Bestuursrecht overig

BOBOG afgewezen, geen griffierecht betaald.

Rechtbank Den Haag, 16 januari 2020

Zaakgegevens

Op 16 januari 2020 heeft de Rechtbank Den Haag in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over bestuursrecht.

Instantie
Rechtbank Den Haag
Zittingsplaats
Den Haag
Datum uitspraak
16 januari 2020
Datum publicatie
16 januari 2020
Zaaknummer
AWB - 19 _ 1596 V
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI
ECLI:NL:RBDHA:2020:291
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

BOBOG afgewezen, geen griffierecht betaald.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: SGR 19/1596 V

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 16 januari 2020 op het verzet van

[opposant] , te [woonplaats] , opposant

tegen de uitspraak van de rechtbank in zijn zaak tegen

het dagelijks bestuur van de Intergemeentelijke Sociale Dienst (ISD) Bollenstreek, verweerder.

Procesverloop

Opposant heeft tegen de uitspraak op bezwaar van verweerder van 11 februari 2019 (de bestreden uitspraak op bezwaar) beroep ingesteld.

Bij uitspraak van 30 september 2019 (de buiten-zittinguitspraak) heeft de rechtbank dat beroep niet-ontvankelijk verklaard.

Opposant heeft tegen deze uitspraak verzet gedaan.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 december 2019. Opposant is verschenen.

Overwegingen

1. De rechtbank heeft in de beroepszaak uitspraak gedaan zonder zitting. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) biedt die mogelijkheid. De rechtbank heeft het beroep kennelijk niet-ontvankelijk verklaard omdat opposant het griffierecht niet heeft betaald en niet gebleken is dat dit hem niet is toe te rekenen.

2. In deze verzetzaak is op grond van artikel 8:55, eerste lid, van de Awb uitsluitend aan de orde of de rechtbank terecht de zaak niet op een zitting heeft behandeld. De rechtbank kan het beroep pas inhoudelijk behandelen als het verzet gegrond is.

3. Opposant voert tegen de uitspraak van de rechtbank aan dat het hem werkelijk aan financiële middelen ontbreekt en hij geen griffierecht hoeft te betalen omdat sprake is van betalingsonmacht. Hij verwijst daarbij naar de door hem in beroep overgelegde inkomensverklaringen van de Raad voor Rechtsbijstand van 2 januari 2019 en 28 juni 2019. Voor het betalen van het griffierecht heeft opposant ook aanvragen voor bijzondere bijstand bij verweerder ingediend. Opposant stelt dat verweerder die aanvragen structureel afwijst, op grond van een diversiteit aan redenen. Volgens opposant wijst verweerder zijn aanvragen ten onrechte af en is daarom het niet betalen van het griffierecht hem niet toe te rekenen.

Opposant stelt dat in andere procedures bij deze rechtbank wel vrijstelling voor het betalen van het griffierecht wegens betalingsonmacht is toegekend op grond van informatie die hij hiervoor aan de rechtbank heeft aangeleverd. In een aantal van die procedures was exact dezelfde informatie aangeleverd.

4. De verzetrechter overweegt het volgende. Op 11 april 2019 heeft de rechtbank opposant verzocht, naar aanleiding van zijn beroep op betalingsonmacht, een verklaring omtrent zijn inkomen ingevuld te retourneren met een recente kopie van een betalingsspecificatie of loonstrook. Opposant heeft op 24 april 2019 dat formulier ingevuld geretourneerd met een kopie van de jaaropgave over 2018 en een kopie van een uitkeringsspecificatie gedateerd

12 september 2018 betreffende de maand augustus 2018. Bij brief van 7 mei 2019 heeft de rechtbank opposant meegedeeld dat hij niet aan de criteria voor betalingsonmacht voldoet en daarom het beroep op betalingsonmacht wordt afgewezen.

5. Gelet op de uitspraak van de Hoge Raad van 7 december 2018 (ECLI:NL:HR:2018:2266) wordt een beroep op betalingsonmacht beoordeeld op basis van de hoogte van het inkomen en het vermogen in de periode die aanvangt nadat voor de eerste maal op de verschuldigdheid van het griffierecht is gewezen en eindigt op de datum waarop het griffierecht uiterlijk moet zijn betaald.

6. Op 8 maart 2019 is opposant voor de eerste maal op de verschuldigdheid van griffierecht van € 47,- gewezen. Tevens is meegedeeld dat opposant een beroep op betalingsonmacht kan doen, zijn de daarvoor geldende criteria vermeld en is aangegeven dat bij het afwijzen van een beroep op betalingsonmacht hierop niet nogmaals een beroep kan worden gedaan. Nadat op 7 mei 2019 het beroep op betalingsonmacht is afgewezen, is opnieuw een nota aan opposant gestuurd. Omdat opposant het griffierecht niet heeft betaald is hij op 8 juni 2019 eraan herinnerd dat hij griffierecht moet betalen en een betaaltermijn van vier weken verleend die op 6 juli 2019 is geëindigd. Nu opposant bij nota van 8 maart 2019 voor de eerste maal op de verschuldigdheid van het griffierecht is gewezen, is voor de beoordeling van het beroep op betalingsonmacht hiervan belang het netto maandinkomen van opposant in de periode vanaf 8 maart 2019 tot en met 6 juli 2019. De door opposant overgelegde inkomensgegevens zien op het jaar 2018 en hebben dus geen betrekking op de periode die hier van belang is.

7. Op 2 juli 2019 heeft opposant een kopie van een inkomensverklaring van de Raad voor de Rechtsbijstand over het jaar 2019 ingediend en verzocht om een herbeoordeling. De rechtbank heeft bij brief van 5 september 2019 aan opposant meegedeeld dat een tweede beroep op betalingsonmacht niet in behandeling wordt genomen. Tevens is meegedeeld dat de aanvullende informatie over het inkomen van opposant niet zou leiden tot een ander oordeel, omdat het een schatting van het inkomen over 2019 betreft.

8. In verzet verwijst opposant opnieuw naar de inkomensverklaringen van de Raad voor de Rechtsbijstand van 2 januari 2019 en 28 juni 2019. Zoals is overwogen onder 6. is hier enkel van belang het netto maandinkomen van opposant in de periode vanaf 8 maart tot en met 6 juli 2019. De inkomensverklaringen van de Raad voor de Rechtsbijstand verstrekken geen netto maandinkomensgegevens over de hier van belang zijnde periode. Dit betekent dat opposant niet voldaan heeft aan het aanleveren van de benodigde inkomensgegevens om het beroep op betalingsonmacht te kunnen beoordelen. Het beroep op betalingsonmacht is dan ook terecht afgewezen.

9. De stelling van opposant dat in andere procedures op grond van dezelfde inkomensgegevens het beroep op betalingsonmacht is bekrachtigd en daarom in onderhavige zaak ook zonder meer het beroep op betalingsonmacht moet worden gehonoreerd, berust op een misvatting. Immers, een beroep op betalingsonmacht dient beoordeeld te worden op grond van de financiële positie van een belanghebbende op het moment dat voor de eerste maal op de verschuldigdheid van het griffierecht in een procedure wordt gewezen en vereist daarom elke keer een zelfstandige beoordeling. Temeer nu ook andere omstandigheden kunnen leiden tot een ander oordeel op het beroep op betalingsonmacht (zie r.o. 3. ECLI:NL:RVS:2016:2730).

10. De stelling van opposant dat het niet betalen van het griffierecht hem niet is toe te rekenen omdat verweerder ten onrechte geen bijzondere bijstand verleend, berust op een misvatting. Het aanvragen van bijzondere bijstand staat los van een beroep op betalingsonmacht en kan dan ook niet leiden tot de conclusie dat het niet betalen van het griffierecht opposant niet is toe te rekenen.

11. Uit wat opposant heeft aangevoerd, volgt dat de rechtbank in de buiten-zittinguitspraak terecht heeft geoordeeld dat zij het beroep zonder zitting kon afdoen. Het verzet is ongegrond. Dat betekent dat de buiten-zittinguitspraak in stand blijft.

12. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het verzet ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.A. Dirks, rechter, in aanwezigheid van H.J. Hovinga, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 16 januari 2020.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.