Bestuursrecht overig

Rechtbank Den Haag · Eerste aanleg - enkelvoudig · Bestuursrecht overig

Rechtbank Den Haag, 13 oktober 2021

Zaakgegevens

Op 13 oktober 2021 heeft de Rechtbank Den Haag in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over bestuursrecht.

Instantie
Rechtbank Den Haag
Zittingsplaats
Den Haag
Datum uitspraak
13 oktober 2021
Datum publicatie
14 oktober 2021
Zaaknummer
SGR 20/903
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI
ECLI:NL:RBDHA:2021:11198
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

beroep niet-ontvankelijk

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: SGR 20/903


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 13 oktober 2021 in de zaak tussen

[eiseres] B.V., te [woonplaats], eiseres

(gemachtigde: mr. B.J. Maes),

en

de staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, verweerder

(gemachtigde: mr. J.H. Smits).

Procesverloop

In het besluit van 11 december 2019 (bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres niet-ontvankelijk verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 september 2021. De rechtbank heeft de zaak gevoegd behandeld met de zaak SGR 20/3139. De rechtbank heeft de zaken voor de uitspraak gesplitst. Partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden.

Overwegingen


Waar gaat deze zaak over?

1. Bij e-mailbericht van 22 augustus 2019 heeft eiseres gesteld dat de Inspectie SZW de vertrouwelijkheid tussen haar en haar gemachtigde heeft geschonden. In een boeterapport dat tegen eiseres is gericht, is namelijk een e-mailcorrespondentie opgenomen tussen eiseres en haar gemachtigde. Verweerder heeft bij brief van 26 september 2019 (hierna: de brief) inhoudelijk gereageerd op het e-mailbericht van 22 augustus 2019. Eiseres heeft vervolgens bezwaar gemaakt tegen de brief.

2. Verweerder heeft het bezwaar van eiseres bij het bestreden besluit niet-ontvankelijk verklaard, omdat de brief volgens verweerder geen besluit is, zoals bedoeld in artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. Er staat daarom geen bezwaar open tegen de brief.


Wat vindt eiseres in beroep?

3. Eiseres kan zich niet verenigen met het bestreden besluit. Zij voert – kort samengevat – aan dat de brief wel een besluit is, zoals bedoeld in artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. Eiseres betoogt verder dat verweerder de correspondentie tussen haar en haar gemachtigde niet had mogen betrekken in het boeterapport.

Wat is het oordeel van de rechtbank?

4. De rechtbank overweegt dat eiseres afzonderlijk in rechte is opgekomen tegen het besluit van 13 maart 2020 waarbij haar een boete is opgelegd (de hoofdzaak). Zoals ter zitting met partijen is afgesproken, heeft de rechtbank het geschil over het opnemen van de e-mailcorrespondentie tussen eiseres en haar gemachtigde betrokken in de uitspraak van vandaag in de hoofdzaak. Om die reden is, zoals ook besproken ter zitting, het procesbelang in deze beroepszaak komen te vervallen. De rechtbank verklaart dit beroep dan ook niet-ontvankelijk.

Wat is de conclusie?

5. Het beroep is niet-ontvankelijk.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.M. Meijers, rechter, in aanwezigheid van mr. J.F.A. Bleichrodt, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 13 oktober 2021.

griffier

rechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.

Algemene wet bestuursrecht. Zaaknummer: SGR 20/3139.