Strafrecht overig
Veroordeling verrichten van seksuele handelingen met een dier (art. 254d Sr) en vernieling meermalen…
Rechtbank Oost-Brabant, 6 november 2026
ECLI:NL:RBOBR:2026:7869 · Rechtbank Oost-Brabant · 6 november 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-oost-brabant/strafrecht/strafrecht-overig/eerste-aanleg-meervoudig/ecli-nl-rbobr-2026-7869
Zaakgegevens
Op 6 november 2026 heeft de Rechtbank Oost-Brabant in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Rechtbank Oost-BrabantRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- 's-Hertogenbosch
- Datum uitspraak
- 6 november 2026
- Datum publicatie
- 5 november 2026
- Zaaknummer
- 01-000575-25
- Rechtsgebied
- Strafrecht » Strafrecht overig
- Procedure
- Eerste aanleg - meervoudigMeervoudige kamerDe zaak is behandeld door drie rechters samen, meestal omdat zij ingewikkeld of zwaar is.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBOBR:2026:7869
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Veroordeling verrichten van seksuele handelingen met een dier (art. 254d Sr) en vernieling meermalen gepleegd. Taakstraf van 80 uur en een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van één maand. Toewijzing vordering benadeelde partij immateriële schade. Overweging over de bruikbaarheid van de door een dierenarts afgenomen bemonsteringen.
Uitspraak
[afbeelding niet beschikbaar] [afbeelding niet beschikbaar]vonnis
RECHTBANK OOST-BRABANT
Zittingsplaats ’s-Hertogenbosch
Team Strafrecht
Parketnummers: 01.000575.25 en 01.305472.24 (ter terechtzitting gevoegd)
Datum uitspraak: 6 november 2026
Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [2000] ,
wonende te [woonplaats] .
Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 23 oktober 2026.
Op de zitting van 23 oktober 2026 heeft de rechtbank de tegen verdachte, onder de hiervoor genoemde parketnummers, aanhangig gemaakte zaken gevoegd.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.
De tenlastelegging.
De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaardingen van 15 september 2026.
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
T.a.v. 01-000575-25 feit 1:
hij op of omstreeks 23 september 2024 te Oss, althans in Nederland:
- een of meer seksuele handeling(en) heeft verricht met een dier, en/of
- een dier een of meer seksuele handeling(en) heeft laten verrichten met verdachte, en/of
- een dier een of meer seksuele handeling(en) heeft laten ondergaan, die zijn verricht door verdachte en/of een derde,
te weten
door een paard in te smeren met olie en/of (vervolgens) (de kont) te betasten/aan te raken en/of (vervolgens) zijn geslachtsorgaan in de/het anus/rectum te brengen en/of (vervolgens) te penetreren en/of (vervolgens) klaar te komen;
T.a.v. 01-000575-25 feit 2:
hij op of omstreeks 23 september 2024 te Oss, althans in Nederland
zonder redelijk doel en/of met overschrijding van hetgeen ter bereiking van zodanig doel toelaatbaar was, bij een dier, te weten een paard, pijn en/of letsel heeft veroorzaakt en/of de gezondheid en/of het welzijn van dat dier heeft benadeeld,
door het paard in te smeren met olie en/of (vervolgens) (de kont) te betasten/aan te raken en/of (vervolgens) zijn geslachtsorgaan in de/het anus/rectum te brengen en/of (vervolgens) te penetreren en/of (vervolgens) klaar te komen;
zijnde de terminologie gebezigd in deze tenlastelegging in de zin van de Wet dieren
T.a.v. 01.305472.24 feit 1:
hij op of omstreeks 24 september 2024 te Oss, in elk geval in Nederland,
opzettelijk en wederrechtelijk een of meerdere personenauto(s), in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt;
De formele voorvragen.
Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaardingen geldig zijn. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in de vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.
De beoordeling van de ten laste gelegde feiten.
Het standpunt van de officier van justitie.
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het onder parketnummer 01-305472-24 ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen kan worden. Verder heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat het onder parketnummer 01-000575-25 onder feit 1 ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen kan worden. Tot slot heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat verdachte dient te worden vrijgesproken van hetgeen hem onder parketnummer 01-000575-25 onder feit 2 ten laste is gelegd, omdat wettig en overtuigend bewijs voor het veroorzaken van pijn of letsel bij het paard dan wel voor het benadelen van de gezondheid of het welzijn van het paard ontbreekt.
Het standpunt van de verdediging.
Op de in de pleitnota genoemde gronden en de daarop gegeven aanvullingen ter terechtzitting van 23 oktober 2026 heeft de verdediging vrijspraak bepleit van hetgeen verdachte onder parketnummer 01-000575-25 onder feit 1 ten laste is gelegd. Zij heeft daartoe aangevoerd dat de resultaten van het NFI-onderzoek door de wijze van afname van de bemonsteringen bij het paard onbetrouwbaar zijn en niet voor het bewijs gebruikt kunnen worden. Voorts stelt de verdediging dat het alert reageren van het paard op het inwendige onderzoek van de dierenarts zonder nadere informatie hieromtrent van onvoldoende gewicht is om tot een bewezenverklaring ten aanzien van het penetreren te komen. De overige handelingen kwalificeren niet zonder meer als seksuele handelingen.
Daarnaast heeft de verdediging vrijspraak bepleit van hetgeen verdachte onder parketnummer 01-000575-25 onder feit 2 ten laste is gelegd, omdat de rechtbank niet vast kan stellen dat het paard mishandeld dan wel benadeeld is in de zin van de Wet dieren.
De verdediging refereert zich aan het oordeel van de rechtbank ten aanzien van hetgeen verdachte onder parketnummer 01-305472-24 ten laste is gelegd.
Het oordeel van de rechtbank.
Ten aanzien van parketnummer 01-000575-25, feit 2.
De rechtbank is, evenals de officier van justitie en de verdediging, van oordeel dat verdachte van hetgeen onder parketnummer 01-000575-25 onder feit 2 ten laste is gelegd dient te worden vrijgesproken, omdat pijn of letsel bij het paard dan wel benadeling in zijn gezondheid of welzijn niet is bewezen.
De bewijsmiddelen.
De door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen zijn uitgewerkt in de aan dit vonnis gehechte bewijsbijlage. De inhoud daarvan dient als hier herhaald en ingelast te worden beschouwd.
Nadere overweging van de rechtbank ten aanzien van parketnummer 01-000575-25, feit 1.
Afname monsters.
De verdediging heeft aangevoerd dat de resultaten van het NFI-onderzoek onbetrouwbaar zijn vanwege de wijze waarop de monsters bij het paard zijn afgenomen. De rechtbank overweegt daaromtrent het volgende.
Uit het procesdossier stelt de rechtbank vast dat [dierenarts] op 23 september 2024 in de stal ter plaatse kwam. Zij nam, voordat de forensisch onderzoekers ter plaatse kwamen, met eigen apart verpakte steriele medische wattenstaafjes één monster af rondom de anus en twee monsters in de anus en het rectum van het paard. Zij deed dit omdat zij verwachtte dat het paard spoedig ontlasting zou hebben en dat deze ontlasting mogelijk aanwezige sporen zou kunnen aantasten. Daarna haalde ze met een handschoen de eerste aanwezige ontlasting uit de anus en stopte deze in een pot.
Omstreeks 09:15 uur is het forensisch onderzoek door de politie ingesteld. Op verzoek van de verbalisanten heeft [dierenarts] , middels een zedenset die normaal gebruikt wordt voor de afname van materiaal bij mensen, negen monsters afgenomen bij het paard.
Bruikbaarheid van het NFI-onderzoek.
De rechtbank is, anders dan de verdediging, van oordeel dat de bemonsteringen die de dierenarts in de aanwezigheid van de forensisch onderzoekers heeft afgenomen bruikbaar zijn voor het bewijs. Deze monsters zijn na aankomst van de forensische opsporing, op hun verzoek en onder hun toezicht, met een zedenset afgenomen. Dat de afname zelf is verricht door een dierenarts en niet door de forensische opsporing, maakt dat niet anders.
Ook de omstandigheid dat [dierenarts] eerst zelfstandig enkele bemonsteringen heeft genomen, leidt niet tot een ander oordeel. De reden daarvoor is dat Pepping als dierenarts beschikt over deskundigheid op het gebied van het onderzoeken van dieren. Uit het dossier blijkt verder dat zij is gespecialiseerd in paarden. Zij heeft bovendien apart verpakte steriele medische wattenstaafjes gebruikt. Uit deze handelwijze, en ook de gegeven toelichting dat zij zelfstandig bemonsteringen heeft gedaan omdat zij vermoedde dat het paard mogelijk snel ontlasting zou krijgen en dat deze ontlasting mogelijk aanwezige sporen zou kunnen aantasten, blijkt dat zij oog had voor het op een adequate wijze veiligstellen van sporen. Uit het dossier is ook niet gebleken van onregelmatigheden in de uitvoering van het sporenonderzoek.
Gezien het voorgaande verwerpt de rechtbank het verweer van de verdediging ten aanzien van de bruikbaarheid van de resultaten van het NFI-onderzoek.
Resultaten van het NFI-onderzoek.
Van twee monsters heeft het NFI de bewijskracht berekend: bemonstering ZAAE3145NL#02 (in de anus) en bemonstering ZAAE3145NL#04 (buitenkant van de peniskoker nat). Voor beide bemonsteringen geldt dat het DNA-profiel meer dan 1 miljard keer waarschijnlijker is wanneer het DNA afkomstig is van verdachte dan wanneer het DNA afkomstig is van een willekeurige onbekende persoon. De rechtbank concludeert gezien het voorgaande, en met inachtneming van de verdere inhoud van het dossier, dat het aangetroffen DNA van verdachte afkomstig is.
Voorts is er op zeven bemonsteringen een prostaatspecifiek antigeentest (hierna: PSA-test) uitgevoerd. Deze test toont aan of er humaan prostaatspecifiek antigeen (hierna: PSA) aanwezig is in de bemonstering. Dit eiwit wordt in hoge concentratie door de prostaat in spermavloeistof uitgescheiden. Ter terechtzitting is door de getuige-deskundige van het NFI verklaard dat een positieve PSA-test een sterke aanwijzing is voor de aanwezigheid van spermavloeistof in de bemonstering. Zij heeft daarbij toegelicht dat PSA weliswaar ook in andere lichaamsvloeistoffen voorkomt, maar dat de concentratie in spermavloeistof in vergelijking vele malen hoger is. Zij heeft voorts verklaard dat de PSA-test humaan specifiek is, zodat de omstandigheid dat de bemonsteringen bij een paard zijn afgenomen, niet tot een vals-positieve uitslag kan leiden. De PSA-test was positief voor onder meer bemonstering ZAAE3145NL#01 (om de anus nat) en ZAAE3145NL#04 (buitenkant van de peniskoker nat). De rechtbank concludeert gezien het voorgaande, en met inachtneming van de verdere inhoud van het dossier, dat zich om de anus en aan de buitenkant van de peniskoker van het paard humane spermavloeistof bevond.
Het binnendringen.
De rechtbank stelt, zoals reeds benoemd, vast dat bemonstering ZAAE3145NL#02 DNA van verdachte bevat. Deze bemonstering is afgenomen in de anus van het paard. Verder heeft de rechtbank geconcludeerd dat bemonstering ZAAE3145NL#01 humane spermavloeistof om de anus bevat. Voorts heeft de eigenares van het paard verdachte naakt in de stal aangetroffen, terwijl hij zich achter het paard bevond, met zijn gezicht naar het paard gericht. Gelet op de voornoemde feiten en omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat sprake is van voldoende wettig en overtuigend bewijs dat verdachte zijn geslachtsorgaan in de anus van het paard heeft gebracht. Deze feiten en omstandigheden vragen om een verklaring van verdachte. Hij heeft geen verklaring gegeven voor zijn aanwezigheid naakt in de stal of voor de aanwezigheid van zijn DNA in de anus van het paard, en het dossier biedt evenmin aanknopingspunten voor een andere verklaring.
Ten aanzien van parketnummer 01-305472-24 feit 1.
Verdachte heeft het onder parketnummer 01-305472-24 ten laste gelegde bij de politie bekend. De rechtbank acht dit feit, gelet op de bekennende verklaring van verdachte en de overige bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen.
Overige verweren.
Ter terechtzitting heeft de verdediging een aantal andere verweren gevoerd. Voor zover de rechtbank niet op die verweren heeft gereageerd, heeft de rechtbank die verweren als bewijsverweren aangemerkt. Die verweren vinden hun weerlegging in de inhoud van de bewijsmiddelen. Er zijn geen feiten en omstandigheden aangevoerd die de rechtbank doen twijfelen aan de betrouwbaarheid en bruikbaarheid van de bewijsmiddelen.
De bewezenverklaring.
Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de in de bewijsbijlage uitgewerkte bewijsmiddelen komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte
T.a.v. 01-000575-25 feit 1:
op 23 september 2024 te Oss:
- seksuele handelingen heeft verricht met een dier, door een paard in te smeren met olie en de kont aan te raken en zijn geslachtsorgaan in de anus te brengen en vervolgens te penetreren;
T.a.v. 01-305472-24 feit 1:
hij op 24 september 2024 te Oss,
opzettelijk en wederrechtelijk personenauto’s, die geheel of ten dele aan [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] toebehoorden heeft beschadigd en onbruikbaar gemaakt.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.
Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.
De bewijsmiddelen worden slechts gebezigd met betrekking tot het feit waarop zij in het bijzonder betrekking hebben.
De strafbaarheid van de feiten
Het bewezen verklaarde levert op de in de uitspraak vermelde strafbare feiten.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.
De strafbaarheid van verdachte.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.
Oplegging van straffen.
De eis van de officier van justitie.
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte voor de ten laste gelegde feiten onder parketnummer 01-000575-25 feit 1 en onder parketnummer 01-305472-24 zal worden veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 80 uren en een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van één maand met een proeftijd van twee jaren. Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.
Het standpunt van de verdediging.
De verdediging heeft de rechtbank verzocht – indien de rechtbank tot een bewezenverklaring komt – rekening te houden met de overschrijding van de redelijke termijn en de persoonlijke omstandigheden van verdachte, inhoudende dat verdachte inmiddels zijn leven op orde heeft, en te volstaan met een taakstraf.
Het oordeel van de rechtbank.
Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd, heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van de door verdachte gepleegde strafbare feiten betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.
De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
De ernst van de bewezenverklaarde feiten
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het verrichten van seksuele handelingen met een paard door de kont van het paard in te smeren met olie en zijn penis in de anus van het paard te brengen. Seksueel contact tussen mens en dier is in strijd met de goede zeden. De eigenaresse van het paard heeft verdachte naakt aangetroffen in de stal, terwijl hij zich aan de achterzijde van het paard bevond. De gebeurtenis heeft bij haar geleid tot hevige gevoelens van geschoktheid, angst en onveiligheid. Seksueel misbruik van dieren veroorzaakt daarnaast maatschappelijke onrust en verontwaardiging.
De dag erna heeft verdachte twee auto’s beschadigd door meerdere autobanden lek te steken met een mes en een van de autoruiten in te slaan met een plank. Verdachte heeft hiermee blijk gegeven geen respect te hebben voor de eigendommen van anderen.
De persoon van de verdachte
De rechtbank heeft acht geslagen op de justitiële documentatie aangaande verdachte van 7 september 2026 waaruit blijkt dat verdachte niet eerder voor soortgelijke strafbare feiten in aanraking is gekomen met justitie. Uit het reclasseringsadvies van 14 september 2026 volgt dat verdachte geen medewerking heeft willen verlenen aan het laten opstellen van een reclasseringsrapport. Hierdoor is geen delict analyse gemaakt. Wel beschrijft de reclassering dat verdachte de praktische leefgebieden zoals wonen en werk op orde heeft en dat hij momenteel begeleiding krijgt van PJ Professionals, met wie hij afspraken goed nakomt. Tevens is een schuldhulpverleningstraject opgestart. De reclassering adviseert negatief over een gevangenisstraf, omdat verdachte in dat geval zijn woning en werk zal kwijtraken. Volgens de reclassering bestaan geen contra-indicaties voor een taakstraf of een financiële sanctie.
De strafmodaliteit
Bij de beslissing over de straf die aan de verdachte dient te worden opgelegd, heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van het door de verdachte gepleegde strafbare feiten betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte.
De rechtbank is van oordeel dat in verband met een juiste normhandhaving oplegging van een taakstraf passend en geboden is.
Voorts zal de rechtbank aan verdachte een voorwaardelijke gevangenisstraf opleggen. Deze straf zal niet ten uitvoer worden gelegd als verdachte zich tot het einde van de hierna vast te stellen proeftijd aan de voorwaarde houdt dat hij zich niet aan een strafbaar feit schuldig zal maken. De rechtbank wil hiermee enerzijds de ernst van de door verdachte gepleegde strafbare feiten tot uitdrukking brengen en anderzijds invloed uitoefenen op het gedrag van de verdachte, opdat hij niet opnieuw een strafbaar feit begaat.
De rechtbank stelt vast dat sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn. Gelet op de beperkte duur van die overschrijding zal de rechtbank volstaan met de enkele constatering daarvan en daaraan geen strafvermindering verbinden.
Conclusie
Alle feiten en omstandigheden tegen elkaar afwegend, is de rechtbank van oordeel dat passend en geboden is verdachte te veroordelen tot een taakstraf voor de duur van 80 uren, subsidiair 40 dagen hechtenis. Daarnaast veroordeelt de rechtbank verdachte tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van één maand met een proeftijd van twee jaren.
Motivering van de beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 3] .
De vordering van de benadeelde partij.
De benadeelde partij heeft een vordering tot schadevergoeding ingediend tot een totaalbedrag van € 750,- bestaande uit immateriële schade. Zij heeft verzocht om het te vergoeden bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente en om een schadevergoedingsmaatregel op te leggen.
Het standpunt van de officier van justitie.
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de gevorderde immateriële schadevergoeding voor toewijzing in aanmerking komt. Ten aanzien van de hoogte refereert de officier van justitie zich aan het oordeel van de rechtbank onder oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Het standpunt van de verdediging.
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering niet-ontvankelijk verklaard dient te worden. Primair vanwege de door de verdediging bepleite vrijspraak. Subsidiair omdat geen sprake is van een aantasting in persoon ‘op andere wijze’ in de zin van artikel 6:106 lid 1 onder b van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW).
Het oordeel van de rechtbank
Op grond van artikel 6:106 lid 1 onder b van het BW acht de rechtbank naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid toewijsbaar, een immateriële schadevergoeding zoals gevorderd ter hoogte van € 750,-, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 23 september 2024 tot de dag der algehele voldoening. De benadeelde partij is onverwacht geconfronteerd met ernstig misbruik van haar paard door verdachte. Naar het oordeel van de rechtbank brengt de aard en de ernst van de normschending in dit geval mee dat de nadelige gevolgen voor de benadeelde partij zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen. Hierbij betrekt de rechtbank dat een paard in de gegeven omstandigheden als een betrekkelijk willoos slachtoffer moet worden beschouwd.
De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten van de benadeelde partij, tot op heden begroot op nihil. Verder wordt verdachte veroordeeld in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.
De rechtbank zal voor het toegewezen bedrag tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen, omdat de rechtbank het wenselijk acht dat de Staat schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 23 september 2024 tot de dag der algehele voldoening.
Aangezien aan verdachte meer verplichtingen tot vergoeding van dezelfde schade worden opgelegd, zal de rechtbank bepalen dat als verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij komt te vervallen en andersom, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij, daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat komt te vervallen.
Motivering van de beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] .
De vordering van de benadeelde partij
De benadeelde partij heeft een vordering ingediend tot een totaalbedrag van € 250,-, bestaande uit immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van een schadevergoedingsmaatregel. De in de vordering opgenomen materiële schade is gezien de vordering in haar geheel reeds vergoed.
Het standpunt van de officier van justitie.
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij in haar vordering tot vergoeding van de immateriële schade niet-ontvankelijk verklaard dient te worden.
Het standpunt van de verdediging.
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de gevorderde immateriële schadevergoeding niet voor toewijzing in aanmerking komt. Zij voert daartoe aan dat de vernieling van een voertuig geen grond oplevert voor vergoeding van immateriële schade in de zin van artikel 6:106 BW. Volgens de verdediging moet de benadeelde partij niet-ontvankelijk worden verklaard in de vordering, voor zover deze betrekking heeft op de gevorderde materiële schade. De reden daarvoor is dat de verzekeringsmaatschappij de schade al heeft vergoed.
Het oordeel van de rechtbank.
De rechtbank zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren ten aanzien van de gevorderde materiële schadevergoeding, omdat deze schade blijkens de vordering reeds door de verzekeringsmaatschappij is vergoed. De rechtbank zal de benadeelde partij ook niet-ontvankelijk verklaren ten aanzien van de gevorderde immateriële schadevergoeding. Er is gelet op het bepaalde in artikel 6:106 BW en vaste jurisprudentie over gevallen waarin wel of niet kan worden gesproken van een aantasting in de persoon van de benadeelde partij ‘op andere wijze’ en bij gebreke van een onderbouwing dat daar sprake van zou zijn, geen juridische grondslag op basis waarvan de benadeelde partij aanspraak kan maken op vergoeding van immateriële schade.
De benadeelde partij kan de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.
De rechtbank zal de benadeelde partij veroordelen in de proceskosten door verdachte ter verdediging tegen deze vordering gemaakt, tot op heden begroot op nihil.
Beslag.
De rechtbank is van oordeel dat het in het dictum nader te noemen inbeslaggenomen voorwerp vatbaar is voor verbeurdverklaring, omdat - zoals blijkt uit het onderzoek ter terechtzitting – dit een voorwerp is met betrekking tot welke het feit is begaan en dit voorwerp ten tijde van het begaan van de feiten aan verdachte toebehoorde.
Toepasselijke wetsartikelen.
De beslissing is gegrond op de artikelen:
9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 33, 33a, 36f, 57, 254d en 350 Wetboek van Strafrecht.
DE UITSPRAAK
De rechtbank:
spreekt verdachte vrij ten aanzien van 01-000575-25 feit 2.
verklaart het ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven.
verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.
Het bewezen verklaarde levert op de misdrijven:
t.a.v. 01-000575-25 feit 1:
het verrichten van seksuele handelingen met een dier
t.a.v. 01-305472-24 feit 1:
opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, beschadigen en onbruikbaar maken, meermalen gepleegd
verklaart verdachte hiervoor strafbaar.
legt op de volgende straffen.
- Een taakstraf voor de duur van 80 uren subsidiair 40 dagen hechtenis;
- Een gevangenisstraf voor de duur van 1 maand voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren
voorwaarde is, dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig zal maken aan een strafbaar feit.
verbeurdverklaring van het inbeslaggenomen goed, te weten:
01-000575-25: 1 STK Olie.
t.a.v. 01-000575-25 feit 1: Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 3] :
wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij toe en veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij, [slachtoffer 3] , van een bedrag van 750,00 euro, bestaande uit immateriële schade.
De vergoeding van immateriële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 23 september 2024 tot aan de dag der algehele voldoening.
veroordeelt verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de proceskosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken;
legt aan de verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van [slachtoffer 3] , van een bedrag van 750,00 euro.
bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 7 dagen. De toepassing van deze gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op.
Voormeld bedrag bestaat uit immateriële schade.
De vergoeding van immateriële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 23 september 2024 tot aan de dag der algehele voldoening.
Verdachte is van zijn schadevergoedingsplicht jegens de benadeelde bevrijd voorzover hij heeft voldaan aan een van de hem opgelegde verplichtingen tot vergoeding van deze schade.
Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] :
bepaalt dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in de vordering tot schadevergoeding.
veroordeelt de benadeelde partij in de proceskosten door verdachte ter verdediging tegen die vordering gemaakt, tot op heden begroot op nihil.
Dit vonnis is gewezen door:
mr. E.M. Vermeulen, voorzitter,
mr. A. Wolfs en mr. M.W.M. Bankers, leden,
in tegenwoordigheid van mr. J. Beex en R.E. Otto, griffiers,
en is uitgesproken op 6 november 2026.