Bestuursrecht overig

Verweerder is pas in 2021 bekend geworden met het inkomen uit sparen en beleggen van eiseres en beschikt dus…

Rechtbank Den Haag, 12 april 2022

Zaakgegevens

Op 12 april 2022 heeft de Rechtbank Den Haag in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over bestuursrecht.

Instantie
Rechtbank Den Haag
Zittingsplaats
Den Haag
Datum uitspraak
12 april 2022
Datum publicatie
11 mei 2022
Zaaknummer
AWB - 21 _ 3985
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI
ECLI:NL:RBDHA:2022:4496
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Verweerder is pas in 2021 bekend geworden met het inkomen uit sparen en beleggen van eiseres en beschikt dus over een nieuw feit. Dat wellicht de inspecteur voor de inkomstenbelasting eerder over die informatie kon beschikken, maakt dat niet anders. De inspecteur inkomstenbelasting en verweerder zijn immers twee verschillende bestuursorganen.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Team belastingrecht

zaaknummer: SGR 21/3985

proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van
12 april 2022 in de zaak tussen

[eiseres] , te [woonplaats] , eiseres
(gemachtigde: W.C.J. Kuipers),

en

de Belastingdienst/Toeslagen, verweerder.

De bestreden beslissing op bezwaar

De uitspraak van verweerder van 10 mei 2021 op het bezwaar van eiseres tegen het besluit van verweerder van 3 april 2021 waarbij de definitieve berekening van de huurtoeslag voor het jaar 2017 is herzien naar nihil.

Zitting

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 april 2022. De gemachtigde van eiseres heeft de rechtbank schriftelijk bericht niet op de zitting aanwezig te zullen zijn. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door [A] en [B] .

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Overwegingen

1. Naar aanleiding van een melding uit de Basisregistratie Inkomen (BRI) dat eiseres over het jaar 2017 voordeel uit sparen en beleggen heeft genoten, heeft verweerder bij het besluit van 3 april 2021 de huurtoeslag voor het jaar 2017 van eiseres herzien naar nihil.

2. Niet in geschil is dat de waarde van de bezittingen van eiseres in 2017 € 25.829 bedroeg, dat zij in dat jaar voordeel uit sparen en beleggen heeft genoten en dat zij als gevolg daarvan geen aanspraak heeft op huurtoeslag. Eiseres stelt echter dat verweerder niet beschikt over een nieuw feit als bedoeld in artikel 21, eerste lid, letter a, van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (Awir) (nieuw feit) omdat verweerder al op

7 september 2018, het moment van de oorspronkelijke definitieve berekening huurtoeslag voor het jaar 2017, bekend was met haar vermogen. Zij heeft in dat verband een stuk overgelegd met als kopje “Vooraf ingevulde gegevens van [eiseres] ” waarin de desbetreffende banksaldi staan vermeld.

3. Niet in geschil is dat eiseres pas op 10 februari 2021 de aangifte inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) heeft gedaan voor het jaar 2017 en dat dit heeft geleid tot de aanslag IB/PVV 2017 van 16 maart 2021. Die informatie is vervolgens verwerkt in de BRI waarna verweerder hiervan kennis heeft genomen. Dat betekent dat verweerder pas in 2021 bekend is geworden met het inkomen uit sparen en beleggen van eiseres en dat hij dus beschikt over een nieuw feit. Dat wellicht de inspecteur voor de inkomstenbelasting eerder over die informatie kon beschikken gezien het door eiseres overgelegde stuk, maakt dat niet anders. De inspecteur inkomstenbelasting en verweerder zijn immers twee verschillende bestuursorganen zodat de eventuele wetenschap van de inspecteur inkomstenbelasting niet kan worden toegerekend aan verweerder. Niet gebleken is dat verweerder eerder dan in maart 2021 wist dat eiseres voor het jaar 2017 voordeel uit sparen en beleggen had.

4. Gelet op wat hiervoor is overwogen, is het beroep ongegrond verklaard.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Deze uitspraak is gedaan door mr. G.J. Ebbeling, rechter, in aanwezigheid van

mr. H.J. Habetian, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 12 april 2022.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na verzending hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019,

2500 EA Den Haag. (Nadere informatie www.raadvanstate.nl)