwezig was, schadevergoedingen tussen € 1.000,00 en € 5.000,00 kunnen worden opgelegd. Met inachtneming van het voorgaande en rekening houdend met de vergoedingen die in soortgelijke zaken worden toegekend, begroot de rechtbank de immateriële schadevergoeding naar billijkheid op € 3.000,00. De rechtbank ziet geen aanleiding om de schadevergoedingsplicht te matigen. De rechtbank zal bepalen dat de schadevergoeding wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd (4 maart 2024) tot aan de dag van de algehele voldoening. De vordering zal voor het meerdere worden afgewezen.

Voorts wordt verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken, tot op heden begroot op nihil.

In het belang van [benadeelde partij 2] zal de rechtbank, als extra waarborg voor betaling, de schadevergoedingsmaatregel aan verdachte opleggen, zodat zij de schadevergoeding niet zelf hoeft te innen.

10 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 36f, 47, 63 (oud) en 157 van het Wetboek van Strafrecht.

11 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

medeplegen van opzettelijk een ontploffing teweegbrengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten is.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 125 (honderdvijfentwintig) dagen.

Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 1]

Wijst de vordering van de benadeelde partij toe tot een bedrag van

€ 7.855,59 (zevenduizend achthonderd vijfenvijftig euro en negenenvijftig eurocent) aan vergoeding van materiële en immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf de data zoals weergegeven in het onderstaand schema tot aan de dag van de algehele voldoening.

schadepost

schade

ingangsdatum wettelijke rente

Kosten nieuwe woning

€ 568,11

8 december 2024

Eigen risico

€ 281,33

1 januari 2026

Dubbele huurkosten

€ 1.055,62

1 november 2024

Aanschaf vloerbedekking

€ 2.950,53

8 december 2024

Smartengeld

€ 3.000

4 maart 2024


Wijst de vordering voor het meerdere af.

Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [benadeelde partij 1] voornoemd.

Veroordeelt verdachte tevens in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Schadevergoedingsmaatregel

Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [benadeelde partij 1] aan de staat

€ 7.855,59 (zevenduizend achthonderdvijfenvijftig euro en negenenvijftig eurocent) te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd (4 maart 2024) tot aan de dag van de algehele voldoening. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast voor de duur van 64 (vierenzestig) dagen. De toepassing van die gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.

Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 2]

Wijst de vordering van de benadeelde partij toe tot een bedrag van

€ 3.000,00 (drieduizend euro) aan vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd (4 maart 2024) tot aan de dag van de algehele voldoening.

Wijst de vordering voor het meerdere af.

Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [benadeelde partij 2] voornoemd.

Veroordeelt verdachte tevens in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Schadevergoedingsmaatregel

Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [benadeelde partij 2] aan de staat

€ 3.000,00 (drieduizend euro) te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd (4 maart 2024) tot aan de dag van de algehele voldoening. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast voor de duur van 30 (dertig) dagen. De toepassing van die gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.

Dit vonnis is gewezen door

mr. G.M. Beunk, voorzitter,

mrs. D.W.S. Gribling en R.P.F. de Groot, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. M.C. Lieberwirth, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 5 november 2026.

Hoge Raad 28 november 2017, ECLI:NL:HR:2017:3022. Hoge Raad 17 februari 2009, ECLI:NL:HR:2009:BG1653.