Strafrecht overig

Veroordeling voor mensensmokkelfeiten. Taakstraf van 160 uur en voorwaardelijke gevangenisstraf van één…

Rechtbank Oost-Brabant, 6 november 2026

Zaakgegevens

Op 6 november 2026 heeft de Rechtbank Oost-Brabant in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Zittingsplaats
's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
6 november 2026
Datum publicatie
5 november 2026
Zaaknummer
82-070813-25
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
ECLI
ECLI:NL:RBOBR:2026:7868
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Veroordeling voor mensensmokkelfeiten. Taakstraf van 160 uur en voorwaardelijke gevangenisstraf van één maand. Openbaar ministerie ontvankelijk ondanks eerdere bestuurlijke boete op grond van de Wet arbeid vreemdelingen (ne bis in idem).

Uitspraak

[afbeelding niet beschikbaar] [afbeelding niet beschikbaar]vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats ’s-Hertogenbosch

Team Strafrecht

Parketnummer: 82.070813.25

Datum uitspraak: 06 november 2026

Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [1968] ,

wonende te [woonplaats] .

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 23 oktober 2026.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 19 juni 2026.

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

T.a.v. feit 1:

zij in of omstreeks de periode van 18 mei 2023 tot en met 5 juni 2023 te Amsterdam, Haarlemmermeer en/of Almere, althans in Nederland,

een ander, te weten [slachtoffer 1] , behulpzaam is geweest bij het zich verschaffen van toegang tot of doorreis door Nederland, of haar daartoe gelegenheid, middelen of inlichtingen heeft verschaft,

door de vliegtickets van die [slachtoffer 1] te betalen, haar de instructie te geven te doen alsof ze op vakantie kwam en haar daarvoor van een uitnodigingsmail te voorzien,

terwijl zij, verdachte wist of ernstige redenen had te vermoeden dat die toegang of die doorreis wederrechtelijk was;

T.a.v. feit 2 primair:

zij in of omstreeks de periode van 3 september 2022 tot en met 24 november 2023 te Amsterdam en/of Almere, althans in Nederland,

een of meer anderen, te weten [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] ,

uit winstbejag behulpzaam is geweest bij het zich verschaffen van verblijf in Nederland of haar/hen daartoe gelegenheid, middelen of inlichtingen heeft verschaft,

door het huisvesten en tewerkstellen van die [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] ,

terwijl zij, verdachte, wist of ernstige redenen had te vermoeden dat dat verblijf wederrechtelijk was

en verdachte, van het plegen van dit feit een beroep of gewoonte heeft gemaakt;

t.a.v. feit 2 subsidiair:

zij in of omstreeks de periode van 3 september 2022 tot en met 24 november 2023 te

Amsterdam en/of Almere, althans in Nederland,

een of meer anderen, te weten [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3]

, die zich wederrechtelijk toegang tot of verblijf in Nederland hadden

verschaft,

krachtens overeenkomst of aanstelling arbeid heeft doen verrichten,

terwijl verdachte wist of ernstige redenen had om te vermoeden dat de toegang of

dat verblijf wederrechtelijk was.

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen.

De ontvankelijkheid van de officier van justitie.

Het standpunt van de verdediging.

Op de in de pleitnota genoemde gronden en de daarop mondeling gegeven aanvullingen ter terechtzitting van 23 oktober 2026 heeft de verdediging niet-ontvankelijkheid bepleit van de officier van justitie. De verdediging voert daartoe aan dat er reeds een bestuurlijke sanctie aan verdachte is opgelegd op grond van de Wet arbeid vreemdelingen (hierna: Wav) voor dezelfde gedraging van verdachte als de huidige strafrechtelijke vervolging. Deze bestuurlijke sanctie is als een “criminal charge” aan te merken in de zin van artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (hierna: EVRM). De verdediging stelt dat met de strafrechtelijke vervolging het ne bis in idem en het una via beginsel wordt geschonden. De verdediging haalt ter motivering van het voorgaande onder meer een arrest van de Hoge Raad van 6 oktober 2026 (ECLI:NL:HR:2026:1578) aan en concludeert dat in onderhavige procedure strafrechtelijke vervolging plaatsvindt voor ‘hetzelfde feit’ in de zin van artikel 68 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) als waarvoor reeds een bestuurlijke boete aan verdachte is opgelegd.

Het standpunt van de officier van justitie.

Op de in het schriftelijk requisitoir genoemde gronden en de daarop gegeven aanvulling ter terechtzitting van 23 oktober 2026 heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat zij ontvankelijk is in de vervolging. De officier van justitie voert daartoe het volgende aan. De geldboete die aan verdachte is opgelegd ziet op overtreding van artikel 2 en 15a Wav. Uit jurisprudentie van de Hoge Raad en de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State volgt dat naast een bestuurlijke boete voor de Wav strafrechtelijke vervolging kan plaatsvinden, omdat het op verschillende rechtsbelangen ziet. Er is dan ook geen sprake van een schending van het ne bis in idem beginsel of het una via beginsel. Het arrest van de Hoge Raad van 6 oktober 2026 waar de verdediging een beroep op doet, zag op een fiscale zaak waarin zowel strafvervolging als een verzuimboete in het kader van de Algemene wet inzake rijksbelastingen speelde. In dit geval gaat het om het Wetboek van Strafrecht en de Wav. Voor zover de rechtbank van oordeel is dat artikel 50 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: Handvest) van toepassing is, dan geldt volgens de officier van justitie dat ook in dat verband geen sprake is van ‘hetzelfde feit’ nu geen sprake is van een geheel van feiten die onlosmakelijk met elkaar zijn verbonden. Door bij het opleggen van een straf in deze procedure rekening te houden met de opgelegde bestuurlijke boete in het kader van de Wav wordt volgens de officier van justitie gewaarborgd dat het totaalpakket aan sancties evenredig is.

Het oordeel van de rechtbank.

Het ne bis in idem beginsel is, ingeval eerder een bestuurlijke boete is opgelegd, vastgelegd in artikel 68 Sr en artikel 243 lid 2 in samenhang met artikel 255 lid 1 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv). Het ne bis in idem beginsel houdt in dat niemand tweemaal ter zake van hetzelfde feit mag worden vervolgd. Het ne bis in idem beginsel kent verwantschap met het una-via beginsel. Dit beginsel houdt in dat wanneer iemand een feit heeft gepleegd dat kan leiden tot zowel een strafrechtelijke vervolging als oplegging van een bestuurlijke boete, de autoriteiten moeten kiezen welke van deze twee sanctietrajecten zij willen volgen. Niet alleen dubbele sanctionering ter zake van hetzelfde feit is verboden, maar ook dubbele vervolging.

Uit het arrest van de Hoge Raad van 1 februari 2011 (ECLI:NL:HR:2011:BM9102) volgt het toetsingskader met betrekking tot de beoordeling van het begrip ’hetzelfde feit’ in de zin van artikel 68 Sr:

“2.9.1. Bij de beoordeling van de vraag of sprake is van "hetzelfde feit", dient de rechter in de situatie waarop art. 68 Sr ziet de in beide tenlasteleggingen omschreven verwijten, en in de situatie waarop art. 313 Sv ziet de in de tenlastelegging en de in de vordering tot wijziging van de tenlastelegging omschreven verwijten te vergelijken.

Bij die toetsing dienen de volgende gegevens als relevante vergelijkingsfactoren te worden betrokken.

(A) De juridische aard van de feiten.

Indien de tenlastegelegde feiten niet onder dezelfde delictsomschrijving vallen, kan de mate van verschil tussen de strafbare feiten van belang zijn, in het bijzonder wat betreft

( i) de rechtsgoederen ter bescherming waarvan de onderscheidene delictsomschrijvingen strekken, en

( ii) de strafmaxima die op de onderscheiden feiten zijn gesteld, in welke strafmaxima onder meer tot uitdrukking komt de aard van het verwijt en de kwalificatie als misdrijf dan wel overtreding.

(B) De gedraging van de verdachte.

Indien de tenlasteleggingen respectievelijk de tenlastelegging en de vordering tot wijziging daarvan niet dezelfde gedraging beschrijven, kan de mate van verschil tussen de gedragingen van belang zijn, zowel wat betreft de aard en de kennelijke strekking van de gedragingen als wat betreft de tijd waarop, de plaats waar en de omstandigheden waaronder zij zijn verricht.

2.9.2. Opmerking verdient dat reeds uit de bewoordingen van het begrip "hetzelfde feit" voortvloeit dat de beantwoording van de vraag wat daaronder moet worden verstaan, mede wordt bepaald door de omstandigheden van het geval. Vuistregel is nochtans dat een aanzienlijk verschil in de juridische aard van de feiten en/of in de gedragingen tot de slotsom kan leiden dat geen sprake is van "hetzelfde feit" in de zin van art. 68 Sr.”

In het door de verdediging aangehaalde arrest van 6 oktober 2026 heeft de Hoge Raad overwogen dat voornoemde vergelijkingsfactoren ook bepalend zijn bij de beoordeling of sprake is van ‘hetzelfde feit’ in de zin van artikel 243 lid 2 in samenhang met artikel 255 lid 1 Sv. In het geval dat een bestuurlijke boete is opgelegd, gaat het bij de toepassing van vergelijkingsfactor (A) om een vergelijking van (i) de in de tenlastelegging omschreven en de aan de boete ten grondslag liggende verwijten, mede aan de hand van de rechtsgoederen die worden beschermd door enerzijds de toepasselijke bestuursrechtelijke norm en anderzijds de delictsomschrijving, en (ii) de bepalingen die betrekking hebben op de maximale bestraffing van de onderscheiden feiten.

De verdediging heeft, onder verwijzing naar Europeesrechtelijke jurisprudentie over de betekenis van het begrip ‘hetzelfde delict’ in artikel 50 Handvest, betoogd dat een redelijke uitleg van artikel 68 Sr met zich brengt dat in onderhavige zaak sprake is van ‘eenzelfde gedraging’ en daarmee van ‘hetzelfde feit’ in de zin van artikel 68 Sr. De rechtbank begrijpt het standpunt van de verdediging zo dat volgens de verdediging voor de inhoud van het begrip ‘hetzelfde feit’ in artikel 68 Sr aansluiting moet worden gezocht bij de betekenis van het begrip ‘hetzelfde delict’ in artikel 50 Handvest.

Naar het oordeel van de rechtbank faalt dit betoog. De rechtbank verwijst in dat kader naar voornoemd arrest van de Hoge Raad van 6 oktober 2026 overweging 2.6.1 en 2.7. Hieruit volgt dat artikel 50 Handvest een eigen beperkingssystematiek kent en dat voor de inhoud van het begrip ‘hetzelfde feit’ in artikel 68 Sr en 255 lid 1 Sv geen aansluiting moet worden gezocht bij de betekenis van het begrip ‘hetzelfde delict’ in artikel 50 Handvest.

Met bovenstaande in ogenschouw nemende, zal de rechtbank de vraag beantwoorden of bij artikel 2 Wav, artikel 197a Sr en artikel 197b Sr sprake is van ‘hetzelfde feit’. De Hoge Raad heeft deze vraag in het arrest van 9 februari 2016 (ECLI:NL:HR:2016:222) al ontkennend beantwoord. Naar het oordeel van de rechtbank is gelet hierop ook in het onderhavige geval geen sprake van ‘hetzelfde feit’ in de zin van artikel 68 Sr en artikel 243 lid 2 Sv in samenhang met artikel 255 lid 1 Sv. In zoverre ziet de rechtbank geen aanleiding om de officier van justitie niet-ontvankelijk te verklaren in de vervolging.

Uit het door de verdediging aangehaalde arrest van de Hoge Raad van 6 oktober 2026 volgt voorts het volgende:

“2.6.3 (…) Als in feitelijke instantie het verweer wordt gevoerd dat de beslissing tot strafrechtelijke vervolging niet in overeenstemming met de op grond van artikel 50 Handvest [van de grondrechten van de EU] geldende vereisten voor onderlinge afstemming is genomen en dat daarom het openbaar ministerie niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vervolging, zal de rechter hierop gemotiveerd moeten beslissen. Die motivering kan in cassatie worden getoetst.”

Nu de verdediging dat verweer als zodanig niet heeft gevoerd, is een beoordeling zoals bedoeld in rechtsoverweging 2.6.3 niet aan de orde.

Gelet op rechtsoverweging 2.6.4 in voornoemd arrest zal de rechtbank zich er bij de eventuele strafoplegging wel van vergewissen dat de nadelen die de verdachte als gevolg van de beide procedures lijdt niet onevenredig zijn.

De rechtbank is gezien het voorgaande van oordeel dat het verweer van de verdediging faalt. De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

De beoordeling van de ten laste gelegde feiten.

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de aan verdachte ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend bewezen kunnen worden.

Het standpunt van de verdediging.

Op de in de pleitnota genoemde gronden en de daarop mondeling gegeven aanvullingen ter terechtzitting heeft de verdediging vrijspraak bepleit van hetgeen verdachte ten laste is gelegd, omdat niet bewezen kan worden dat er sprake van was dat verdachte “ernstige redenen had te vermoeden dat de toegang wederrechtelijk was”. De verdediging heeft daartoe aangevoerd dat de betreffende personen al eerder in Nederland waren en dat verdachte dacht dat zij naar Nederland mochten komen.

Het oordeel van de rechtbank.

De bewijsmiddelen.

De door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen zijn uitgewerkt in de aan dit vonnis gehechte bewijsbijlage. De inhoud daarvan dient als hier herhaald en ingelast te worden beschouwd.

Nadere overweging van de rechtbank.

Wetenschap van de wederrechtelijkheid.

Wat betreft feit 1 moet worden beoordeeld of verdachte wist of ernstige reden had te vermoeden dat de toegang tot Nederland van [slachtoffer 1] wederrechtelijk was.

Wat betreft feit 2 primair moet worden beoordeeld of verdachte wist of ernstige reden had te vermoeden dat het verblijf in Nederland van [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] wederrechtelijk was. In het kader van feit 2 primair wordt dus niet beoordeeld of “de toegang” wederrechtelijk was, zodat het standpunt van de raadsman ten aanzien van dit feit om die reden al kan worden verworpen. Voor zover de raadsman ook bedoeld heeft te stellen dat verdachte geen wetenschap had van de wederrechtelijkheid van het verblijf, overweegt de rechtbank het volgende.

Verdachte heeft verklaard dat zij wist dat [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] illegaal in Nederland waren toen zij voor haar kwamen werken. Verder heeft verdachte verklaard dat zij, voordat [slachtoffer 1] naar Nederland kwam, niet de benodigde vergunningen had geregeld, terwijl zij wist dat dit wel had gemoeten. [slachtoffer 1] werkte zonder arbeidscontract voor haar, omdat zij illegaal in Nederland was. Ook heeft verdachte verklaard dat het onderwerp van de uitnodigingsmail voor [slachtoffer 1] over vakantie ging, zodat [slachtoffer 1] die bij de paspoortcontrole kon laten zien.

De stelling van de verdediging dat verdachte geen wetenschap had van de wederrechtelijkheid van de toegang (ten aanzien van [slachtoffer 1] ) en het verblijf (ten aanzien van [slachtoffer 2] , [slachtoffer 3] en [slachtoffer 1] ) , vindt derhalve weerlegging in de verklaringen van verdachte. Dat [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] eerder al in Nederland waren en niet door verdachte naar Nederland zijn gehaald, doet aan de wederrechtelijkheid van hun verblijf niet af.

Huisvesten.

Uit het procesdossier en het verhandelde ter terechtzitting stelt de rechtbank vast dat verdachte de in de tenlastelegging genoemde personen heeft gehuisvest.

Voor [slachtoffer 1] geldt dat het gaat om zowel een verblijf in de woning van verdachte in Almere van enkele dagen als een verblijf in de salon in Amsterdam. Dat [slachtoffer 1] ook in de salon verbleef, vindt niet alleen steun in de verklaring van [slachtoffer 3] maar ook in het onderzoek naar [slachtoffer 1] haar telefoon. Daaruit blijkt dat haar toestel in de periode van 23 oktober 2023 tot en met 4 november 2023 op 293 momenten verbinding maakte met het wifinetwerk “ [wifinetwerk naam] ” van de salon. Dat was niet alleen tijdens gebruikelijke werktijden, maar ook in de nachtelijke en vroege ochtenduren.

Uit het procesdossier volgt verder dat [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] in de salon hebben geslapen en dat verdachte daarvan op de hoogte was.

Winstbejag.

Dat verdachte uit winstbejag heeft gehandeld, leidt de rechtbank af uit het feit dat [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] werkzaamheden verrichtten in de salon die verdachte als eenmanszaak dreef, en dat zij daar klanten van verdachte behandelden. Verdachte zette hun arbeid in voor haar eigen onderneming en beoogde daarmee financieel voordeel te behalen. Daar komt bij dat verdachte heeft verklaard dat zij de vrouwen contant betaalde en dat zij nooit premies en belastingen voor hen heeft afgedragen, waardoor zij kosten heeft bespaard en financieel voordeel heeft behaald.

Overige verweren.

Ter terechtzitting heeft de verdediging een aantal andere verweren gevoerd. Voor zover de rechtbank niet op die verweren heeft gereageerd, heeft de rechtbank die verweren als bewijsverweren aangemerkt. Die verweren vinden hun weerlegging in de inhoud van de bewijsmiddelen. Zo wordt het standpunt in de pleitnota dat verdachte kennelijk ook indachtig het Verdrag tussen de EU en Brazilië heeft gehandeld weerlegd door de verklaringen van verdachte dat zij wist dat de toegang van [slachtoffer 1] wederrechtelijk was. Er zijn geen feiten en omstandigheden aangevoerd die de rechtbank doen twijfelen aan de betrouwbaarheid en bruikbaarheid van de bewijsmiddelen.

De bewezenverklaring.

Op grond het voorgaande en de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de uitgewerkte bewijsmiddelen, zoals opgenomen in de bijlage, in onderling verband en samenhang bezien komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte

t.a.v. feit 1:

in de periode van 18 mei 2023 tot en met 5 juni 2023 in Nederland,

een ander, te weten [slachtoffer 1] , behulpzaam is geweest bij het zich verschaffen van toegang tot Nederland,

door de vliegtickets van die [slachtoffer 1] te betalen, haar de instructie te geven te doen alsof ze op vakantie kwam en haar daarvoor van een uitnodigingsmail te voorzien,

terwijl zij, verdachte, wist dat die toegang wederrechtelijk was;

t.a.v. feit 2 primair:

in de periode van 3 september 2022 tot en met 24 november 2023 te Amsterdam en Almere,

anderen, te weten [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] ,

uit winstbejag behulpzaam is geweest bij het zich verschaffen van verblijf in Nederland

door het huisvesten en tewerkstellen van die [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] ,

terwijl zij, verdachte, wist dat dat verblijf wederrechtelijk was

en verdachte, van het plegen van dit feit een gewoonte heeft gemaakt.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

De bewijsmiddelen worden slechts gebezigd met betrekking tot het feit waarop zij in het bijzonder betrekking hebben.

De strafbaarheid van de feiten.

Het bewezen verklaarde levert op de in de uitspraak vermelde strafbare feiten.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De strafbaarheid van verdachte.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.

Oplegging van straffen.

De eis van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de ten laste gelegde feiten zal worden veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 160 uren. Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.

Het standpunt van de verdediging.

De verdediging heeft de rechtbank verzocht rekening te houden met de coöperatieve houding van verdachte en de bestuurlijke boete die haar is opgelegd. Gelet hierop verzoekt de verdediging om een geheel voorwaardelijke taakstraf op te leggen met een proeftijd van twee jaar en daarbij aan te sluiten bij het voorstel van het Openbaar Ministerie, voorgelegd aan de verdediging bij het OM-hoorgesprek van één jaar geleden.

Het oordeel van de rechtbank.

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd, heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van de door verdachte gepleegde strafbare feiten betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De ernst van de bewezenverklaarde feiten.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan mensensmokkel door drie Braziliaanse vrouwen die illegaal in Nederland waren te laten werken in haar schoonheidssalon en een van hen tevens te helpen om vanuit Brazilië naar Nederland te komen. Doordat verdachte hierdoor meer klanten heeft kunnen helpen en zij geen premies en belastingen heeft afgedragen met betrekking tot deze vrouwen, heeft zij hieruit financieel voordeel behaald. Mensensmokkel is een ernstig strafbaar feit. Het maakt een ernstige inbreuk op de internationale rechtsorde en doorkruist het overheidsbeleid aangaande de bestrijding van illegaal verblijf en illegale toegang tot Nederland en andere Europese landen. Het houdt een illegaal circuit in stand dat gemakkelijk leidt tot allerlei vormen van uitbuiting en misbruik van kwetsbare personen.

De persoon en persoonlijke omstandigheden van de verdachte.

De rechtbank heeft acht geslagen op de justitiële documentatie aangaande verdachte van 7 september 2026 waaruit blijkt dat verdachte niet eerder met justitie in aanraking is gekomen. Verdachte heeft grotendeels bekend en heeft erkend dat zij fout heeft gehandeld. Er loopt een betalingsregeling voor de bestuurlijke boete die zij opgelegd heeft gekregen in het kader van de Wav.

De strafmodaliteit.

Bij haar beslissing over de strafsoort en de hoogte van de straf heeft de rechtbank gekeken naar de binnen de rechtspraak ontwikkelde oriëntatiepunten. Daaruit volgt dat het oriëntatiepunt voor mensensmokkel een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van drie maanden per gesmokkelde is. Gelet op de hiervoor opgenomen omschrijving van de persoon en persoonlijke omstandigheden van verdachte vindt de rechtbank in dit geval een onvoorwaardelijke gevangenisstraf niet passend. De rechtbank is van oordeel dat in verband met een juiste normhandhaving oplegging van een taakstraf passend en geboden is.

Gelet op de ernst van de door verdachte gepleegde strafbare feiten waarbij zij van haar handelen een gewoonte heeft gemaakt en de omstandigheid dat verdachte tot op heden nog steeds eigenaresse is van een schoonheidssalon, zal de rechtbank voorts aan verdachte een voorwaardelijke gevangenisstraf opleggen. Deze straf zal niet ten uitvoer worden gelegd als verdachte zich tot het einde van de hierna vast te stellen proeftijd aan de voorwaarde houdt dat zij zich niet aan een strafbaar feit zal schuldig maken.

De rechtbank is van oordeel dat de nadelen die verdachte als gevolg van zowel de bestuursrechtelijke als de strafrechtelijke procedure lijdt met de hierna op te leggen straf niet onevenredig zijn.

Conclusie

Alle feiten en omstandigheden tegen elkaar afwegend, is de rechtbank van oordeel dat passend en geboden is verdachte te veroordelen tot een taakstraf voor de duur van 160 uren, subsidiair 80 dagen hechtenis. Daarnaast veroordeelt de rechtbank verdachte tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van één maand met een proeftijd van twee jaren. De rechtbank zal de tijd die verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de taakstraf daarop in mindering brengen, waarbij de rechtbank een in verzekering doorgebrachte dag op 2 uur te verrichten arbeid zal waarderen.

Motivering van de beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2] .

De vordering van de benadeelde partij.

De benadeelde partij heeft een vordering tot schadevergoeding ingediend voor een totaalbedrag van € 8.000,- bestaande uit € 3.000 materiële schade en € 5.000,- immateriële schade. De materiële schade bedraagt gemiste inkomsten. De benadeelde partij heeft daarbij verzocht om het toe te wijzen bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente en onder oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de gevorderde materiële schadevergoeding voor toewijzing in aanmerking komt. De gevorderde immateriële schadevergoeding dient te worden gematigd tot € 3.000,-.

Het standpunt van de verdediging.

De verdediging heeft verzocht de vordering af te wijzen.

Het oordeel van de rechtbank.

Ten aanzien van de materiële schade.

De benadeelde partij vordert vergoeding van gemist loon. Dat is een vordering tot nakoming van de afspraken tussen de benadeelde partij en de verdachte, en geen vordering tot vergoeding van schade die rechtstreeks door het bewezenverklaarde feit is toegebracht. De rechtbank verklaart de benadeelde partij daarom in dit deel van de vordering niet-ontvankelijk.

Ten aanzien van de immateriële schade.

Onvoldoende is komen vast te staan dat de immateriële schade die is gevorderd in rechtstreeks verband staat tot het bewezenverklaarde feit. Uit de onderbouwing van de vordering blijkt dat deze schade niet uitsluitend voortvloeit uit de tewerkstelling en de huisvesting zoals die zijn bewezenverklaard, maar met name uit de omstandigheden waaronder de benadeelde partij heeft gewerkt. In deze procedure is uitbuiting echter niet tenlastegelegd. Of en zo ja, welk deel van de gestelde schade rechtstreeks door het bewezenverklaarde feit is toegebracht, kan niet zonder nader onderzoek worden vastgesteld. Dat onderzoek levert een onevenredige belasting van het strafgeding op. De rechtbank verklaart de benadeelde partij daarom in dit deel van de vordering niet-ontvankelijk.

De benadeelde partij kan de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

De rechtbank zal de benadeelde partij veroordelen in de proceskosten door verdachte ter verdediging tegen deze vordering gemaakt, tot op heden begroot op nihil.

Motivering van de beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] .

De vordering van de benadeelde partij.

De benadeelde partij heeft een vordering tot schadevergoeding ingediend tot een totaalbedrag van € 6.136,90 bestaande uit € 1.136,90 materiële schade en € 5.000,- immateriële schade. De materiële schade bedraagt gemiste inkomsten. De benadeelde partij heeft daarbij verzocht om het toe te wijzen bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente en onder oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de gevorderde materiële schadevergoeding voor toewijzing in aanmerking komt. De gevorderde immateriële schadevergoeding dient te worden gematigd tot € 3.000,-.

Het standpunt van de verdediging.

De verdediging heeft verzocht de vordering af te wijzen.

Het oordeel van de rechtbank.

Ten aanzien van de materiële schade.

De benadeelde partij vordert vergoeding van gemist loon. Dat is een vordering tot nakoming van de afspraken tussen de benadeelde partij en de verdachte, en geen vordering tot vergoeding van schade die rechtstreeks door het bewezenverklaarde feit is toegebracht. De rechtbank verklaart de benadeelde partij daarom in dit deel van de vordering niet-ontvankelijk.

Ten aanzien van de immateriële schade.

Onvoldoende is komen vast te staan dat de immateriële schade die is gevorderd in rechtstreeks verband staat tot het bewezenverklaarde feit. Uit de onderbouwing van de vordering blijkt dat deze schade niet uitsluitend voortvloeit uit de tewerkstelling en de huisvesting zoals die zijn bewezenverklaard, maar met name uit de omstandigheden waaronder de benadeelde partij heeft gewerkt. In deze procedure is uitbuiting echter niet tenlastegelegd. Of en zo ja, welk deel van de gestelde schade rechtstreeks door het bewezenverklaarde feit is toegebracht, kan niet zonder nader onderzoek worden vastgesteld. Dat onderzoek levert een onevenredige belasting van het strafgeding op. De rechtbank verklaart de benadeelde partij daarom in dit deel van de vordering niet-ontvankelijk.

De benadeelde partij kan de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

De rechtbank zal de benadeelde partij veroordelen in de proceskosten door verdachte ter verdediging tegen deze vordering gemaakt, tot op heden begroot op nihil.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen:

9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 57, 197a Wetboek van Strafrecht.

DE UITSPRAAK

De rechtbank:

verklaart het ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven.

verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt haar daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op de misdrijven:

t.a.v. feit 1:

mensensmokkel

t.a.v. feit 2 primair:

een ander uit winstbejag behulpzaam zijn bij het zich verschaffen van verblijf in Nederland, terwijl hij weet dat dat verblijf wederrechtelijk is, begaan door een persoon die daarvan een gewoonte maakt

verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Legt op de volgende straffen.

- Een taakstraf voor de duur van 160 uren subsidiair 80 dagen hechtenis

bepaalt dat de tijd door veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de taakstraf in mindering zal worden gebracht, waarbij de rechtbank een in verzekering doorgebrachte dag waardeert op 2 uur te verrichten arbeid.

- Een gevangenisstraf voor de duur van 1 maand voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren

Voorwaarde is, dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig zal maken aan een strafbaar feit.

Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] :

bepaalt dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in de vordering tot schadevergoeding.

veroordeelt de benadeelde partij in de proceskosten door verdachte ter verdediging tegen die vordering gemaakt, tot op heden begroot op nihil.

Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2] :

bepaalt dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in de vordering tot schadevergoeding.

veroordeelt de benadeelde partij in de proceskosten door verdachte ter verdediging tegen die vordering gemaakt, tot op heden begroot op nihil.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. M.W.M. Bankers, voorzitter,

mr. E.M. Vermeulen en mr. S.H. Schepers, leden,

in tegenwoordigheid van mr. J. Beex en mr. C.G. Baauw, griffiers,

en is uitgesproken op 6 november 2026.