Bestuursrecht overig

Afwijzing aanvraag VOG voor werkzaamheden als taxichauffeur - verweerder heeft zich op het standpunt mogen…

Rechtbank Den Haag, 7 november 2025

Zaakgegevens

Op 7 november 2025 heeft de Rechtbank Den Haag in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over bestuursrecht.

Instantie
Rechtbank Den Haag
Zittingsplaats
Den Haag
Datum uitspraak
7 november 2025
Datum publicatie
22 september 2026
Zaaknummer
SGR 24/9585
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI
ECLI:NL:RBDHA:2025:28159
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Afwijzing aanvraag VOG voor werkzaamheden als taxichauffeur - verweerder heeft zich op het standpunt mogen stellen dat de belangenafweging in eisers nadeel uitvalt - beroep ongegrond.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: SGR 24/9585


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 7 november 2025 in de zaak tussen


[eiser], uit [woonplaats], eiser

(gemachtigde: mr. H. Oldenhof),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. M. Singh).

Inleiding

1. Eiser heeft een aanvraag ingediend voor een verklaring omtrent gedrag (VOG). Verweerder heeft deze aanvraag met het besluit van 29 juli 2024 afgewezen. Met het bestreden besluit van 28 oktober 2024 op het bezwaar van eiser is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.

1.1.

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.

1.2.

De rechtbank heeft het beroep op 2 oktober 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van verweerder.

Beoordeling door de rechtbank

Waar gaat deze zaak over?

2. Eiser wil als taxichauffeur werken en wil daarvoor een chauffeurskaart aanvragen bij Kiwa Register (hierna: Kiwa). Voor deze aanvraag moet hij beschikking hebben over een VOG. Op 26 mei 2024 heeft eiser een aanvraag ingediend om afgifte van een VOG. Verweerder heeft deze aanvraag afgewezen.

2.1.

Verweerder heeft aan de afwijzing van de aanvraag ten grondslag gelegd dat in het Justitieel Documentatiesysteem (JDS) de volgende relevante justitiële gegevens zijn geregistreerd:

  • Eiser is op 6 april 2023 veroordeeld vanwege drugshandel, meermalen gepleegd (artikel 10, vierde lid, in samenhang gelezen met artikel 2, aanhef en onder b, van de Opiumwet) en het aanwezig hebben van drugs (artikel 10, derde lid, in samenhang gelezen met artikel 2, aanhef en onder c van de Opiumwet) tot een gevangenisstraf van 20 maanden. Deze uitspraak is op 21 april 2023 onherroepelijk geworden. Bij beslissing van 11 januari 2024 is eiser voorwaardelijk in vrijheid gesteld met bijzondere voorwaarde met een proeftijd van 365 dagen. Deze proeftijd was van kracht tot 1 maart 2025.

  • Eiser is op 21 november 2022 veroordeeld vanwege niet voldoen aan de rijbewijsplicht (artikel 107, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994) tot een taakstraf van 28 uren subsidiair 14 dagen hechtenis en een voorwaardelijke hechtenis van 1 week met een proeftijd van 2 jaar. Deze proeftijd is van kracht tot 6 februari 2025. Deze uitspraak is op 8 februari 2023 onherroepelijk geworden.

  • Eiser is op 8 augustus 2022 veroordeeld vanwege niet voldoen aan de rijbewijsplicht (artikel 107, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994) tot een geldboete van € 400,- subsidiair 8 dagen hechtenis. Deze uitspraak is op 23 augustus 2022 onherroepelijk geworden.

  • Eiser is op 11 februari 2022 veroordeeld vanwege niet voldoen aan de rijbewijsplicht (artikel 107, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994) tot een geldboete van € 250,- subsidiair 5 dagen hechtenis. Deze uitspraak is op 31 maart 2022 onherroepelijk geworden.

  • Eiser is op 23 december 2021 veroordeeld vanwege niet voldoen aan de rijbewijsplicht (artikel 107, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994) tot een geldboete van € 250,- subsidiair 5 dagen hechtenis. Deze uitspraak is op 7 januari 2022 onherroepelijk geworden.

  • Bij strafbeschikking van 21 december 2021 is aan eiser een geldboete van € 350,- opgelegd vanwege niet voldoen aan de rijbewijsplicht (artikel 107, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994).

  • Bij strafbeschikking van 21 juni 2021 is aan eiser een geldboete van C 500,- opgelegd vanwege niet voldoen aan de rijbewijsplicht (artikel 107, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994).

  • Bij strafbeschikking van 25 maart 2021 is aan eiser een geldboete van € 430,- opgelegd vanwege als bestuurder onverzekerd rijden (artikel 30, vierde lid, van de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen).

  • Op 29 oktober 2019 is tegen eiser een zaak vanwege niet voldoen aan de rijbewijsplicht (artikel 107, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994) geseponeerd op grond van "Beëindiging executie strafbeschikking: oud feit".

2.2.

Omdat verweerder binnen de terugkijktermijn meerdere strafbare feiten heeft gevonden, heeft verweerder ook gekeken naar strafbare feiten buiten de terugkijktermijn om het risico op herhaling in te schatten. Verweerder heeft buiten de terugkijktermijn strafbare feiten gevonden in 2017. Dit betrof brandstichting en een wapendelict. Al deze strafbare feiten vormen volgens verweerder, indien herhaald, een belemmering voor de behoorlijke uitoefening van de functie van taxichauffeur. Verder vindt verweerder dat het belang van de samenleving zwaarder weegt dan het belang van eiser bij de afgifte van de VOG.

Wat vindt eiser in beroep?

3. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit. Het is correct dat eiser een problematisch verleden heeft en meermaals in aanraking is gekomen met justitie. Eiser is echter enige tijd geleden in vrijheid gesteld en vanaf dat moment probeert hij op een goede manier zijn leven op te pakken en het verleden achter zich te laten. Hij heeft sindsdien ook geen enkel strafbaar feit meer gepleegd. Eiser is nog jong en heeft een hele toekomst voor zich. Op dit moment werkt eiser met reclassering aan zijn toekomst. Ter onderbouwing heeft eiser een verklaring overgelegd van zijn trajectondersteuner bij [zorginstantie]. Deze organisatie biedt eiser, naast verblijf, ook persoonlijke begeleiding bij financiële problemen, participatie en werk, het vinden van woonruimte en het opbouwen van sociale contacten. Indien eiser als taxichauffeur zou kunnen werken, zou hij zijn schulden sneller kunnen aflossen. Gelet op het voorgaande dient de VOG aan hem te worden afgegeven.

Wat is het oordeel van de rechtbank?

4. Uit de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens (Wjsg) en de Beleidsregels VOG-NP-RP 2024 (hierna: de Beleidsregels) volgt dat afgifte van de VOG in beginsel wordt geweigerd indien aan het objectieve criterium is voldaan. Het objectieve criterium betreft de beoordeling of de justitiële gegevens die ten aanzien van de aanvrager zijn aangetroffen, indien herhaald, gelet op het risico voor de samenleving, een belemmering vormen voor een behoorlijke uitoefening van de functie waarvoor de VOG is aangevraagd.

4.1.

De rechtbank begrijpt eiser zo, dat niet door hem wordt betwist dat is voldaan aan het objectieve criterium. De vraag die voorligt is of verweerder op grond van de omstandigheden van het geval toch de gevraagde VOG had moeten verstrekken omdat het belang van eiser bij het verstrekken van de VOG zwaarder weegt dan het belang van de samenleving bij bescherming tegen het door middel van het objectieve criterium vastgestelde risico voor de samenleving. Dat wordt ook wel het subjectieve criterium genoemd. Bij de beoordeling van het subjectieve criterium betrekt verweerder in ieder geval de afdoening van de strafzaak, het tijdsverloop en de hoeveelheid antecedenten.

4.2.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het belang van de beperking van de risico’s voor de samenleving zwaarder wegen dan de belangen van eiser om als taxichauffeur te kunnen werken. Verweerder heeft alle relevante feiten en omstandigheden van het geval kenbaar betrokken en meegewogen in de belangenafweging. Verweerder heeft in eisers voordeel meegewogen dat hij nog jong is en dat er zes lichte straffen zijn opgelegd. Maar verweerder heeft in eisers nadeel kunnen meewegen dat hij kort geleden voor het laatst te maken heeft gehad met justitie. Eiser is namelijk op 6 april 2023 veroordeeld voor handel in en aanwezig hebben van drugs tot een gevangenisstraf van 20 maanden en is op 1 maart 2024 in vrijheid gesteld. Daarnaast heeft verweerder in het nadeel van eiser mee mogen wegen dat dit een ernstig strafbaar feit is. Bovendien liep hij ten tijde van de beslissing op bezwaar voor twee strafbare feiten nog in een proeftijd. Verder heeft verweerder in eisers nadeel mogen meewegen dat eiser veelvuldig in contact is gekomen met justitie, dat ook buiten de terugkijktermijn strafbare feiten zijn gevonden en dat eiser in het verleden tijdens zijn proeftijd opnieuw een strafbaar feit heeft gepleegd.

4.3.

Verder vindt de rechtbank dat verweerder de persoonlijke omstandigheden van eiser voldoende heeft meegewogen. Verweerder heeft meegewogen dat hij geen strafbare feiten meer heeft gepleegd sinds zijn vrijlating, hij aan het werk is als bezorger, hij woont bij [zorginstantie] alwaar zij positief zijn over hem en dat hij als taxichauffeur een vast inkomen kan genereren zodat hij zijn schuldenproblematiek kan oplossen. Verweerder heeft echter, gelet op de hiervoor genoemde omstandigheden (ernstig feit, kort tijdsverloop en hoeveelheid gepleegde strafbare feiten), in redelijkheid het belang van de samenleving zwaarder mogen laten wegen dan het belang van eiser bij afgifte van een VOG. De rechtbank acht, evenals verweerder, de stappen die eiser zet positief, maar verweerder heeft op goede gronden kunnen overwegen dat deze positieve ontwikkelingen te recent zijn om het risico op herhaling dusdanig klein te achten dat een VOG kan worden afgegeven. Voor de volledigheid merkt de rechtbank op dat de weigering om de VOG op dit moment af te geven, niet betekent dat afgifte van een VOG in de toekomst is uitgesloten.

Conclusie en gevolgen

5. Het beroep is ongegrond. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. D.C. Laagland, rechter, in aanwezigheid van mr. J.J. Yilmaz, griffier.

Uitgesproken in het openbaar op 7 november 2025.

griffier

rechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Zie paragraaf 3.1.3. van de Beleidsregels. Zie paragraaf 3.1.4. van de Beleidsregels.