Bestuursrecht overig

Beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen door verweerder op een verzoek op grond van de Wet open…

Rechtbank Den Haag, 27 mei 2026

Zaakgegevens

Op 27 mei 2026 heeft de Rechtbank Den Haag in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over bestuursrecht.

Instantie
Rechtbank Den Haag
Zittingsplaats
Den Haag
Datum uitspraak
27 mei 2026
Datum publicatie
19 mei 2026
Zaaknummer
26/704
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI
ECLI:NL:RBDHA:2026:12619
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen door verweerder op een verzoek op grond van de Wet open overheid (Woo). Het beroep is kennelijk gegrond.

Uitspraak

0R0ECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: SGR 26/704


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 27 mei 2026 in de zaak tussen

[eiser] en [eiseres], uit [woonplaats], eisers,

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder.

Procesverloop

Eisers hebben beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen door verweerder op hun verzoek op grond van de Wet open overheid (Woo) van 28 mei 2025.

Verweerder heeft op 17 maart 2026 een verweerschrift ingediend. Hierop hebben eisers bij brief van 7 mei 2025 gereageerd.

Overwegingen

1. De rechtbank nodigt partijen niet uit voor een zitting, omdat dat op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in deze zaken niet nodig is.

2. Tegen het niet tijdig nemen van een besluit kan beroep worden ingesteld. Het beroepschrift kan worden ingediend zodra het bestuursorgaan in gebreke is om op tijd een besluit te nemen en twee weken zijn verstreken nadat een schriftelijke ingebrekestelling door het bestuursorgaan is ontvangen.

3. Tussen partijen is niet in geschil dat de beslistermijn is overschreden. Eisers hebben verweerder op 16 december 2026 in gebreke gesteld. Eisers hebben het beroep meer dan twee weken daarna ingesteld.

4. Het beroep is kennelijk gegrond.

5. Omdat verweerder nog geen besluit heeft genomen, bepaalt de rechtbank dat verweerder dit alsnog moet doen. Gelet op het bepaalde in artikel 8:55d, derde lid, van de Awb zal de rechtbank, gezien de argumenten van verweerder in zijn verweerschrift, verweerder opdragen binnen een termijn van vier weken na verzending van deze uitspraak alsnog een besluit op het verzoek te nemen.

6. De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:55d, tweede lid, van de Awb dat verweerder een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde beslistermijn overschrijdt. Daarbij geldt wel een maximum van € 15.000,-.

7. De rechtbank stelt voorts vast dat er geen dwangsom op grond van artikel 4:17

van de Awb is verbeurd. Immers, op 1 oktober 2016 is de Wet ter voorkoming misbruik Wob in werking is getreden. Hierdoor hebben burgers geen recht meer op een dwangsom bij het niet tijdig beslissen op een verzoek op grond van de Wob door een overheidsorgaan.

8. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

9. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, moet verweerder aan eisers het door hen betaalde griffierecht vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het met een besluit gelijk te stellen niet tijdig nemen van een besluit;

- draagt verweerder op, binnen vier weken na de dag van verzending van deze uitspraak, alsnog een besluit bekend te maken op het verzoek;

- bepaalt dat verweerder aan eisers een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van

€ 15.000,-;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 200,- aan eisers te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J.P. Bosman, rechter, in aanwezigheid van

F.J. Leegstraten, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 27 mei 2026.

griffier

rechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden.

Artikel 6:2, aanhef en onder b, in samenhang met artikel 7:1, eerste lid, aanhef en onder f, van de Awb. Artikel 6:12, tweede lid, van de Awb.