Bestuursrecht overig
Rechtbank Den Haag · Eerste aanleg - enkelvoudig · Bestuursrecht overig
Rechtbank Den Haag, 23 april 2018
ECLI:NL:RBDHA:2018:4827 · Rechtbank Den Haag · 23 april 2018
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-den-haag/bestuursrecht/bestuursrecht-overig/eerste-aanleg-enkelvoudig/ecli-nl-rbdha-2018-4827
Zaakgegevens
Op 23 april 2018 heeft de Rechtbank Den Haag in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over bestuursrecht.
- Instantie
- Rechtbank Den HaagRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- 's-Gravenhage
- Datum uitspraak
- 23 april 2018
- Datum publicatie
- 24 april 2018
- Zaaknummer
- NL18.5996
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Bestuursrecht overig
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudigEnkelvoudige kamerDe zaak is behandeld door één rechter.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBDHA:2018:4827
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Dublin Duitsland
Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: NL18.5996
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 april 2018 in de zaak tussen
[persoon 1], mede namens
[persoon 2], geboren [geboortedatum] 1982,
en de minderjarige kinderen
[kind 1], geboren [geboortedatum] 2003,
[kind 2], geboren [geboortedatum] 2002,
samen te noemen: eisers
(gemachtigde: mr. A. Habib-Portier),
en
de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
(gemachtigde: mr. P.P. Zweedijk).
Procesverloop
Bij besluiten van 23 maart 2018 (de bestreden besluiten) heeft verweerder de aanvragen van eisers tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen op de grond dat Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag.
Eisers hebben tegen de bestreden besluiten beroep ingesteld.
Het onderzoek ter zitting heeft, tezamen met de behandeling van de zaak NL18.5997, plaatsgevonden op 19 april 2018. Eisers hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
1. Eisers hebben een asielaanvraag ingediend op 23 december 2017. Uit Eurodac is gebleken dat [persoon 1] op 2 mei 2016 en 8 december 2017, [persoon 2] mede namens [kind 1] op 27 juni 2016 en 8 december 2017 en [kind 2] op 8 december 2017 in Duitsland een verzoek om internationale bescherming hebben ingediend.
Verweerder heeft de Duitse autoriteiten op 22 januari 2018 verzocht om eisers terug te nemen op grond van Verordening (EU) 604/2013 (hierna: de Dublinverordening). Met het claimakkoord van 25 januari 2018 hebben de Duitse autoriteiten hiermee ingestemd op grond van artikel 18, eerste lid, aanhef en onder d, van de Dublinverordening.
2. De rechtbank overweegt als volgt.
Eisers hebben met het door hen in beroep gevoerde betoog niet aannemelijk gemaakt dat Duitsland zijn verdragsverplichtingen niet zal nakomen. Voor zover eisers hebben gesteld dat Duitsland handelt in strijd met de Procedurerichtlijn en de Opvangrichtlijn, heeft verweerder er terecht op gewezen dat eisers daarover bij de Duitse autoriteiten dienen te klagen en dat niet is gebleken dat dit voor eisers niet mogelijk was.
Eisers stelling dat sprake is van systematische tekortkomingen omdat niet in alle gevallen wordt voorzien in gefinancierde rechtsbijstand, kan niet worden gevolgd. Zowel artikel 27, zesde lid, van de Dublinverordening, als artikel 20, derde lid, van de Procedurerichtlijn staat immers toe dat de toegang tot gefinancierde rechtsbijstand afhankelijk kan worden gesteld van de reële kans van slagen van de procedure. De kans van slagen dient te worden beoordeeld door de onafhankelijke rechter of een andere bevoegde instantie. Als een andere instantie de beoordeling verricht, dient die beoordeling vatbaar te zijn voor beroep bij de rechter. Eisers hebben niet aannemelijk gemaakt dat aan die bepalingen in Duitsland niet wordt voldaan.
Verweerder heeft zich -met de in het besluit gegeven motivering- dan ook terecht op het standpunt gesteld dat geen grond bestaat voor het oordeel dat ten opzichte van Duitsland niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan of dat door de overdracht van eisers aan Duitsland een situatie zal ontstaan die strijdig is met artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden en artikel 4 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.
Voorts heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat de Duitse autoriteiten met het claimakkoord hebben gegarandeerd het verzoek van eisers om internationale bescherming in behandeling te nemen. De stelling van de gemachtigde dat er geen inhoudelijke beoordeling meer zal plaats vinden kan dan ook niet worden gevolgd en van indirect refoulement is derhalve geen sprake.
Gelet op voorgaande heeft verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eisers geen bijzondere, individuele omstandigheden heeft aangevoerd die maken dat de overdracht aan Duitsland van onevenredige hardheid getuigt.
3. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M. Ghrib, rechter, in aanwezigheid van mr. A. Nobel, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 23 april 2018.
|
griffier |
rechter |
Afschrift verzonden of digitaal ter beschikking gesteld aan partijen op: