Strafrecht overig
Veroordeling voor belaging en overtreding van een gedragsaanwijzing. Oplegging van een taakstraf van 180 uren…
Rechtbank Oost-Brabant, 6 november 2026
ECLI:NL:RBOBR:2026:7865 · Rechtbank Oost-Brabant · 6 november 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-oost-brabant/strafrecht/strafrecht-overig/eerste-aanleg-meervoudig/ecli-nl-rbobr-2026-7865
Zaakgegevens
Op 6 november 2026 heeft de Rechtbank Oost-Brabant in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Rechtbank Oost-BrabantRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- 's-Hertogenbosch
- Datum uitspraak
- 6 november 2026
- Datum publicatie
- 5 november 2026
- Zaaknummer
- 01-133785-25
- Rechtsgebied
- Strafrecht » Strafrecht overig
- Procedure
- Eerste aanleg - meervoudigMeervoudige kamerDe zaak is behandeld door drie rechters samen, meestal omdat zij ingewikkeld of zwaar is.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBOBR:2026:7865
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Veroordeling voor belaging en overtreding van een gedragsaanwijzing. Oplegging van een taakstraf van 180 uren en een voorwaardelijk gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden met bijzondere voorwaarden (contact- en locatieverbod), een contact- en een gebiedsverbod ex art. 38v Sr. Vordering benadeelde partij materieel geheel toegewezen, immaterieel deels toegewezen en deels niet-ontvankelijk met toekenning van de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Uitspraak
[afbeelding niet beschikbaar] [afbeelding niet beschikbaar]vonnis
RECHTBANK OOST-BRABANT
Locatie 's-Hertogenbosch
Strafrecht
Parketnummer: 01.133785.25
Datum uitspraak: 06 november 2026
Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [1995] ,
wonende te [woonplaats] ,
hierna te noemen: de verdachte.
Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 23 oktober 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van de verdachte naar voren is gebracht.
De tenlastelegging.
De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 16 september 2026.
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
t.a.v. feit 1:
hij in de periode van 15 maart 2025 tot 16 mei 2025 Geldrop en/of te Eindhoven, althans in Nederland, wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op eens anders persoonlijke levenssfeer, te weten die van [slachtoffer] , door
- die [slachtoffer] ongewenst berichten te sturen,
- die [slachtoffer] te bedreigen met het openbaar maken van seksueel getinte foto's/video's,
- [platform] accounts aan te maken en die [slachtoffer] op die accounts te intimideren en/of angst aan te jagen,
- personen uit de omgeving van die [slachtoffer] te benaderen (via berichten dan wel in persoon),
- maaltijden te bestellen en die te laten bezorgen bij die [slachtoffer] en/of bij familieleden van die [slachtoffer] en/of
- die [slachtoffer] op haar werk op te zoeken
(telkens) met het oogmerk die [slachtoffer] , te dwingen iets te doen, niet te doen, te dulden en/of vrees aan te jagen;
t.a.v. feit 2:
hij op of omstreeks 22 juli 2025 te Eindhoven, althans in Nederland, opzettelijk heeft gehandeld in strijd met een gedragsaanwijzing gegeven krachtens artikel 509hh, eerste lid, onderdeel b van het Wetboek van strafvordering, te weten de gedragsaanwijzing d.d. 6 mei 2025, gegeven door de officier van justitie te Oost Brabant, door die [slachtoffer] op te wachten en/of die [slachtoffer] te achtervolgen en/of die [slachtoffer] de woorden toe te voegen "dit is nog maar het begin", althans woorden van soortgelijke aard of strekking.
De formele voorvragen.
Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in de vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.
Bewijs.
Inleiding.
Op 25 maart 2025 werd door aangeefster [slachtoffer] (hierna te noemen: aangeefster) aangifte van sextortion/afpersing en computervredebreuk gedaan tegen de verdachte. Op 27 maart 2025 vindt een stopgesprek met de verdachte plaats. Op 11 april 2025 doet aangeefster wederom aangifte tegen de verdachte vanwege stalking en smaad/laster. Vervolgens wordt op 6 mei 2025 een gedragsaanwijzing aan de verdachte opgelegd. Hij mag geen contact meer hebben met aangeefster en zich – kort gezegd – niet ophouden in de buurt van haar woning en werk. Op 4 augustus 2025 maakt aangeefster melding bij de politie van het overtreden van deze gedragsaanwijzing door de verdachte.
Op basis van deze aangiftes, meldingen en naar aanleiding van het daarop volgende strafrechtelijke onderzoek is het bovenstaande aan de verdachte ten laste gelegd.
Het standpunt van de officier van justitie.
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat beide feiten wettig en overtuigend bewezen kunnen worden verklaard.
Het standpunt van de verdediging.
De verdediging refereert zich aan het oordeel van de rechtbank ten aanzien van de bewezenverklaring van hetgeen onder feit 1 ten laste is gelegd. Wel merkt de verdediging op dat de periode van hetgeen ten laste is gelegd dient te worden ingekort, namelijk met als ingangsdatum 27 maart 2025, de datum waarop het stopgesprek heeft plaatsgevonden.
Ten aanzien van feit 2 heeft de verdediging vrijspraak bepleit, aangezien de verdachte zijn gedragsaanwijzing niet opzettelijk heeft overtreden. Hij is aangeefster per toeval tegen gekomen en heeft niets tegen haar gezegd.
Het oordeel van de rechtbank.
Overweging t.a.v. feit 1.
De rechtbank acht het onder feit 1 ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen vanaf 27 maart 2025, te weten de datum van het stopgesprek met de verdachte. Vanaf dat moment was het de verdachte duidelijk dat de aangeefster met rust wilde worden gelaten en dat het een inbreuk op haar persoonlijke levenssfeer zou zijn als hij dat niet zou doen.
De rechtbank volstaat ten aanzien van het bewezen verklaarde feit met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig het bepaalde in artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering, nu de verdachte het hierna bewezen verklaarde feit duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend en de raadsvrouw geen vrijspraak heeft bepleit.
De bewijsmiddelen:
-
de bekennende verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting van 23 oktober 2026;
-
het proces-verbaal van aangifte, gedaan door [slachtoffer] d.d. 25 maart 2026 (p. 18-24);
-
het proces-verbaal van aangifte, gedaan door [slachtoffer] d.d. 11 april 2026 (p. 71-79);
-
het proces-verbaal van bevindingen d.d. 29 maart 2025 (p. 33);
-
het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige] d.d. 11 april 2026 (p. 103-105);
-
het proces-verbaal van bevindingen d.d. 22 april 2025 (p. 108); en
-
het proces-verbaal van bevindingen d.d. 8 juni 2025 (p. 166-175).
De bewijsmiddelen t.a.v. feit 2.
Gedragsaanwijzing d.d. 6 mei 2025 (p.
beveelt de verdachte:
Gebiedsverbod
zich niet op te houden in/op de [adres 1] en binnen een straal van 500 meter van de [adres 1] te Eindhoven
Gebiedsverbod
zich niet op te houden in/op de [adres 2] (alwaar gevestigd een winkel van " [winkel] ") en binnen een straal van 500 meter van de [adres 2] te Eindhoven
Contactverbod
zich te onthouden van contact met de volgende persoon: mw. [slachtoffer] ; bepaalt dat zulks met zich brengt dat verdachte noch direct (zelf), noch indirect (middels anderen) op enigerlei wijze contact (niet middels telefoon, niet middels internet (o.a. socials), niet via enig ander communicatiemiddel, noch middels direct persoonlijk contact, noch middels schriftelijke middelen) zal hebben met genoemde persoon
Periode
De gedragsaanwijzing gaat in met ingang van de dag van uitreiking en blijft van kracht voor een periode van 90 dagen, eindigend op 5 augustus 2025, tenzij binnen de gestelde termijn een onherroepelijke afdoening heeft plaatsgevonden van de uit onderhavige verdenking voortkomende strafzaak.
Proces-verbaal aanvullend verhoor aangever [slachtoffer] d.d. 4 augustus 2025 (p. 8 - 10), voor zover inhoudende:
[p. 8] V: Wat kan jij mij vertellen over wat er gebeurd is?
A: Op 22 Juli 2025 tussen omstreeks 16.00 en 16.30 uur, was ik samen met een vriendin genaamd [vriendin van slachtoffer] , in de binnenstad van Eindhoven. Ik moest geld storten bij de [bank] , deze is gelegen op de [adres 3] in Eindhoven. Toen wij daar heen liepen zag ik [verdachte] al lopen. Ik dacht als hij geen contact met mij op zoekt en door loopt zou ik dat prima vinden. Ik liep samen met mijn vriendin naar binnen en ik zag dat [verdachte] ook naar binnen liep. (...)
. Nadat ik het geld had gestort en het pand verliet met mijn vriendin zag ik [verdachte] aankomen lopen. Ik hoorde dat hij het volgende tegen mij zei: " [slachtoffer] dit is nog het begin".
[p. 9] V: Hoe weet je zeker dat het [verdachte] was?
A: Ik heb een relatie met hem gehad dus herkende [verdachte] meteen. Hij keek mij ook
recht in mijn ogen aan.
V: Wat voor kleding had jij aan?
A: Ik had een zwart topje aan waarbij één schouder open is en een zwarte broek.
V: Wat voor kleding had [verdachte] aan?
A: Hij had een beige broek aan, een roze t-shirt met korte mouwen, een zwarte
bodywarmer, een bruine pet en een zonnebril.
Proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 4 augustus 2026 (p. 16 - 17), voor zover inhoudende:
[p. 16] Ik ben getuige geweest van een incident wat zich afspeelde op dinsdag 22 juli 2025, omstreeks 16.30 uur. Ik was samen met [slachtoffer] , een vriendin van mij, bij een bank, genaamd [bank] , om geld te pinnen. (...) Ik stond, samen met [slachtoffer] , buiten bij de [bank] bank. Ik hoorde dat [slachtoffer] tegen mij zei dat haar oude flirt verderop liep. Ik zei tegen [slachtoffer] dat we naar binnen gingen. Dit deden we omdat we niet wilde dat de persoon naar ons toe kwam. Ik zag de persoon de [bank] bank binnen liep. Ik zag dat hij in onze richting in liep. Ik hoorde dat hij niets tegen ons zei. Ik zag dat hij oog contact maakte met [slachtoffer] . Ik zag dat [slachtoffer] erg bang was en begon te trillen. (...) Ik zag dat de persoon de bank verliet. Wij wilden toen ook de bank verlaten. Op het moment dat wij de bank verlieten zagen wij dat de persoon ons voorbij liep. Ik hoorden dat de persoon tegen ons zei: "Het begint nu pas".
Proces-verbaal van bevindingen d.d. 9 augustus 2025
[p. 26] Bestanden camerabeelden
Ik, [verbalisant] bekeek de middels een vordering verkregen camerabeelden
Ik zag dat er vijf filmpjes waren veiliggesteld.
Ik zag dat rechtsboven in beeld in witte cijfers stond weergegeven: 22-7-2025 15:55:20, duidende op de datum en tijd.(…)
Bestand Buitenzijde Entree Links:
Ik zag dat de camera zicht had op de mij ambtshalve bekende [adres 3] te Eindhoven. Ik zag dat er meerdere mensen daar op straat liepen.
16:24:11 uur: Ik zag dat aangever/benadeelde [slachtoffer] samen met haar vriendin richting de [bank] liep. Ik zag dat aangever/benadeelde [slachtoffer] in het zwart was gekleed en zij droeg haar lange zwarte haren los. n.
[p. 27] 16:24:21 uur: Ik zag dat verdachte [verdachte] vanuit de overkant van de straat direct ook bij de [bank] naar binnen liep. Ik zag dat verdachte [verdachte] was gekleed in een wit T-shirt, daaroverheen een zwarte bodywarmer en daaronder droeg hij een lange beige broek en witte sportschoen.
16:31:03 uur: Ik zag aangever/benadeelde [slachtoffer] boven in beeld verschijnen.
Ik zag dat haar vriendin naast haar liep. Ik zag dat ze richting de [bank] liepen, gelegen in de [adres 3] te Eindhoven. Ik zag dat ze daar naar binnen gingen.
16:32:38 uur: Ik zag dat verdachte [verdachte] onder in beeld kwam.
Ik zag dat hij voorbij de [bank] liep en naar binnen keek. Ik zag dat [verdachte] een stukje verderop stil ging staan. Ik zag dat hij een stukje terug liep richting de [bank] . Ik zag dat hij stil stond en uit een flesje dronk.
16:33:58 uur: Ik zag dat aangever/benadeelde [slachtoffer] samen met haar vriendin weer naar buiten kwamen vanuit de [bank] . Ik zag dat verdachte [verdachte] direct achter hen aan
ging.
[p. 29] Resumé :
Op deze camerabeelden zag ik dat verdachte [verdachte] direct achter aangever/benadeelde [slachtoffer] de [bank] inliep en tussen hen door liep toen zij naar buiten liepen toen ze verdachte [verdachte] zagen.
Vervolgens zag ik dat verdachte [verdachte] even later voorbij de [bank] liep en duidelijk naar binnen keek. Op dat moment stonden aangever/benadeelde [slachtoffer] en haar vriendin daarbinnen.
Ik zag dat verdachte [verdachte] vervolgens bleef wachten. Toen aangever/benadeelde [slachtoffer] en haar vriendin vanuit de [bank] naar buiten liepen kwam verdachte [verdachte] terug en liep achter aangever/benadeelde [slachtoffer] en haar vriendin aan. Hij liep dus terug in de richting waar hij even daarvoor vandaan was gekomen.
Opmerking :
Ik heb de verdachte die ik op deze camerabeelden zag vergeleken met een foto van verdachte [verdachte] uit het politiesysteem. Ik zag dat de persoon op deze camerabeelden sterke gelijkenissen had met verdachte [verdachte] .
Overweging t.a.v. feit 2.
Op basis van de beschikbare bewijsmiddelen stelt de rechtbank vast dat aan de verdachte op 6 mei 2025 een gedragsaanwijzing is opgelegd. Op 22 juli 2025 gaat aangeefster samen met een vriendin geld storten bij een [bank] . Wanneer aangeefster en haar vriendin daar naar binnen lopen, gaat de verdachte ook direct de [bank] binnen. Wanneer zij de verdachte zien, gaan zij direct weer naar buiten. Wanneer aangeefster na enkele minuten terug is gekeerd naar de [bank] , is de verdachte nog in de buurt van de [bank] , kijkt hij daar naar binnen en blijft hij buiten staan wachten. De verdachte loopt achter aangeefster en haar vriendin aan wanneer zij weer naar buiten komen. Aangeefster en haar vriendin verklaren beiden dat de verdachte de woorden “dit is nog maar het begin” of woorden van gelijke strekking heeft uitgesproken op het moment dat ze hem passeren.
De verdachte ontkent dat hij de gedragsaanwijzing heeft overtreden en verklaart dat hij aangeefster per ongeluk is tegengekomen en niets tegen aangeefster heeft gezegd. De rechtbank is van oordeel dat de omstandigheden die volgen uit de bewijsmiddelen, en met name de door de politie omschreven camerabeelden, maken dat de verklaring van verdachte niet wordt gevolgd. Hetgeen aangeefster en haar vriendin hebben verklaard over het contact met verdachte sluit immers aan op de camerabeelden die door de politie zijn beschreven. Ook hebben zij allebei verklaard dat de verdachte woorden met een bepaalde strekking tegen aangeefster heeft gezegd.
Gelet hierop acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de aan hem opgelegde gedragsaanwijzing heeft overtreden.
De bewezenverklaring.
Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de hierboven opgesomde (feit 1) en uitgewerkte (feit 2) bewijsmiddelen komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat de verdachte
t.a.v. feit 1:
in de periode van 27 maart 2025 tot 16 mei 2025 in Nederland wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op eens anders persoonlijke levenssfeer, te weten die van [slachtoffer] , door
- [slachtoffer] te bedreigen met het openbaar maken van seksueel getinte foto's/video's,
- [platform] accounts aan te maken en [slachtoffer] op die accounts te intimideren en angst aan te jagen,
- personen uit de omgeving van [slachtoffer] te benaderen via berichten dan wel in persoon,
- maaltijden te bestellen en die te laten bezorgen bij [slachtoffer] en bij familieleden van [slachtoffer] en
- [slachtoffer] op haar werk op te zoeken
telkens met het oogmerk [slachtoffer] , te dwingen iets te dulden en vrees aan te jagen;
t.a.v. feit 2:
op 22 juli 2025 te Eindhoven opzettelijk heeft gehandeld in strijd met een gedragsaanwijzing gegeven krachtens artikel 509hh, eerste lid, onderdeel b van het Wetboek van strafvordering, te weten de gedragsaanwijzing d.d. 6 mei 2025, gegeven door de officier van justitie te Oost-Brabant, door [slachtoffer] op te wachten en [slachtoffer] te achtervolgen en [slachtoffer] de woorden toe te voegen "dit is nog maar het begin", althans woorden van soortgelijke aard of strekking.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.
De bewijsmiddelen worden slechts gebezigd met betrekking tot het feit waarop zij in het bijzonder betrekking hebben.
Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. De verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.
De strafbaarheid van het feit.
Het bewezen verklaarde levert op de in de uitspraak vermelde strafbare feiten.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.
De strafbaarheid van de verdachte.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.
Oplegging van straffen en maatregelen.
De eis van de officier van justitie.
De officier van justitie eist oplegging van een taakstraf voor de duur van 240 uren, te vervangen door 120 dagen hechtenis indien deze taakstraf niet of niet naar behoren wordt verricht, en een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van één maand met een proeftijd van twee jaar.
Ten slotte verzoekt de officier van justitie over te gaan tot oplegging van een maatregel ex artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht (hierna te noemen: Sr) voor de duur van 2 jaren, inhoudende een contactverbod met aangeefster en een locatieverbod binnen een straal van 500 meter van de straten waarin aangeefster werkt, woont en naar school gaat. De officier van justitie verzoekt de rechtbank de dadelijke uitvoerbaarheid van deze vrijheidsbeperkende maatregel te bevelen.
Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.
Het standpunt van de verdediging.
De verdediging heeft de rechtbank verzocht bij de strafoplegging rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte en merkt daarbij op dat een taakstraf minder ingrijpend zou zijn voor de verdachte dan een gevangenisstraf, aangezien een onvoorwaardelijke gevangenisstraf als gevolg zou kunnen hebben dat hij zijn woning zal verliezen. Ook verzoekt de verdediging een eventueel contact- en locatieverbod in het kader van bijzondere voorwaarden op te leggen en niet als maatregel ex artikel 38v Sr.
Het oordeel van de rechtbank.
Bij de beslissing over de straf die aan de verdachte dient te worden opgelegd, heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van het door de verdachte gepleegde strafbare feit betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte.
De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
De ernst van de feiten.
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan belaging van aangeefster, zijn ex partner, over een periode van ongeveer anderhalve maand. Zo heeft de verdachte gedreigd met het openbaar maken van seksueel getinte foto’s/video’s van aangeefster, aangeefster geïntimideerd via nep [platform] -accounts en heeft hij meerdere personen in haar omgeving in persoon en online benaderd. Ook heeft de verdachte diverse keren eten laten bezorgen bij aangeefster thuis en bij haar zus waarvoor nog betaald moest worden en heeft hij aangeefster op haar werk opgezocht. Vervolgens heeft de verdachte op 22 juli 2025 ook de aan hem opgelegde gedragsaanwijzing overtreden.
De verdachte heeft bij de belaging gegevens gebruikt die hij van aangeefster heeft verkregen op het moment dat zij nog een relatie hadden en daarmee misbruik gemaakt van een situatie waarin aangeefster hem vertrouwde. De verdachte heeft met zijn handelen een onveilig gevoel voor aangeefster gecreëerd. De verdachte heeft privéomstandigheden van aangeefster gebruikt om haar extra angst aan te jagen. Dat rekent de rechtbank de verdachte zwaar aan. Dat de belaging een grote indruk heeft gemaakt op aangeefster en dat de emotionele gevolgen van de belaging duidelijk aanwezig zijn, blijkt uit de ter terechtzitting voorgedragen slachtofferverklaring en de toelichting op de vordering tot schadevergoeding.
De persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte.
Kijkend naar de persoon van de verdachte, houdt de rechtbank rekening met de omstandigheid dat de verdachte eerder is veroordeeld voor soortgelijk gedrag en dat aan hem forse straffen zijn opgelegd.
De op te leggen straffen.
Bij haar beslissing over de strafsoort en de hoogte van de straf heeft de rechtbank aansluiting gezocht bij straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd. De jurisprudentie dient als vertrekpunt bij het bepalen van de straf.
De taakstraf en voorwaardelijke gevangenisstraf.
De rechtbank acht een taakstraf voor de duur van 180 uren, te vervangen door 90 dagen hechtenis indien deze taakstraf niet of niet naar behoren wordt verricht, passend en geboden.
Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat in verband met een juiste normhandhaving niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of geringere straf dan een gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden.
De rechtbank zal deze gevangenisstraf geheel voorwaardelijk opleggen om de verdachte ervan te weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen.
Deze gevangenisstraf zal dan ook niet ten uitvoer worden gelegd als de verdachte zich tot het einde van de hierna vast te stellen proeftijd aan de voorwaarde houdt dat hij zich niet aan een strafbaar feit zal schuldig maken. Aan deze voorwaardelijke straf zullen ook de na te noemen bijzondere voorwaarden worden gekoppeld ter voorkoming van recidive en ter bescherming van de belangen van aangeefster.
De op te leggen maatregel.
Contact- en gebiedsverboden.
Om strafbare feiten te voorkomen en ter beveiliging van aangeefster zal de rechtbank ook een vrijheidsbeperkende maatregel opleggen als bedoeld in artikel 38v Sr, bestaande uit contact- en gebiedsverboden zoals nader te melden, voor de duur van 2 jaren. De gebiedsverboden betreffen de straten waarin aangeefster woont, werkt en naar school gaat.
Voor elke keer dat de verdachte de op te leggen verboden overtreedt, zal vervangende hechtenis van twee weken worden opgelegd. De totale duur van de vervangende hechtenis bedraagt ten hoogste 6 maanden. De hechtenis heft de verplichtingen op grond van de maatregel niet op.
De rechtbank is van oordeel dat de contact- en gebiedsverboden voor een periode van 2 jaren noodzakelijk zijn om de kans dat aangeefster met de verdachte wordt geconfronteerd te minimaliseren en voor haar om zich veilig te kunnen voelen.
Nu er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte zich belastend zal gedragen jegens aangeefster zal de rechtbank bevelen dat deze maatregel dadelijk uitvoerbaar is.
De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] .
De benadeelde partij vordert een bedrag van € 290,19 aan materiële en een bedrag van
€ 5.000,-- aan immateriële schadevergoeding, vermeerderd met wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Het standpunt van de officier van justitie.
De officier van justitie is van mening dat de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij kan worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Het standpunt van de verdediging.
De verdediging stelt zich op het standpunt dat de gevorderde immateriële schadevergoeding te hoog is en stelt vragen bij het causale verband van de gestelde psychische schade en de gedragingen van verdachte. De verdediging verzoekt de rechtbank het toe te wijzen bedrag aan immateriële schadevergoeding te matigen. Ten aanzien van de gevorderde materiële schadevergoeding heeft de verdediging geen opmerkingen.
Beoordeling.
De rechtbank acht toewijsbaar, als rechtstreeks door de bewezen verklaarde feiten toegebrachte schade, de volgende onderdelen van de vordering te weten immateriële schadevergoeding ten bedrage van € 3.500,00 vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 21 april 2025, te weten het midden van de bewezenverklaarde periode, en materiële schadevergoeding ten bedrage van € 290,19 vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 13 juli 2026 tot aan de dag der algehele voldoening.
Ten aanzien van de immateriële schadevergoeding overweegt de rechtbank als volgt.
Op grond van artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek (BW) heeft de benadeelde partij recht op een naar billijkheid vast te stellen vergoeding van de immateriële schade. De rechtbank stelt vast dat sprake is van een aantasting in de persoon in de zin van artikel 6:106, aanhef en onder b, BW, gelet op de onderbouwing van de vordering van de benadeelde partij. De rechtbank is van oordeel dat het handelen van de verdachte, namelijk het belagen van de benadeelde partij over een periode van anderhalve maand, zowel direct als indirect via familieleden en bekenden, waarbij de verdachte gebruik heeft gemaakt van communicatiemiddelen en heeft gedreigd misbruik te maken van een al zeer precaire privésituatie van de benadeelde partij, maakt dat de psychische gevolgen die de benadeelde partij heeft overgehouden aan het plegen van de feiten voldoende in causaal verband staan met de gestelde schade.
De rechtbank ziet dan ook, gelet op de door de benadeelde partij gestelde omstandigheden, de aard en ernst van de normschending en rekening houdend met vergoedingen die in soortgelijke zaken worden toegekend, aanleiding een deel van de gevorderde immateriële schadevergoeding toe te wijzen. De rechtbank zoekt bij het vaststellen van de hoogte van de toe te kennen vergoeding onder meer aansluiting bij de categorisering van de Rotterdamse schaal.
De rechtbank is van oordeel dat schadevergoeding ter hoogte van € 3.500,00 euro in onderhavige kwestie passend is.
De rechtbank zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in het overige gedeelte van de vordering, te weten de meer gevorderde immateriële schadevergoeding ten bedrage van € 1.500,00. De benadeelde partij kan dit onderdeel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.
De rechtbank zal de verdachte veroordelen in de kosten van de benadeelde partij tot op heden begroot op nihil.
Verder wordt de verdachte veroordeeld in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.
Schadevergoedingsmaatregel.
De rechtbank zal voor het toegewezen bedrag tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen, nu de rechtbank het wenselijk acht dat de Staat schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de genoemde data tot de dag der algehele voldoening.
Aangezien aan de verdachte meer verplichtingen tot vergoeding van dezelfde schade worden opgelegd, zal de rechtbank bepalen dat als de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij komt te vervallen en andersom, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij, daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat komt te vervallen.
Beslag.
De rechtbank is van oordeel dat de inbeslaggenomen iPhone 14 pro, vatbaar is voor verbeurdverklaring, omdat - zoals blijkt uit het onderzoek ter terechtzitting – dat dit een voorwerp is met betrekking tot welke feit 1 is begaan en dit voorwerp ten tijde van het begaan van het feit aan de verdachte toebehoorde.
Daarnaast zal de rechtbank de teruggave gelasten van de overige in het dictum nader te noemen inbeslaggenomen voorwerpen aan de verdachte nu naar het oordeel van de rechtbank het belang van strafvordering zich niet meer verzet tegen de teruggave van de inbeslaggenomen goederen.
Toepasselijke wetsartikelen.
De beslissing is gegrond op de artikelen:
9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 33, 33a, 36f, 38v, 38w, 57, 184a, 285b Sr.
DE UITSPRAAK
De rechtbank:
Verklaart het ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.
Het bewezen verklaarde levert op de misdrijven:
t.a.v. feit 1:
belaging
t.a.v. feit 2:
opzettelijk handelen in strijd met een gedragsaanwijzing, gegeven krachtens artikel 509hh, eerste lid, onderdeel b, van het Wetboek van Strafvordering
verklaart de verdachte hiervoor strafbaar.
Legt op de volgende straffen en maatregelen.
T.a.v. feit 1, feit 2:
- een taakstraf voor de duur van 180 uren subsidiair 90 dagen hechtenis
en
- een gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren
Voorwaarde is dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig zal maken aan een strafbaar feit.
En stelt als bijzondere voorwaarden:
1. dat de veroordeelde gedurende de proeftijd op geen enkele wijze – direct of indirect – contact zoekt of heeft met [slachtoffer] , geboren op [2002] ; en
2. dat de veroordeelde zich gedurende de proeftijd zich niet zal ophouden/bevinden op of in de directe nabijheid (binnen een straal van 500 meter) van nagenoemde straten:
- [adres 1] te Eindhoven;
- [adres 2] te Eindhoven; en
- [adres 4] te Eindhoven.
Geeft opdracht aan de politie om toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden genoemd onder 1 en 2.
Hierbij geldt als voorwaarden dat de veroordeelde meewerkt aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een geldig identiteitsbewijs ter inzage aanbiedt om de identiteit vast te stellen.
- een contactverbod voor de duur van 2 jaren.
Dit contactverbod houdt in dat veroordeelde gedurende 2 jaren op geen enkele wijze – direct of indirect – contact zal opnemen, zoeken of hebben met:
- [slachtoffer] , geboren op [2002] .
Beveelt dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor het geval niet aan de maatregel wordt voldaan. De duur van deze vervangende hechtenis bedraagt 2 weken voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan.
De totale duur van de ten uitvoer gelegde vervangende hechtenis bedraagt ten hoogste zes maanden.
Toepassing van de vervangende hechtenis heft de verplichtingen ingevolge de opgelegde maatregel niet op.
- een gebiedsverbod voor de duur van 2 jaren.
Dit gebiedsverbod houdt in dat veroordeelde gedurende 2 jaren zich niet zal ophouden/bevinden op of in de directe nabijheid (binnen een straal van 500 meter) van nagenoemde straten:
- [adres 1] te Eindhoven;
- [adres 2] te Eindhoven; en
- [adres 4] te Eindhoven.
Beveelt dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor het geval niet aan de maatregel wordt voldaan. De duur van deze vervangende hechtenis bedraagt 2 weken voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan.
De totale duur van de ten uitvoer gelegde vervangende hechtenis bedraagt ten hoogste zes maanden.
Toepassing van de vervangende hechtenis heft de verplichtingen ingevolge de opgelegde maatregel niet op.
Omdat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de veroordeelde opnieuw een strafbaar feit zal plegen en/of zich belastend zal gedragen jegens een bepaalde persoon of bepaalde personen, beveelt de rechter, gelet op artikel 38v lid 4 Sr, dat de opgelegde maatregelen dadelijk uitvoerbaar zijn.
- Legt aan de verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van [slachtoffer] , van een bedrag van 3.790,19 euro.
Bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 37 dagen. De toepassing van deze gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op.
Voormeld bedrag bestaat uit 290,19 euro materiële schadevergoeding en 3.500,00 euro immateriële schadevergoeding.
De vergoeding van materiële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 13 juli 2026 tot aan de dag der algehele voldoening. De vergoeding van immateriële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 21 aprilt 2025 tot aan de dag der algehele voldoening.
- Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] :
Wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij gedeeltelijk toe en veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij, [slachtoffer] , van een bedrag van 3.790,19 euro, bestaande uit 290,19 euro materiële schadevergoeding en 3.500,00 euro immateriële schadevergoeding.
De vergoeding van materiële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 13 juli 2026 tot aan de dag der algehele voldoening. De vergoeding van immateriële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 21 april 2025 tot aan de dag der algehele voldoening.
Veroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot heden begroot op nihil, en in de proceskosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken.
Bepaalt dat de benadeelde partij in de vordering voor het overige niet-ontvankelijk is en de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijk rechter kan aanbrengen.
De verdachte is van zijn schadevergoedingsplicht jegens de benadeelde partij bevrijd voorzover hij heeft voldaan aan een van de hem opgelegde verplichtingen tot vergoeding van deze schade.
- Verbeurdverklaringvan het inbeslaggenomen goed, te weten: 1 stk gsm [merk 1]
- Teruggaveinbeslaggenomen goederen, vermeld op de lijst van inbeslaggenomen voorwerpen:
-
1 STK USB-stick (memorykaart)Randapparatuur [merk 2] 16gb;
-
1 STK USB-stick (memorykaart)Randapparatuur [merk 3] 16gb;
-
1 STK USB-stick (memorykaart)Randapparatuur [merk 4] 4gb;
-
1 STK USB-stick (memorykaart)Randapparatuur [merk 5] ;
-
1 STK Computer Computer [merk 6] ;
-
1 STK Kabel [merk 7] ;
-
1 STK GSM Communicatieap [merk 8] ,
aan de redelijkerwijs als rechthebbende aan te merken persoon, te weten de verdachte.
Dit vonnis is gewezen door:
mr. S.J.W. Hermans, voorzitter,
mr. J.H.L.M. Snijders en mr. G.P. de Gruijter, leden,
in tegenwoordigheid van mr. F.H.R.M. Robbers, griffier,
en is uitgesproken op 06 november 2026.