Bestuursrecht overig
beroep niet tijdig beslissen gegrond. Wob verzoek
Rechtbank Den Haag, 28 juli 2021
ECLI:NL:RBDHA:2021:8100 · Rechtbank Den Haag · 28 juli 2021
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-den-haag/bestuursrecht/bestuursrecht-overig/eerste-aanleg-enkelvoudig/ecli-nl-rbdha-2021-8100
Zaakgegevens
Op 28 juli 2021 heeft de Rechtbank Den Haag in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over bestuursrecht.
- Instantie
- Rechtbank Den HaagRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Den Haag
- Datum uitspraak
- 28 juli 2021
- Datum publicatie
- 26 juli 2021
- Zaaknummer
- AWB - 20 _ 6127
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Bestuursrecht overig
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudigEnkelvoudige kamerDe zaak is behandeld door één rechter.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBDHA:2021:8100
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
beroep niet tijdig beslissen gegrond. Wob verzoek
Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 20/6127
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 28 juli 2021 in de zaak tussen
[eiseres], te [woonplaats], eiseres
en
de minister voor Rechtsbescherming, verweerder
(gemachtigde: mr. E. Wilting).
Procesverloop
Eiseres heeft op 22 september 2020 digitaal bij de rechtbank beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op haar verzoek om informatie op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob) van 25 mei 2020.
Verweerder heeft op 16 oktober 2020 een verweerschrift en de op de zaak betrekking hebbende stukken ingediend.
Eiser en verweerder hebben nadere stukken ingediend.
De zitting was op 1 juni 2021 via een Skypeverbinding. Eiseres was aanwezig. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
Waar gaat deze zaak over?
1. Eiseres heeft een verzoek om informatie op grond van de Wob ingediend bij het Nederlands Instituut voor Forensische Psychiatrie en Psychologie (NIFP). Zij heeft verzocht om een kopie van het volledige dossier van haar zoon.
2. Verweerder voert aan dat het Wob verzoek in overleg met eiseres is aangemerkt als een verzoek op grond van de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG) en is doorgestuurd naar de Raad voor de Kinderbescherming. Niet het NIFP maar de Raad voor de Kinderbescherming heeft, als onderdeel van hetzelfde ministerie, een besluit genomen op haar verzoek. Nu eiseres het volledige dossier heeft ontvangen moet haar beroep niet-ontvankelijk worden verklaard. Bovendien is de verzochte informatie niet meer beschikbaar bij het NIFP, omdat alle documenten na het onderzoek zijn vernietigd.
3. Volgens eiseres is er geen beslissing op haar verzoek genomen binnen de wettelijke termijn. De documenten die bij het NIFP berusten zien op het medisch onderzoek, waar zij tot op heden geen informatie over heeft ontvangen. Ook is zij niet ingelicht over het omzetten van haar Wob verzoek in een AVG verzoek. Eiseres heeft verweerder bij brief van 14 juli 2020 in gebreke gesteld en op 22 september 2020 heeft zij het onderhavige beroep ingediend.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
4. Ter beoordeling van de rechtbank ligt voor of er tijdig is beslist op het verzoek van eiseres. Naar het oordeel van de rechtbank is het evident dat eiseres een Wob verzoek heeft ingediend bij het NIFP. Niet is gebleken dat zij heeft ingestemd met het aanmerken van haar verzoek als te zijn gericht tegen de Raad voor de kinderbescherming. Wel heeft eiseres ter zitting te kennen gegeven dat zij een verzoek op grond van de AVG heeft beoogd.
Verweerder heeft derhalve nog niet beslist op het verzoek van eiseres. Nu de beslistermijn ten tijde van de in gebreke stelling reeds was verstreken en verweerder nog steeds niet heeft beslist op het verzoek van eiseres is het beroep gegrond.
Dit betekent dat de minister, als verantwoordelijke van het NIFP, alsnog een besluit moet nemen op het verzoek van eiseres en dit verzoek moet aanmerken als een verzoek op grond van de AVG.
Gelet op het vorenstaande is het beroep gegrond.
5. Op grond van artikel 8:55d, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaalt de rechtbank als het beroep gegrond is en nog geen besluit is bekendgemaakt dat het bestuursorgaan binnen twee weken na de dag waarop de uitspraak wordt verzonden alsnog een besluit bekendmaakt.
De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:55d, tweede lid, van de Awb en in overeenstemming met het landelijke beleid (gepubliceerd op www.rechtspraak.nl) dat de minister een dwangsom van €100,- verschuldigd is voor elke dag waarmee de hiervoor genoemde termijn wordt overschreden, met een maximum van € 15.000,-.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit op de aanvraag gegrond;
- draagt verweerder op binnen twee weken na de dag van verzending van deze uitspraak alsnog een beslissing op het bezwaar bekend te maken;
- bepaalt dat verweerder aan eiser een dwangsom van € 100,- verbeurt voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,-;
- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 178,- aan eiser te vergoeden;
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.H. Smits, rechter, in aanwezigheid van mr. H.A. Abdolbaghai, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 28 juli 2021.
griffier rechter
de rechter is verhinderd te ondertekenen.
Afschrift verzonden aan partijen op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.