Bestuursrecht overig

Verzoek om een voorlopige voorziening en beroep wegens niet tijdig beslissen. Verzoek om onderwijs te…

Rechtbank Den Haag, 15 juli 2026

Zaakgegevens

Op 15 juli 2026 heeft de Rechtbank Den Haag in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over bestuursrecht.

Instantie
Rechtbank Den Haag
Zittingsplaats
Den Haag
Datum uitspraak
15 juli 2026
Datum publicatie
13 juli 2026
Zaaknummer
SGR 26/4327
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI
ECLI:NL:RBDHA:2026:19371
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Verzoek om een voorlopige voorziening en beroep wegens niet tijdig beslissen. Verzoek om onderwijs te realiseren voor minderjarige zoon. De voorzieningenrechter oordeelt dat er geen sprake is van een aanvraag in de zin van artikel 1:3, van de Awb omdat dit geen verzoek is een beslissing te nemen gebaseerd op een publiekrechtelijke bevoegdheid van verweerder. De voorzieningenrechter is daarom onbevoegd om kennis te nemen van het beroep en evenzeer om kennis te nemen van het verzoek om een voorlopige voorziening.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummers: SGR 26/4327 en SGR 26/4325


uitspraak van de voorzieningenrechter van 15 juli 2026 op het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening in de zaken tussen


[verzoekster] en [verzoeker], uit [woonplaats], verzoekers

en

het college van burgemeester en wethouders van Den Haag, verweerder.

Inleiding

1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoekers vanwege niet tijdig beslissen door verweerder.

1.1.

Omdat het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk is doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk is.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

Waar gaat deze zaak over?

2. Verzoekers hebben een minderjarige zoon, [minderjarige]. Hij is 8 jaar oud en gaat niet naar school. Verzoekers proberen langs verschillende wegen onderwijs voor hun zoon te bewerkstelligen en zijn daarover met verschillende instanties in gesprek. Tot op heden is het echter nog niet gelukt om dat onderwijs veilig te stellen. Verzoekers hebben een beroep wegens niet tijdig beslissen ingediend bij de rechtbank en de voorzieningenrechter gevraagd een voorlopige voorziening te treffen. Verzoekers vragen de voorzieningenrechter om verweerder op te dragen een tijdelijk maatwerktraject toe te kennen en te financieren en subsidiair om een onderwijsplek te realiseren.

Wat is het oordeel van de voorzieningenrechter?

3. Verzoekers hebben beroep ingediend tegen het niet (tijdig) nemen van een besluit. Verzoekers wensen een besluit, waarbij voor hun zoon – kortgezegd- toegang tot onderwijs wordt geregeld. Het verzoek om een voorlopige voorziening is connex aan dit beroep. Op grond van artikel 6:2, aanhef en onder b, van de Awb wordt voor de toepassing van wettelijke voorschriften over bezwaar en beroep het niet tijdig nemen van een besluit met een besluit gelijkgesteld. Voor de vaststelling welke voorzieningen openstaan tegen het niet tijdig nemen van een besluit, is bepalend het antwoord op de vraag welke voorzieningen zouden openstaan, indien wel een reëel besluit zou zijn genomen. De vraag die de voorzieningenrechter moet beantwoorden is of het verzoek tot onderwijs van verzoekers een aanvraag is in de zin van artikel 1:3, derde lid, van de Awb. Indien het verzoek niet voldoet aan de vereisten om als aanvraag te worden aangemerkt, kan er ook geen sprake zijn van het met een besluit gelijk te stellen niet tijdig nemen van een besluit als bedoeld in artikel 6:2, aanhef en onder b, van de Awb.

4. Uit artikel 1:3, derde lid, van de Awb volgt dat onder een aanvraag wordt verstaan: een verzoek van een belanghebbende om een besluit te nemen. Uit het eerste lid, van artikel 1:3, van de Awb volgt dat onder een besluit wordt verstaan: een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling. Dit betekent dat de voorzieningenrechter moet beoordelen of het verzoek erop is gericht dat verweerder een besluit neemt, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling.

5. De voorzieningenrechter oordeelt dat er geen sprake is van een aanvraag in de zin van artikel 1:3 van de Awb omdat dit geen verzoek is een beslissing te nemen gebaseerd op een publiekrechtelijke bevoegdheid van verweerder. Zoals verweerder uitvoerig toegelicht heeft in het verweerschrift beschikt zij niet over de bevoegdheid om onderwijs te regelen voor de zoon van verzoekers. Verweerder geeft daarbij ook aan dat er wel veelvuldig contact is met verzoekers om hen te bewegen de juiste route naar onderwijs te laten volgen. Het voorgaande betekent dat verzoekers geen beroep kunnen instellen tegen het niet tijdig beslissen op hun verzoek. De voorzieningenrechter is daarom niet bevoegd om van het beroep kennis te nemen.

6. Zoals verweerder in het verweerschrift heeft aangegeven, heeft het SPOHH de bevoegdheid te beoordelen of en in hoeverre een leerling toelaatbaar is tot het speciaal onderwijs. Indien verzoekers rechtsbescherming wensen tegen het al dan niet afgeven van een toelaatbaarheidsverklaring, kunnen zij zich richten tot de SPOHH, met dien verstande dat de SPOHH een aanvraag om toegang beoordeelt op aanvraag van het bevoegd gezag van een school, waar de leerling is ingeschreven of aangemeld.

Conclusie en gevolgen

7. De voorzieningenrechter oordeelt dat het verzoek van verzoekers niet kan worden aangemerkt als een aanvraag. Dat betekent dat ook geen sprake kan zijn van het met een besluit gelijk te stellen niet tijdig nemen van een besluit als bedoeld in artikel 6:2, aanhef en onder b, van de Awb. Dit betekent vervolgens dat volgens artikel 8:1, eerste lid, van de Awb, geen beroep kon worden ingesteld.

8. De voorzieningenrechter is daarom onbevoegd om kennis te nemen van het beroep en evenzeer om kennis te nemen van het verzoek om een voorlopige voorziening. Verzoekers krijgen geen vergoeding van hun proceskosten. Gelet op artikel 2.5, zevende lid, van het Procesreglement bestuursrecht rechtbanken 2025 draagt de rechtbank de griffier op het door eiseres betaalde griffierecht terug te storten.

Beslissing

De voorzieningenrechter:

- verklaart zich onbevoegd kennis te nemen van het beroep;

- verklaart zich onbevoegd kennis te nemen van het verzoek om voorlopige voorziening.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.M. de Wit, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. A. Badermann, griffier.

Uitgesproken in het openbaar op 15 juli 2026.

griffier

voorzieningenrechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak voor zover deze gaat over het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak voor zover deze gaat over het beroep. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen deze uitspraak voor zover deze gaat over de voorlopige voorziening staat geen hoger beroep open.