Bestuursrecht overig
BOBOG afgewezen, geen griffierecht betaald.
Rechtbank Den Haag, 30 september 2019
ECLI:NL:RBDHA:2019:10165 · Rechtbank Den Haag · 30 september 2019
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-den-haag/bestuursrecht/bestuursrecht-overig/eerste-aanleg-enkelvoudig/ecli-nl-rbdha-2019-10165
Zaakgegevens
Op 30 september 2019 heeft de Rechtbank Den Haag in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over bestuursrecht.
- Instantie
- Rechtbank Den HaagRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Den Haag
- Datum uitspraak
- 30 september 2019
- Datum publicatie
- 30 september 2019
- Zaaknummer
- 19_289
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Bestuursrecht overig
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudigEnkelvoudige kamerDe zaak is behandeld door één rechter.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBDHA:2019:10165
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
BOBOG afgewezen, geen griffierecht betaald.
Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 19/289
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 30 september 2019 in de zaak tussen
[eiser] , te [woonplaats] , eiser,
en
het dagelijks bestuur van de Intergemeentelijke Sociale Dienst (ISD) Bollenstreek, verweerder.
Procesverloop
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen van verweerder op het bezwaar van eiser van 1 november 2018.
Eiser heeft een beroep op betalingsonmacht gedaan. De rechtbank heeft op 24 januari 2019 schriftelijk verzocht om een kopie van een recente betalingsspecificatie of een loonstrook binnen twee weken retour te zenden. Op 31 januari 2019 heeft eiser digitaal stukken overlegd waarna de rechtbank op 19 februari 2019 schriftelijk heeft meegedeeld dat eiser voorlopig aan de criteria voldoet. Vervolgens heeft de rechtbank op 16 april 2019 verzocht om recente financiële gegevens waaruit blijkt dat alsnog aan de criteria voor betalingsonmacht voldoet. Op 23 april 2019 heeft eiser digitaal stukken toegestuurd. Hierop heeft de rechtbank op 7 mei 2019 het beroep op betalingsonmacht afgewezen omdat hij niet aan de criteria voldoet. Vervolgens heeft eiser op 2 juli 2019 nogmaals digitaal nadere stukken toegestuurd. Hierop heeft de rechtbank op 5 september 2019 meegedeeld dat een tweede verzoek om betalingsonmacht niet in behandeling wordt genomen en verwijst hierbij naar de afwijzingsbrief van 7 mei 2019.
Bij aangetekende brief van 7 juni 2019 is eiser eraan herinnerd dat hij griffierecht moet betalen (de herinnering). Uit informatie van PostNL is gebleken dat de herinnering op
12 juni 2019 is uitgereikt.
Overwegingen
1. De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.
2. Iemand die beroep instelt, moet op grond van artikel 8:41 van de Awb griffierecht betalen. Voor deze zaak is het griffierecht vastgesteld op € 47,-. De griffier stelt een termijn waarbinnen het griffierecht moet zijn betaald. Als het griffierecht niet of niet tijdig is betaald, verklaart de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk. Dat is alleen anders als het niet of niet tijdig betalen van het griffierecht betrokkene niet is toe te rekenen.
3. Een beroep op betalingsonmacht kan worden ingewilligd wanneer het netto maandinkomen minder bedraagt dan 90% van de voor de alleenstaande geldende bijstandsnorm. Uit de overlegde stukken is niet gebleken dat eiser aan dit criterium voldoet. Het beroep op betalingsonmacht is daarom afgewezen.
4. In de herinnering is eiser er nog eens op gewezen dat het griffierecht binnen vier weken moet zijn betaald en dat anders het beroep niet-ontvankelijk kan worden verklaard. Eiser heeft het griffierecht niet betaald. Dat dit eiser niet is toe te rekenen, is niet gebleken.
5. Het beroep is daarom kennelijk niet-ontvankelijk. Dit betekent dat het beroep niet inhoudelijk wordt behandeld.
6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.D. van Riel, rechter, in aanwezigheid van
Z. Jainullah, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 30 september 2019.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de datum van verzending verzet worden gedaan bij de rechtbank (artikel 8:55 van de Awb). De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld over het verzet te worden gehoord.