Bestuursrecht overig
Dublin, verzet, Duitsland, herhaling beroepsgronden, interstatelijk vertrouwensbeginsel, verzet ongegrond.
Rechtbank Den Haag, 25 april 2025
ECLI:NL:RBDHA:2025:7878 · Rechtbank Den Haag · 25 april 2025
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-den-haag/bestuursrecht/bestuursrecht-overig/eerste-aanleg-enkelvoudig/ecli-nl-rbdha-2025-7878
Zaakgegevens
Op 25 april 2025 heeft de Rechtbank Den Haag in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over bestuursrecht.
- Instantie
- Rechtbank Den HaagRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Den Haag
- Datum uitspraak
- 25 april 2025
- Datum publicatie
- 7 mei 2025
- Zaaknummer
- NL24.50718 V
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Bestuursrecht overig
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudigEnkelvoudige kamerDe zaak is behandeld door één rechter.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBDHA:2025:7878
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Dublin, verzet, Duitsland, herhaling beroepsgronden, interstatelijk vertrouwensbeginsel, verzet ongegrond.
Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.50718 V
uitspraak van de enkelvoudige kamer op het verzet van
[opposant]
, opposant
V-nummer: [v-nummer]
(gemachtigde: C.T.W. van Dijk),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder.
Procesverloop
Opposant heeft tegen de beslissing op bezwaar van verweerder van 18 december 2024 (het bestreden besluit) beroep ingesteld.
Bij uitspraak van 18 februari 2025 heeft de rechtbank dat beroep ongegrond verklaard.
Opposant heeft tegen deze uitspraak verzet ingesteld.
Opposant heeft niet verzocht om op een zitting te worden gehoord.
Overwegingen
1. De rechtbank heeft in de beroepszaak uitspraak gedaan zonder zitting. Artikel 8:54 van de Algemene Wet Bestuursrecht (Awb) biedt die mogelijkheid als het eindoordeel buiten redelijke twijfel staat. De rechtbank heeft het beroep kennelijk ongegrond geacht. De reden hiervoor is dat de rechtbank tot de conclusie is gekomen dat verweerder de aanvraag van opposant terecht niet in behandeling heeft genomen op grond van artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000), omdat op grond van de Verordening (EU) 604/2013 (de Dublinverordening) Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag.
2. Bij verzet oordeelt de rechtbank uitsluitend of het beroep van opposant buiten redelijke twijfel ongegrond verklaard kon worden zonder het houden van een zitting. Aan de inhoud van de beroepsgronden komt de rechtbank in deze zaak pas toe als het verzet gegrond is.
3. Opposant voert tegen de uitspraak van de rechtbank aan dat ten aanzien van Duitsland ten onrechte van het interstatelijk vertrouwensbeginsel uit is gegaan. Opposant meent dat het niet aannemelijk is dat hij zich bij problemen in Duitsland kan beklagen. Daarbij benoemt opposant verschillende artikelen, voornamelijk over geweld in Duitsland jegens vluchtelingen en asielzoekerscentra en over rechtsextremistisch geweld. Opposant meent dat de Duitse autoriteiten kennelijk niet in staat zijn hem en andere asielzoekers tegen dit geweld te beschermen. Ook de opvangcapaciteit in Duitsland staat onder druk, zodat opposant meent dat de Duitse autoriteiten kennelijk ook niet in staat zijn te garanderen dat er voor asielzoekers voldoende (adequate) opvangplekken beschikbaar zijn. De rechtbank heeft onterecht geconcludeerd dat aanvullend onderzoek door verweerder naar de procedure van opposant in Duitsland achterwege kon blijven en heeft opposant onterecht niet op zitting gehoord over dit punt.
4. De rechtbank overweegt het volgende
5. In wat opposant heeft aangevoerd ziet de rechtbank geen aanleiding anders te oordelen dan in de uitspraak van 18 februari 2025. Hierbij is van belang dat hetgeen is aangevoerd grotendeels een herhaling is van de eerdere beroepsgronden. De rechtbank is in de eerdere uitspraak op die beroepsgronden ingegaan en heeft een gemotiveerd oordeel gegeven waarom het beroep kennelijk ongegrond is. De artikelen die eiser heeft aangevoerd maken het oordeel van de rechtbank ten opzichte van het voorgaande niet anders. De rechtbank verwijst hierbij tevens naar de uitspraak van de Afdeling van 8 november 2023, waarin wordt bevestigd dat ten aanzien van Duitsland van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. Dat opposant het niet eens is met de inhoud van de uitspraak is onvoldoende om het verzet gegrond te verklaren. Verder heeft opposant geen gronden naar voren gebracht waaruit blijkt dat zich feiten en omstandigheden voordoen die bij een normale behandeling ter zitting nog hadden kunnen worden aangevoerd en die zich mogelijk tegen een overdracht naar Duitsland verzetten. De rechtbank heeft de gronden die door eiser naar voren zijn gebracht voldoende zorgvuldig beoordeeld en de uitspraak juist gemotiveerd.
6. Gelet op het voorgaande is het verzet ongegrond. Dat betekent dat de eerdere uitspraak in stand blijft.
7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank verklaart het verzet ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.M.A. Vinken, rechter, in aanwezigheid van
V. Nooteboom, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: