Strafrecht overig

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt het aanwezig hebben van 1998,4 gram cocaïne. Verdachte wordt…

Rechtbank Amsterdam, 30 juni 2026

Zaakgegevens

Op 30 juni 2026 heeft de Rechtbank Amsterdam in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Zittingsplaats
Amsterdam
Datum uitspraak
30 juni 2026
Datum publicatie
14 juli 2026
Zaaknummer
13/344427-25
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
ECLI
ECLI:NL:RBAMS:2026:7167
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt het aanwezig hebben van 1998,4 gram cocaïne. Verdachte wordt vrijgesproken van het witwassen van € 900,-. De rechtbank is van oordeel dat verdachte een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk verklaring heeft gegeven dat het geld niet van misdrijf afkomstig is. Nu nader onderzoek naar de verklaring van verdachte door het Openbaar Ministerie achterwege is gebleven, kan niet worden geoordeeld dat het niet anders kan zijn dan dat tenlastegelegde voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is. Gelet op de omstandigheid dat verdachte vanuit Duitsland naar Amsterdam is gereden met het doel de cocaïne in ontvangst te nemen ziet de rechtbank aanleiding om aansluiting te zoeken bij de LOVS-oriëntatiepunten ten aanzien van het afleveren en vervoeren van harddrugs, waarbij in het geval van een hoeveelheid tussen de 1500 en 2000 gram aan harddrugs uit wordt gegaan van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 8 maanden. Alles afwegende acht de rechtbank, uit oogpunt van vergelding en preventie, de oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 8 maanden, met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht, passend en geboden.

Uitspraak

[afbeelding niet beschikbaar]vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling Publiekrecht

Teams Strafrecht

Parketnummer: 13/344427-25

Datum uitspraak: 30 juni 2026

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ) op [geboortedag] 1987,

zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,

nu gedetineerd in [detentieadres] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting

van 16 juni 2026.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. R.W. van Zanten, en van wat verdachte en zijn raadsman, mr. D.H.M. Graumans, naar voren hebben gebracht.

De zaak is tegelijk, maar niet gevoegd, op de zitting behandeld met de zaak tegen medeverdachte [medeverdachte] (13/344428-25).

2 Tenlastelegging

Aan verdachte is, samengevat, tenlastegelegd dat hij zich op 16 december 2025 in

Amsterdam heeft schuldig gemaakt aan:

feit 1: het witwassen van € 900,-.

feit 2: het bewerken en/of verwerken en/of verkopen en/of afleveren en/of verstrekken en/of vervoeren, dan wel het opzettelijk aanwezig hebben van 2441 gram cocaïne.

De volledige tenlastelegging is opgenomen in bijlage 1 die aan dit vonnis is gehecht en

geldt als hier ingevoegd.

3 Waardering van het bewijs

3.1.

Feiten en omstandigheden

Op 16 december 2025 ontvangt de politie een ANPR (Automatic Numberplate

Recognition)-hit van een auto met een Duits kenteken. Dit kenteken is, na toestemming van een officier van justitie, opgenomen in een referentiebestand van het ANPR-systeem, omdat er aanwijzingen bestonden dat het relevant kon zijn in verband met de taakstelling van het Flexibel Interventieteam (FIT) van de politie; het voorkomen en bestrijden van (voertuig)criminaliteit op en nabij de autosnelwegen. De auto blijkt op naam te staan van [verdachte] . Nadat de politie de auto enige tijd heeft gevolgd, stapt de bestuurder, die later [verdachte] blijkt te zijn, ter hoogte van de [straatnaam] te Amsterdam uit de auto. De politie ziet dat [verdachte] wegloopt, druk op zijn telefoon bezig is, scherp oogt en continu om zich heen kijkt. Nadat [verdachte] een paar honderd meter van zijn auto is verwijderd, blijft hij ineens stil staan, waarop hij de omgeving scant en vervolgens weer terugloopt naar de auto. De politie ziet op dat moment een andere man, die later [medeverdachte] blijkt te zijn, bij het rechter achterportier van de auto staan, waarna [verdachte] de hand schudt van [medeverdachte] . Te zien is dat [verdachte] het rechter achterportier van de auto opent en dat [medeverdachte] een rugtas aan [verdachte] geeft. [verdachte] bukt vervolgens met de tas voorover in de auto. De politie ziet dat [medeverdachte] direct naast [verdachte] staat en kijkt naar wat [verdachte] aan het doen is. Nadat [verdachte] ongeveer een halve tot een hele minuut bezig is geweest, komt [verdachte] de auto weer uit en geeft hij de rugtas terug aan [medeverdachte] , waarop [medeverdachte] de rugtas weer op zijn rug doet.

Hierop heeft de politie [verdachte] en [medeverdachte] staande gehouden. Vervolgens heeft de politie de rugtas, die [medeverdachte] op zijn rug droeg, in beslag genomen en in de tas een gevulde sok met bundels contant geld aangetroffen, in totaal een bedrag van € 9.000,-. Hierop worden [verdachte] en [medeverdachte] aangehouden. Tot slot is de auto van [verdachte] onderzocht, waarbij twee blokken worden aangetroffen, die de politie herkent als ‘kiloblokken’ cocaïne. Deze blokken lagen direct in het zicht achter de bijrijdersstoel op het voetenmatje. Bij [verdachte] wordt in zijn jaszak nog een geldbedrag van € 900,- aangetroffen.

3.2.

Het standpunt van de officier van justitie

Met betrekking tot de door de politie ingezette dwangmiddelen heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat er gelet op de ANPR-hit, in combinatie met de door de politie genoemde feiten en omstandigheden, sprake was van een redelijk vermoeden van schuld aan enig strafbaar feit. De auto kwam uit Duitsland, [verdachte] heeft een kwartier rondgelopen zonder gebruik te maken van voorzieningen, hij was druk bezig op zijn telefoon, hij scande de omgeving en vervolgens vond er via de rugtas vermoedelijk een overdracht van contrabande plaats. De staandehouding was daarom rechtmatig.

Op grond van artikel 96 van het Wetboek van Strafvordering mocht de politie de rugtas in beslag nemen, er was immers sprake van een verdenking van een misdrijf als omschreven in artikel 67 eerste lid van het Wetboek van Strafvordering.

Ook de doorzoeking van de auto was rechtmatig. Op grond van artikel 96b van het Wetboek van Strafvordering is een opsporingsambtenaar bevoegd om ter inbeslagneming een vervoermiddel te doorzoeken in geval van een verdenking van een misdrijf. Doordat de politie in de rugtas een geldbedrag van € 9.000,- had aangetroffen, was de verdenking van witwassen gerechtvaardigd.

De officier van justitie heeft zich ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde op het standpunt gesteld dat verdachte moet worden vrijgesproken, omdat geen sprake is van een vermoeden van witwassen, nu het een relatief laag bedrag betreft en onder andere omstandigheden is aangetroffen dan het geldbedrag bij [medeverdachte] . Ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat het medeplegen van het verstrekken, vervoeren en aanwezig hebben van 1998,4 gram cocaïne kan worden bewezen. Gelet op de waarnemingen van de politie en de tegenstrijdige verklaringen van de verdachten, kan het niet anders dan dat [medeverdachte] de blokken cocaïne heeft overgedragen aan [verdachte] , die ze vervolgens in zijn auto heeft gelegd.

3.3.

Het standpunt van de verdediging

Ten aanzien van feit 1 heeft de raadsvrouw zich op het standpunt gesteld dat verdachte moet worden vrijgesproken van het witwassen van € 900,-, aangezien verdachte een verifieerbare verklaring heeft afgelegd voor het aangetroffen bedrag, het bedrag niet uitzonderlijk hoog is en het geldbedrag in zijn jaszak is aangetroffen, waardoor geen sprake is van verhullende handelingen.

De raadsvrouw heeft zich ten aanzien van feit 2 primair op het standpunt gesteld dat sprake is geweest van een onrechtmatige staandehouding, nu er geen sprake was van een redelijk vermoeden van schuld aan enig strafbaar feit. De ANPR-hit is onrechtmatig toegepast, nu de toetsing daarvan niet mogelijk is. De ANPR-hit is voorts onvoldoende concreet en specifiek om te kunnen spreken van een verdenking. Ook de feiten en omstandigheden, bestaande uit de waarnemingen van de politie, leveren geen redelijk vermoeden van schuld op. De staandehouding, de daaropvolgende inbeslagname van de tas, de aanhouding van verdachte en de doorzoeking van de auto hebben eveneens onrechtmatig plaatsgevonden. De staandehouding was bovendien niet gericht op het vaststellen van de identiteit van verdachte. Het handelen van de politie levert een onherstelbaar vormverzuim als bedoeld in artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering op. Hierdoor is een essentieel strafvorderlijk voorschrift in aanzienlijke mate geschonden. Het nadeel van verdachte bestaat uit een schending van zijn recht op een eerlijk proces en een schending van zijn privacy. Om deze reden moeten de aangetroffen blokken cocaïne als ‘fruits of the poisonous tree’ worden uitgesloten van het bewijs, waardoor verdachte moet worden vrijgesproken van het aan hem tenlastegelegde feit.

Subsidiair, in het geval de rechtbank niet overgaat tot bewijsuitsluiting, heeft de raadsvrouw zich op het standpunt gesteld dat verdachte dient te worden vrijgesproken van feit 2 omdat verdachte geen wetenschap had van de cocaïne die in zijn auto is aangetroffen. Indien de rechtbank toch tot een veroordeling komt, heeft de raadsvrouw zich op het standpunt gesteld dat enkel het aanwezig hebben van de cocaïne kan worden bewezen en dat verdachte moet worden vrijgesproken van het medeplegen.

Meer subsidiair heeft de raadsvrouw zich op het standpunt gesteld dat de onder 2 tenlastegelegde hoeveelheid van 2441 gram cocaïne niet kan worden bewezen, aangezien uit het proces-verbaal verdovende middelen is gebleken dat de twee blokken een nettogewicht hebben van 1998,4 gram.

3.4.

Het oordeel van de rechtbank

3.4.1.

.4.1. Vormverzuim in de zin van artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering?

De rechtbank dient naar aanleiding van het gevoerde verweer te beoordelen of rechtmatig is

gehandeld bij de opsporing. Zij overweegt hierover als volgt en gaat daarbij uit van de feiten

en omstandigheden als genoemd onder 3.1.

De rechtbank merkt allereerst op dat enige onrechtmatigheid met betrekking tot het tot stand komen van de ANPR-hit niet is gebleken en dat de politie bevoegd was om [verdachte] en [medeverdachte] enige tijd te volgen op grond van de informatie die zij verkregen uit het ANPR-systeem, namelijk om de auto te controleren in verband met ondermijnende criminaliteit. De ANPR-hit in combinatie met de door politie genoemde omstandigheden – onder meer de reis die de auto vanuit Duitsland heeft gemaakt, [verdachte] die de omgeving scande, druk op zijn telefoon bezig was en de beschreven kortdurende overdracht van de rugtas en handelingen in de auto – gaven naar het oordeel van de rechtbank vervolgens voldoende aanleiding tot het ontstaan van een redelijk vermoeden van schuld aan een strafbaar feit.

De politie mocht daarom overgaan tot staandehouding van [verdachte] , waarbij zijn identiteit blijkens de stukken wel degelijk werd vastgesteld, en vervolgens overgaan tot inbeslagname van de tas. Ook was de politie bevoegd om de auto te doorzoeken, te meer nu in de rugtas een gevulde sok met een geldbedrag van € 9.000,- werd aangetroffen.

Gelet op het voorgaande is van een vormverzuim als bedoeld in artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering geen sprake, zodat bewijsuitsluiting of enige andere sanctie niet aan de orde is. Het verweer van de raadsvrouw wordt verworpen.

3.4.2.

Bewijsoordeel

Ten aanzien van feit 2:

Zoals beschreven in paragraaf 3.1. heeft de politie waargenomen dat [medeverdachte] een rugtas aan [verdachte] gaf en dat [verdachte] even later, nadat hij in de auto met de rugtas bezig was, de rugtas teruggaf aan [medeverdachte] . Achter de bijrijdersstoel heeft de politie vervolgens twee blokken aangetroffen. Deze blokken zijn door het NFI onderzocht en gebleken is dat het gaat om een totale hoeveelheid van 1.998,4 gram cocaïne.

[verdachte] heeft ter terechtzitting verklaard dat hij de tas niet heeft aangepakt van [medeverdachte] en dat hij ook niet met de tas is bezig geweest in de auto. Daarnaast heeft [verdachte] verklaard dat hij niet wist dat [medeverdachte] twee blokken cocaïne in zijn auto had achtergelaten.

De rechtbank overweegt dat de verklaring van [verdachte] tegenstrijdig is met de waarnemingen van de politie en ziet geen aanleiding om aan de op ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal van de politie te twijfelen. Verbalisant [verbalisant] is zes maanden na het voorval bij de rechter-commissaris als getuige gehoord, waarbij hij heeft verklaard dat hij niet meer precies weet hoe de overdracht die dag heeft plaatsgevonden. De rechtbank is evenwel van oordeel dat de verklaring van [verbalisant] bij de rechter-commissaris niet afdoet aan wat hij op de dag zelf heeft waargenomen en daarover heeft geverbaliseerd.

Uit het politiedossier volgt dat de twee blokken cocaïne op dezelfde plek in de auto zijn aangetroffen als waar [verdachte] met de tas bezig was, nadat hij de tas door [medeverdachte] overhandigd kreeg. De rechtbank acht het onaannemelijk dat [verdachte] met twee blokken cocaïne, die direct in het zicht lagen, vanuit Duitsland naar Amsterdam is gereden en gaat er dan ook vanuit dat de blokken cocaïne vanuit de tas in de auto zijn gelegd.

Gelet op de uiterlijke verschijningsvorm, zoals die hierboven is weergegeven, concludeert de rechtbank dat sprake is geweest van een overdracht van cocaïne, waarbij [medeverdachte] de tas met cocaïne aan [verdachte] heeft gegeven en [verdachte] de cocaïne uit de tas heeft gehaald en achter de bijrijdersstoel heeft neergelegd. De rechtbank acht daarmee bewezen dat [verdachte] zich schuldig heeft gemaakt aan het aanwezig hebben van de cocaïne.

Vrijspraak van medeplegen

De rechtbank kan niet vaststellen dat sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking tussen [verdachte] en [medeverdachte] met betrekking tot het aanwezig hebben van de cocaïne. Voor de overdracht van de cocaïne bevond deze zich niet in de machtssfeer van [verdachte] . Na de overdracht bevond deze zich niet meer in de machtssfeer van [medeverdachte] . [verdachte] wordt daarom partieel vrijgesproken van het onderdeel medeplegen.

Ten aanzien van feit 1:

Juridisch kader witwassen

Voor een bewezenverklaring van witwassen is vereist dat het betreffende voorwerp of geldbedrag middellijk of onmiddellijk afkomstig is uit enig misdrijf. Ook als niet meteen duidelijk is uit welk specifiek misdrijf de voorwerpen afkomstig zijn, kan witwassen bewezen worden. Het gaat dan om gevallen waarbij het op grond van de feiten en omstandigheden niet anders kan dan dat de voorwerpen van misdrijf afkomstig zijn. Als de feiten en omstandigheden in het dossier zodanig zijn dat zonder meer sprake is van een vermoeden van witwassen, mag van verdachte worden verlangd dat hij een verklaring geeft over de legale herkomst van de voorwerpen. Zo’n verklaring moet concreet en verifieerbaar zijn, en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk. Vervolgens ligt het op de weg van het Openbaar Ministerie om nader onderzoek te doen naar die verklaring. Als uit dit onderzoek blijkt dat met voldoende mate van zekerheid kan worden uitgesloten dat de voorwerpen een legale herkomst hebben en dat dus een criminele herkomst de enige aanvaardbare verklaring is, kan het witwassen van die voorwerpen worden bewezen.

Vrijspraak witwassen

Zoals beschreven in paragraaf 3.1. heeft de politie de overdracht van een rugtas tussen [verdachte] en [medeverdachte] waargenomen. In de rugtas is vervolgens een gevulde sok met een geldbedrag van € 9.000,- aangetroffen. In de auto van [verdachte] zijn twee blokken cocaïne aangetroffen en in de jaszak van [verdachte] is een geldbedrag van € 900,- aangetroffen.

De omstandigheden waaronder het geld is aangetroffen, en de combinatie met het aantreffen van de cocaïne in de auto van [verdachte] , maken dat er naar het oordeel van de rechtbank sprake is van een gerechtvaardigd vermoeden van witwassen.

Van verdachte mag onder deze omstandigheden worden verlangd dat hij een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft dat het geld niet van misdrijf afkomstig is.

[verdachte] heeft bij de politie en bij de rechter-commissaris met betrekking tot de herkomst van het geld verklaard dat hij een deel van het geld verdiend heeft met zijn werk als chauffeur en dat hij een deel van het geld van zijn neef heeft gekregen. De rechtbank is van oordeel dat [verdachte] hiermee een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk verklaring heeft gegeven dat het geld niet van misdrijf afkomstig is. [verdachte] heeft ook de voor- en achternaam van zijn neef genoemd. Daarbij komt dat een bedrag van € 900,- niet uitzonderlijk hoog is. De rechtbank acht de verklaring van [verdachte] daarom niet onaannemelijk. Nu nader onderzoek naar de verklaring van [verdachte] door het Openbaar Ministerie achterwege is gebleven, kan niet worden geoordeeld dat het niet anders kan zijn dan dat tenlastegelegde voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is.


Dit betekent dat niet is bewezen dat [verdachte] zich schuldig heeft gemaakt aan witwassen, zodat hij hiervan moet worden vrijgesproken.

4 Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in rubriek 3 en de in bijlage II vervatte bewijsmiddelen

bewezen dat verdachte

ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde:

op 16 december 2025 te Amsterdam, opzettelijk aanwezig heeft gehad 1998,4 gram van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

5 De strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een

rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

6 De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

Verdachte is dan ook strafbaar.

7 Motivering van de straf

7.1.

De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twaalf maanden, met aftrek van de tijd die verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht.

7.2.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft verzocht om, indien de rechtbank tot een veroordeling komt, aan verdachte een gevangenisstraf op te leggen die gelijk is aan de duur van het voorarrest. Daarbij heeft de raadsvrouw verzocht om de persoonlijke omstandigheden van verdachte mee te wegen bij de straftoemeting.

7.3.

Het oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van de bewezen

geachte feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van verdachte,

zoals van een en ander ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Ernst van het feit

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt het aanwezig hebben van 1998,4 gram cocaïne. Hiermee heeft verdachte laten zien dat hij weinig geeft om de schadelijke werking van harddrugs voor de gezondheid van de gebruikers en de andere gevolgen die verslaving met zich kunnen brengen. Ook gaat de drugshandel gepaard met andere vormen van crimineel gedrag, waaronder het plegen van geweld en verdachte heeft door zijn handelen, bijgedragen aan de instandhouding van die keten van criminele activiteiten.

De persoon van de verdachte

De rechtbank heeft acht geslagen op de persoonlijke omstandigheden van verdachte en het Uittreksel Justitiële Documentatie (het strafblad) van verdachte van 2 maart 2026. Hieruit

blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor een strafbaar feit.

De strafoplegging

De rechtbank heeft bij de bepaling van de hoogte van de straf gekeken naar de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) voor straftoemeting, die bij het aanwezig hebben van een hoeveelheid van tussen de 1500 en 2000

gram aan harddrugs uitgaan van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van

7 maanden. Gelet op de omstandigheid dat verdachte vanuit Duitsland naar Amsterdam is gereden met het doel de cocaïne in ontvangst te nemen ziet de rechtbank aanleiding om aansluiting te zoeken bij de LOVS-oriëntatiepunten ten aanzien van het afleveren en vervoeren van harddrugs, waarbij in het geval van een hoeveelheid tussen de 1500 en 2000 gram aan harddrugs uit wordt gegaan van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 8 maanden.

Alles afwegende acht de rechtbank, uit oogpunt van vergelding en preventie, de oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 8 maanden, met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht, passend en geboden.

8 Beslag

Onder verdachte zijn de volgende goederen in beslag genomen:

- € 900,- EUR (G6750415);

- 2 stuks Verdovende Middelen (cocaïne) (G6750393).

8.1.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het inbeslaggenomen geldbedrag dient te worden teruggeven aan verdachte.

8.2.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft verzocht om het inbeslaggenomen geldbedrag terug te geven aan verdachte.

8.3.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank zal de inbeslaggenomen verdovende middelen onttrekken aan het verkeer, aangezien met betrekking tot deze voorwerpen het bewezenverklaarde onder feit 2, is begaan en zij van zodanige aard zijn dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of het algemeen belang.

De rechtbank zal de teruggave gelasten van het inbeslaggenomen geldbedrag, aangezien verdachte wordt vrijgesproken van feit 1.

9 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf en maatregel is gegrond op de artikelen 36b, 36c van het Wetboek van

Strafrecht en de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet.

10 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart het tenlastegelegde onder feit 1 niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat verdachte tenlastegelegde onder feit 2 heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is

bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

ten aanzien van feit 2

opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven

verbod

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 (acht) maanden.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Beslag

Verklaart onttrokken aan het verkeer:

- 2 stuks Verdovende Middelen (cocaïne) (G6750393).

Gelast de teruggave aan [verdachte] van:

- € 900,- EUR (G6750415).

Opheffing van de voorlopige hechtenis wanneer deze gelijk is aan de onvoorwaardelijke gevangenisstraf

Dit vonnis is gewezen door

mr. M. Wiewel, voorzitter

mrs. F. Dekkers en G.J.M. Kruizinga, rechters

in tegenwoordigheid van mr. S.L. van Tellingen, griffier

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 30 juni 2026.

[…]

[…]

[…]


[…]
[…]

[…]

[…]

[…]

[…]

Omwille van de leesbaarheid van het vonnis zullen de verdachten hierna worden aangeduid bij hun achternaam.