Strafrecht overig

Veroordeling schuldwitwassen. Schuldigverklaring zonder oplegging van straf of maatregel. Verbeurdverklaring…

Rechtbank Oost-Brabant, 6 november 2026

Zaakgegevens

Op 6 november 2026 heeft de Rechtbank Oost-Brabant in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Zittingsplaats
's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
6 november 2026
Datum publicatie
5 november 2026
Zaaknummer
82-107115-24
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
ECLI
ECLI:NL:RBOBR:2026:7867
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Veroordeling schuldwitwassen. Schuldigverklaring zonder oplegging van straf of maatregel. Verbeurdverklaring van het inbeslaggenomen geld.

Uitspraak

[afbeelding niet beschikbaar] [afbeelding niet beschikbaar]vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats ’s-Hertogenbosch

Team Strafrecht

Parketnummer: 82.107115.24

Datum uitspraak: 6 november 2026

Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [1994],

wonende te [woonplaats].

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 9 juli 2026 en 23 oktober 2026.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officieren van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 1 mei 2026.

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

zij in of omstreeks de periode van 25 september 2023 tot en met 25 november 2025 te Tilburg, althans in Nederland,

(van) een geldbedrag (€ 227.735) , althans een of meer voorwerpen

Sub b

- heeft verworven, voorhanden heeft gehad, heeft overgedragen, heeft omgezet, en/of

- gebruik heeft gemaakt

terwijl zij, verdachte, wist, althans redelijkerwijs moest vermoeden dat dat/die voorwerp(en) - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig misdrijf.

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen.

De ontvankelijkheid van de officieren van justitie.

Het standpunt van de officieren van justitie.

Op de in het schriftelijk requisitoir genoemde gronden en de daarop gegeven aanvulling ter terechtzitting van 23 oktober 2026 hebben de officieren van justitie geconcludeerd dat het Openbaar Ministerie ontvankelijk is in de vervolging. Van een vervolging in strijd met de onschuldpresumptie uit artikel 6, tweede lid, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) is geen sprake. Zij hebben daartoe, kortgezegd, het volgende aangevoerd.

De onschuldpresumptie, als vervat in artikel 6, tweede lid, van het EVRM, wordt geschonden als een rechterlijke beslissing over een vervolgde persoon, zonder dat diens schuld volgens de wet is vastgesteld, een opvatting weerspiegelt dat hij schuldig is. De officieren van justitie verwijzen naar jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: EHRM) waaruit blijkt dat confiscatie van vermogen dat van misdrijf afkomstig is, de onschuldpresumptie van degene onder wie het wordt geconfisqueerd niet schendt als de maatregel niet berust op een oordeel dat die persoon zelf een misdrijf heeft begaan. Daaruit concluderen de officieren van justitie dat de vaststelling dat een voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is, iets anders is dan de vaststelling dat een bepaald persoon dat misdrijf heeft gepleegd. De officieren van justitie verwijzen daarnaast naar een arrest van de Hoge Raad van 23 juni 2026 (ECLI:NL:HR:2026:955) waarin is bepaald dat enkel vastgesteld dient te worden of een voorwerp als zodanig uit enig misdrijf afkomstig is en niet of de erflater persoonlijk in verband daarmee een strafrechtelijk verwijt kan worden gemaakt. Ook wordt verwezen naar een arrest van de Hoge Raad van 5 september 2006 (ECLI:NL:HR:2006:AU6712) waarin is geoordeeld dat onderzoek naar de herkomst van het vermogen van een overledene geen vervolging van die overledene oplevert en dat artikel 6 van het EVRM zich daartegen niet verzet, omdat het gaat om een strafzaak tegen de erfgenaam wegens witwassen, niet om een strafzaak tegen de erflater wegens de misdrijven waarmee hij het vermogen zou hebben gekregen.

De officieren van justitie komen tot de conclusie dat de criminele herkomst van het aan de orde zijnde geldbedrag kan worden vastgesteld zonder dat daarmee een oordeel wordt gegeven over de schuld van de erflater aan enig strafbaar feit.

Het standpunt van de verdediging.

Op de in de pleitnota genoemde gronden en de daarop gegeven aanvulling ter terechtzitting van 23 oktober 2026 heeft de verdediging de niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie bepleit, aangezien de vervolging van verdachte in strijd is met artikel 6, tweede lid, van het EVRM. De verdediging heeft daartoe, kort gezegd, het volgende aangevoerd.

De erflater van verdachte is bij leven vervolgd voor het witwassen van het geldbedrag dat in de kluis is aangetroffen. Die vervolging is na haar overlijden geëindigd met de niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie. Haar schuld is dan ook niet vastgesteld. Het aan verdachte verweten witwassen betreft hetzelfde geldbedrag. Volgens jurisprudentie van het EHRM moet een rechterlijk oordeel vrij zijn van ieder risico op een postume veroordeling. Een oordeel dat het geldbedrag uit enig misdrijf afkomstig is, kan niet worden gegeven zonder een schuldoordeel over de erflater. Daarin verschilt deze zaak van de zaak die heeft geleid tot het arrest van de Hoge Raad van 23 juni 2026 waarin de overledene nooit was vervolgd.

Het oordeel van de rechtbank.

De rechtbank is van oordeel dat in de onderhavige casus de onschuldpresumptie van de erflater mw. [moeder van verdachte], moeder van verdachte, de vervolging van verdachte niet in de weg staat. Voor een bewezenverklaring van witwassen moet de rechtbank beoordelen of het voorwerp, in dit geval het ten laste gelegde geldbedrag, uit enig misdrijf afkomstig is. De rechtbank hoeft niet te beoordelen of de erflater in verband daarmee persoonlijk een strafrechtelijk verwijt kan worden gemaakt, zo blijkt uit het arrest van de Hoge Raad van 23 juni 2026. Daarbij hoeft niet te worden gesteld uit welk misdrijf het geldbedrag afkomstig is of door wie het misdrijf is begaan. Als op grond van de beschikbare bewijsmiddelen geen rechtstreeks verband valt te leggen met een bepaald misdrijf, kan het witwassen niettemin bewezen worden geacht als het op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is. Evenmin hoeft de rechtbank vast te stellen wat de erflater over de herkomst van het geldbedrag wist. Dat de erflater bij leven is vervolgd voor het witwassen van hetzelfde geldbedrag, welke vervolging door haar overlijden is geëindigd in een niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie, maakt dit niet anders. Een oordeel over de herkomst van het geldbedrag houdt immers geen oordeel in over de schuld van de erflater. Over haar strafrechtelijke aansprakelijkheid geeft de rechtbank dan ook geen oordeel. Van een schending van artikel 6, tweede lid, van het EVRM is daarom geen sprake.

Concluderend is de rechtbank van oordeel dat de officieren van justitie ontvankelijk zijn in de vervolging.

Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

De bewijsvraag.

Het standpunt van de officieren van justitie.

De officieren van justitie hebben zich op het standpunt gesteld dat het aan verdachte ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen kan worden, in de zin dat verdachte wist dat het geld van misdrijf afkomstig was (opzetwitwassen).

Het standpunt van de verdediging.

Op de in de pleitnota genoemde gronden en de daarop gegeven aanvullingen ter terechtzitting van 23 oktober 2026 heeft de verdediging vrijspraak bepleit van hetgeen verdachte ten laste is gelegd. De verdediging heeft daartoe het volgende aangevoerd.

De verdediging stelt dat er geen redelijk vermoeden van witwassen tegen verdachte is. Het betreft contant geld dat verdachte uit een erfenis heeft verkregen. De erflater had geen antecedenten op crimineel gebied, waardoor er geen zicht is op een brondelict of overigens aanwijzingen voor enig misdrijf. Voorts stelt de verdediging dat de kasopstelling van het Openbaar Ministerie onvolledig is, omdat de nabestaanden aanvullende contante inkomsten en opnamen hebben aangetoond. Het resterende bedrag kan volgens de verdediging worden verklaard met een bescheiden maandelijks spaarbedrag, wat strookt met de verklaring van de erflater. Zonder een redelijk vermoeden van witwassen dient verdachte vrijgesproken te worden van het ten laste gelegde feit.

Mocht de rechtbank daar anders over oordelen, dan stelt de verdediging zich op het standpunt dat verdachte een concrete en verifieerbare verklaring heeft gegeven voor de herkomst van het geldbedrag. Het geld betreft spaargeld van de overleden moeder van verdachte, dat zij als erfgename heeft verkregen. Van verdachte kan niet worden verlangd dat zij uitlegt hoe haar moeder in de loop van vele jaren aan het geld is gekomen. Het Openbaar Ministerie heeft niet aangetoond dat het niet anders kan zijn dan dat het geldbedrag uit enig misdrijf afkomstig is.

Daarnaast wist verdachte niet en hoefde zij ook niet redelijkerwijs te vermoeden dat het geldbedrag uit enig misdrijf afkomstig was. De brief van het Openbaar Ministerie die op 9 oktober 2023 aan verdachte is overhandigd, ging enkel over een bepaald deel van de erfenis en niet over het geld in de kluis. Over dat geld is ook in het gesprek van 20 november 2023 tussen verdachte en het Openbaar Ministerie niet specifiek gesproken. Verdachte wist dat haar moeder de verdenking van witwassen altijd had ontkend en dat de rechtbank had beslist dat het geld moest worden teruggegeven aan de rechthebbende. Er was ten tijde van de aanvaarding van de nalatenschap nog geen sprake van nieuw beslag op het geldbedrag.

Het oordeel van de rechtbank.

De bewijsmiddelen.

De door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen zijn uitgewerkt in de aan dit vonnis gehechte bewijsbijlage. De inhoud daarvan dient als hier herhaald en ingelast te worden beschouwd.

Juridisch kader: witwassen zonder bekend gronddelict (6-stappenplan)

De rechtbank moet eerst vaststellen of er een concreet misdrijf is geweest waar het witgewassen voorwerp van afkomstig is. Wanneer er geen directe relatie tussen het witgewassen voorwerp en een concreet misdrijf bestaat of wanneer deze relatie niet kan worden vastgesteld, betekent dit niet dat witwassen niet bewezen kan worden. Als door het Openbaar Ministerie feiten en omstandigheden zijn aangedragen die een vermoeden rechtvaardigen dat het niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is, mag van een verdachte worden verlangd dat zij een concrete, min of meer verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft dat het voorwerp niet van enig misdrijf afkomstig is. De omstandigheid dat deze verklaring mag worden verlangd, houdt niet in dat het aan de verdachte is om aannemelijk te maken dat het voorwerp niet van enig misdrijf afkomstig is.

Als de verdachte zo'n concrete, min of meer verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring heeft gegeven, ligt het op de weg van het Openbaar Ministerie nader onderzoek te doen naar die verklaring. Mede op basis van de resultaten van dat onderzoek zal moeten worden beoordeeld of ondanks de verklaring van de verdachte het witwassen bewezen kan worden op de grond dat het niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is. Als zo'n verklaring is uitgebleven, mag de rechtbank die omstandigheid betrekken in de bewijsoverwegingen.

Stap 1: Is er sprake van een bekend gronddelict?

Van een concreet misdrijf waar het aan de orde zijnde geldbedrag mee zou zijn verdiend is niet gebleken.

Stap 2: Is er een vermoeden van witwassen?

Deze vraag beantwoordt de rechtbank bevestigend. Daarvoor zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.

Het voorwerp dat in de tenlastelegging is opgenomen betreft een groot contant geldbedrag. Uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting volgt niet dat een noodzaak bestond om bijvoorbeeld op grond van beroep of bedrijf over dergelijk groot contant bedrag te beschikken. Voorts bestaat het geldbedrag grotendeels uit grote coupures, waaronder 971 coupures van € 100,- en 183 coupures van € 200,-. De rechtbank acht het een feit van algemene bekendheid dat vormen van criminaliteit gepaard gaan met grote hoeveelheden contant geld in doorgaans grote coupures. Deze coupures worden maar zelden in het normale Nederlandse betalingsverkeer gebruikt. Tevens geldt in zijn algemeenheid dat geldbedragen van behoorlijke omvang in contante coupures, die niet terug te voeren zijn op een aantoonbare bron van inkomsten, vermoeden oproepen van witwassen. Dat geldt ook voor de omstandigheid dat het geldbedrag is aangetroffen in een extern gehuurde kluis, waardoor grote hoeveelheden contant geld naar de kluis toe moeten zijn vervoerd. De rechtbank is, anders dan door de verdediging gesteld, van oordeel dat op grond van voornoemde omstandigheden een vermoeden van witwassen bestaat.

Stap 3: Heeft de verdachte een verklaring gegeven voor de herkomst van het geldbedrag?

Verdachte heeft verklaard dat het geldbedrag bestaat uit spaargeld van haar moeder. Dat is wat haar moeder aan haar had verteld met betrekking tot de herkomst. Verder heeft verdachte geen (eigen) verklaring gegeven over de herkomst van het geldbedrag. In het onderzoek “Border”, heeft mw. [moeder van verdachte], moeder van verdachte, samengevat verklaard dat zij sinds 2002 contant geld opnam, voornamelijk van haar bankrekening bij [bank]. Zij bewaarde dat geld thuis en legde het periodiek in de kluis. Over de omvang van de opnamen verklaarde zij eerst dat het om zeker € 60.000,- ging en later dat het om € 140.000,- ging. Verder heeft mw. [moeder van verdachte] verklaard dat zij op advies van haar vader geld van de rekening haalde met het oog op haar echtscheiding en dat er ook geld in de kluis lag van haar ex-partner de heer [ex-partner van moeder] die het bij haar in bewaring had gegeven. Voorts heeft zij verklaard dat haar ouders haar financieel hebben geholpen, waardoor zij kon sparen. Het geld was bestemd voor haar oude dag en er is over dit geld belasting betaald.

Daarnaast heeft de verdediging stukken in het geding gebracht waaruit volgens haar aanvullende contante inkomsten en opnamen van de erflater blijken. Het gaat om een e-mail van een familielid (broer) van verdachte van 3 juni 2026, waarin wordt geconcludeerd tot een aanzienlijk lager bedrag aan niet verklaarbaar vermogen dan het door het Openbaar Ministerie vastgestelde bedrag. Het standpunt wordt ingenomen dat het aannemelijk is dat dit bedrag bestaat uit inkomsten uit zwarte werkzaamheden en giften. Daarnaast zijn bankafschriften ingebracht van een rekening van de ouders van de erflater en een schriftelijke verklaring van 10 juni 2005, waaruit volgens de verdediging blijkt dat moeder van verdachte een bedrag van € 65.350,- op de rekening van haar ouders had gestort en het enige tijd later contant heeft terugontvangen. Tot slot heeft de verdediging een overzicht van te verrekenen vermogen per 1 juli 2005 ingebracht.

Stap 4: Is de verklaring concreet, min of meer verifieerbaar en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk?

De rechtbank is van oordeel dat de voornoemde verklaringen slechts ten dele concreet, min of meer verifieerbaar en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk zijn.

De verklaring dat vanaf 2002 contant geld van de bankrekeningen is opgenomen en dat er ook geld in de kluis lag afkomstig van de ex-partner de heer [ex-partner van moeder], is concreet en min of meer verifieerbaar. Echter, niet concreet is gemaakt uit welke inkomsten vanaf 2002 is gespaard. Ook zijn over de omvang van de opnamen wisselende bedragen genoemd, en is niet concreet gemaakt hoe het geldbedrag bijeen is gespaard. Dat deel van de verklaring is niet verifieerbaar.

De verklaring van de erflater is, voor zover concreet en min of meer verifieerbaar, door het Openbaar Ministerie nader onderzocht.

Stap 5: Nader onderzoek door het Openbaar Ministerie.

Uit onderzoek naar de bankrekeningen op naam van mw. [moeder van verdachte] is gebleken dat daarvan vanaf 2002 in totaal ruim € 50.000,- contant is opgenomen. De periode vóór 2002 is bij dat onderzoek niet relevant geacht, aangezien het aangetroffen geldbedrag uitsluitend uit eurobiljetten bestond en de euro op 1 januari 2002 als fysiek betaalmiddel is ingevoerd. Voor zover de opgenomen contanten in de kluis zijn gelegd verklaart dit niet het hele bedrag. Verder lag in de kluis voor € 17.100,- aan biljetten van € 50,- van de serie die na april 2017 is uitgegeven. In de periode na april 2017 is van de rekeningen van erflater in totaal € 5.200,- contant opgenomen. Dat rechtvaardigt de conclusie dat ten minste € 11.900,- derhalve een andere bron moet hebben dan opname van de bankrekeningen.

Verder is in geen enkele aangifte inkomstenbelasting van de erflater over de jaren 2010 tot en met 2021 opgave gedaan van contant vermogen of van contante inkomsten. Nagenoeg alle inkomsten die de erflater bij de Belastingdienst heeft opgegeven in de jaren 2014 tot en met 2021 zijn giraal op haar bankrekeningen ontvangen. Het geldbedrag kan daarom niet afkomstig zijn uit de bij de Belastingdienst opgegeven inkomsten.

De gestelde herkomst van het bedrag van € 32.750,- dat aan de erflater in bewaring zou zijn gegeven door haar ex-partner [ex-partner van moeder], is niet nader te verifiëren, omdat het bedrag buiten elke administratie is gebleven.

Ook de stukken die de verdediging in het geding heeft gebracht, leiden niet tot een ander oordeel. Bij de verklaring van 10 juni 2005 over het bedrag van € 65.350,- dat de erflater op de rekening van haar ouders zou hebben gestort en later contant zou hebben terugontvangen, zijn vraagtekens te plaatsen. De verklaring is gedateerd op 10 juni 2005, terwijl het bedrag al op 30 maart 2005 was overgemaakt. Onderaan de verklaring staat dat het geld is teruggestort, terwijl het contant zou zijn opgenomen. De aantekening noemt 13 april 2006, terwijl de contante opname op 21 april 2006 plaatsvond. Bovendien ontbreekt een verifieerbare link tussen deze opname en het geldbedrag in de kluis.

Wat betreft de contanten die blijkens het overgelegde overzicht van te verrekenen vermogen per 1 juli 2005 zijn opgenomen, waren de bankmutaties van de betreffende rekening al onderzocht. Daarop is te zien dat een bedrag van € 5.000,- contant is opgenomen. Dit bedrag maakt al deel uit van het eerder genoemde bedrag van ruim € 50.000,- waarvan de herkomst niet te verifiëren is. De andere opnamen waarnaar in het overzicht wordt verwezen, zijn niet zichtbaar op deze bankrekening.

Zelfs als ten gunste van verdachte wordt aangenomen dat de € 65.350,- en de ruim € 50.000,- in de kluis hebben gelegen, resteert een bedrag van ruim € 112.000,- waarvoor geen enkele (verifieerbare) bron is aangedragen.

De verklaring over de herkomst is dus onderzocht en blijkt voor het grootste deel van het bedrag niet te stroken met de bankgegevens. Voor het resterende deel is zij niet verifieerbaar. Voor zover voor een deel van het aangetroffen geldbedrag een concrete en min of meer verifieerbare verklaring zou zijn gegeven, is dat vermengd geraakt met het deel waarvoor dat niet geldt. Conclusie moet dan zijn dat een concrete en verifieerbare legale bron voor het volledige geldbedrag niet is gebleken.

Stap 6: Conclusie met betrekking tot de herkomst.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het niet anders kan dan dat het volledige geldbedrag uit enig misdrijf afkomstig is.

Verwerven en voorhanden hebben.

Uit jurisprudentie van de Hoge Raad volgt dat een erfgenaam door de zuivere of beneficiaire aanvaarding van een nalatenschap de daartoe behorende goederen voorhanden heeft (HR 5 september 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU6712). De rechtbank is dan ook van oordeel dat verdachte het geldbedrag voorhanden heeft gehad door op 13 december 2023 de nalatenschap beneficiair te aanvaarden. Nu zij bovendien actief met de afwikkeling van de nalatenschap bezig is geweest en klaagschriften heeft ingediend die strekten tot opheffing van het beslag en teruggave van het geldbedrag aan haar, heeft zij handelingen verricht, gericht op het beheren van het geldbedrag. Daarmee is naar het oordeel van de rechtbank ook sprake van verwerven.

Wetenschap.

De rechtbank is van oordeel dat verdachte ten tijde van de aanvaarding van de nalatenschap redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het geldbedrag uit enig misdrijf afkomstig was.

Uit het procesdossier volgt dat het Openbaar Ministerie aan verdachte op 9 oktober 2023 een brief heeft overhandigd waarin stond dat de betreffende nalatenschap volgens het Openbaar Ministerie mogelijk voorwerpen bevat die middellijk of onmiddellijk uit enig

misdrijf afkomstig zijn. In deze brief wordt het geldbedrag in de kluis niet specifiek genoemd. Verdachte was echter op de hoogte van de omvang van het geldbedrag uit de strafzaak tegen de erflater en ook dat dit geldbedrag voorwerp van een witwasverdenking was. Ook wist verdachte uit eigen waarneming dat in de kluis meerdere enveloppen opgeslagen lagen. Gezien het voorgaande, in onderling verband en samenhang bezien, is de rechtbank van oordeel dat verdachte redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het geldbedrag uit enig misdrijf afkomstig was. Deze omstandigheden zijn naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende om te kunnen vaststellen dat verdachte wist dat het geldbedrag van misdrijf afkomstig was, zodat zij zal worden vrijgesproken van opzetwitwassen.

Concluderend acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan schuldwitwassen.

Overige verweren.

Ter terechtzitting heeft de verdediging een aantal andere verweren gevoerd. Voor zover de rechtbank niet op die verweren heeft gereageerd, heeft de rechtbank die verweren als bewijsverweren aangemerkt. Die verweren vinden hun weerlegging in de inhoud van de bewijsmiddelen. Er zijn geen feiten en omstandigheden aangevoerd die de rechtbank doen twijfelen aan de betrouwbaarheid en bruikbaarheid van de bewijsmiddelen.

De bewezenverklaring.

Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de in de bewijsbijlage uitgewerkte bewijsmiddelen komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat

zij in de periode van 13 december 2023 tot en met 25 november 2025 in Nederland,

een geldbedrag (€ 227.735),

- heeft verworven en voorhanden heeft gehad

terwijl zij, verdachte, redelijkerwijs moest vermoeden dat dat voorwerp - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

De strafbaarheid van het feit.

Het bewezen verklaarde levert op het in de uitspraak vermelde strafbare feit.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

De strafbaarheid van verdachte.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.

Oplegging van straf en/of maatregel.

De eis van de officieren van justitie.

De officieren van justitie hebben gevorderd aan verdachte een geldboete ter hoogte van € 20.000,- op te leggen. Een kopie van de vordering van de officieren van justitie is aan dit vonnis gehecht.

Het standpunt van de verdediging.

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat bij een bewezenverklaring de rechtbank dient te volstaan met een schuldigverklaring zonder oplegging van straf of maatregel aangezien verdachte de erfenis heeft aanvaard, omdat het voor verdachte voelde alsof ze haar moeder zou veroordelen indien ze deze niet zou accepteren. De intentie van verdachte was op geen moment crimineel.

Het oordeel van de rechtbank.

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd, heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van het door verdachte gepleegde strafbare feit betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

De rechtbank houdt bij haar beoordeling in hoge mate rekening met de bijzondere omstandigheden waaronder het feit is begaan. Verdachte heeft het geldbedrag verkregen als erfgename van haar moeder. De moeder van verdachte werd verdacht van ernstige strafbare feiten. Zij is overleden voordat in haar strafzaak een inhoudelijk vonnis kon worden gewezen. Het strafrechtelijk onderzoek naar haar moeder heeft een grote impact gehad op verdachte. Zij ondervindt daar nog altijd de gevolgen van, zo bleek ter terechtzitting van 23 oktober 2026 uit haar laatste woord. Verdachte heeft de erfenis van haar moeder, waaronder het aan de orde zijnde geldbedrag, aanvaard, terwijl zij ervan op de hoogte was dat dit bedrag onderwerp was van een verdenking van witwassen. Zij heeft daarover verklaard dat het haar daarbij niet te doen was om het geld, maar dat zij het doen van afstand van de erfenis zag als een erkenning van de schuld van haar moeder. De rechtbank begrijpt dat verdachte zich op dit punt voor een moreel dilemma geplaatst zag.

Uit de justitiële documentatie van 27 augustus 2026 blijkt dat verdachte niet eerder met justitie in aanraking is gekomen. De bijzondere omstandigheden waaronder dit delict heeft plaatsgevonden maken naar het oordeel van de rechtbank dat er geen aanleiding is om aan te nemen dat verdachte opnieuw een strafbaar feit zal begaan. Gelet op alle omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat met het opleggen van een straf geen redelijk strafdoel is gediend en dat met de bijkomende straf van verbeurdverklaring van het geldbedrag een bestaande onrechtmatigheid voldoende wordt rechtgezet.

Alles afwegende acht de rechtbank het, gelet op het voorgaande, raadzaam om met toepassing van artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht te bepalen dat geen straf of maatregel zal worden opgelegd.

Beslag.

De rechtbank is van oordeel dat het in het dictum nader te noemen inbeslaggenomen voorwerp vatbaar is voor verbeurdverklaring, omdat dit een voorwerp is met betrekking tot welk het feit is begaan en dit voorwerp ten tijde van het begaan van het feit aan verdachte toebehoorde.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen:

33, 33a en 420quater Wetboek van Strafrecht.

DE UITSPRAAK

De rechtbank:

verklaart het ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven;

verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt haar daarvan vrij;

Het bewezen verklaarde levert op het misdrijf:

- Schuldwitwassen

verklaart verdachte hiervoor strafbaar;

bepaalt dat ten aanzien van het bewezenverklaarde geen straf wordt opgelegd.

Verbeurdverklaring van het inbeslaggenomen goed, te weten:

- € 227.735,00.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. A.H.J.J. van de Wetering, voorzitter,

mr. E.M. Vermeulen en mr. M.W.M. Bankers, leden,

in tegenwoordigheid van mr. J. Beex en mr. C.G. Baauw, griffiers,

en is uitgesproken op 6 november 2026.