Bestuursrecht overig

vovo; tijdelijke opvang van dak- en thuislozen; geen spoedeisend belang; overlast;16.64, derde lid, van de…

Rechtbank Den Haag, 28 juli 2026

Zaakgegevens

Op 28 juli 2026 heeft de Rechtbank Den Haag in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over bestuursrecht.

Instantie
Rechtbank Den Haag
Zittingsplaats
Den Haag
Datum uitspraak
28 juli 2026
Datum publicatie
31 juli 2026
Zaaknummer
SGR 26/5393
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI
ECLI:NL:RBDHA:2026:21415
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

vovo; tijdelijke opvang van dak- en thuislozen; geen spoedeisend belang; overlast;16.64, derde lid, van de Omgevingswet;

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: SGR 26/5393


uitspraak van de voorzieningenrechter van 29 juli 2026 in de zaak tussen

[verzoeker 1] en [verzoeker 2] , uit [woonplaats] , verzoekers

(gemachtigde: drs. S.A.N. Geerling),

en

het college van burgemeester en wethouders van Leiden

(gemachtigde: mr. N. Kraan).

Als derde-partij neemt aan de zaak deel: Stichting De Binnenvest uit Leiden, vergunninghoudster.

Samenvatting

1. Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over de verleende omgevingsvergunning voor het tijdelijk gebruik van ‘Unit C’ op de locatie [adres] voor de lokale opvang van dak- en thuislozen voor de periode van april 2026 tot en met 15 november 2026. Verzoekers zijn het niet eens met deze omgevingsvergunning. Zij verzoeken daarom om een voorlopige voorziening en voeren daartoe een aantal gronden aan.

1.1.

De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek af. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

Procesverloop

2. Op 31 maart 2026 heeft vergunninghoudster een omgevingsvergunning aangevraagd voor het tijdelijk gebruik van ‘Unit C’ op de locatie [adres] voor de lokale opvang van dak- en thuislozen voor de periode van april 2026 tot en met 15 november 2026.

2.1.

Met het bestreden besluit van 21 april 2026 heeft het college de gevraagde omgevingsvergunning verleend voor een ‘buitenplanse omgevingsplanactiviteit’.

2.2.

Verzoekers hebben hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.

2.3.

Het college heeft op het verzoek gereageerd met een verweerschrift.

2.4.

De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 24 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van verzoekers, de gemachtigde van het college, vergezeld door [naam 1] en [naam 2] , en namens vergunninghoudster [naam 3] en [naam 4] .

Beoordeling door de voorzieningenrechter

3. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) alleen een voorlopige voorziening als onverwijlde spoed dat vereist. Daarvan is onder meer sprake als zonder het treffen van een voorlopige voorziening zich onomkeerbare gevolgen voordoen die met zich brengen dat de uitkomst van de bezwaarprocedure niet kan worden afgewacht.

3.1.

Verzoekers stellen dat zij een spoedeisend belang hebben bij het treffen van een voorlopige voorziening, omdat de opvang in gebruik is genomen zonder dat de daartoe verleende omgevingsvergunning overeenkomstig artikel 3:40 van de Awb bekend was gemaakt. Van de verlening van de omgevingsvergunning werd pas na afloop van de bezwaartermijn – op 4 juni 2026 – mededeling gedaan door publicatie in het Gemeenteblad, zodat het voor belanghebbenden niet mogelijk was om (tijdig) bezwaar te maken. Daarnaast stellen verzoekers een spoedeisend belang te hebben omdat zij, in aanvulling op de reeds bestaande overlast van de opvang in het gebouw [gebouw] , op de locatie [adres] , een toename aan overlast ervaren door de met het bestreden besluit vergunde opvang.

3.2.

Het college erkent dat een fout is gemaakt door pas op 4 juni 2026, en dus na afloop van de bezwaartermijn, door publicatie in het Gemeenteblad mededeling te doen van verlening van de omgevingsvergunning. Ter zitting heeft het college toegelicht dat daarom alle bezwaarschriften die binnen zes weken na de publicatiedatum binnen zijn gekomen niet vanwege termijnoverschrijding niet-ontvankelijk zullen worden verklaard. Verder heeft het college ter zitting meegedeeld dat een beslissing op de bezwaren op een termijn van vier tot zes weken kan worden verwacht.

3.3.

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter kunnen verzoekers aan het feit dat te laat mededeling is gedaan van het bestreden besluit geen spoedeisend belang ontlenen. Anders dan verzoekers hebben gesteld is niet gebleken dat het bestreden besluit niet overeenkomstig artikel 3:40 van de Awb bekend is gemaakt. Bekendmaking van een omgevingsvergunning vindt immers plaats door toezending aan de aanvrager, zodat het bestreden besluit op 21 april 2026 bekend is gemaakt. De omstandigheid dat vervolgens, in strijd met artikel 16.64, derde lid, van de Omgevingswet, niet zo spoedig mogelijk na bekendmaking van de omgevingsvergunning daarvan kennis is gegeven door publicatie in het Gemeenteblad, doet er niet aan af dat het bestreden besluit bekend is gemaakt. Een tekortkoming aan de kennisgeving van het bestreden besluit kan ook niet tot gevolg hebben dat het bestreden besluit onrechtmatig is. De voorzieningenrechter acht verder van belang dat verzoekers niet alleen kort voor de publicatie – op 2 juni 2026 – bezwaar hebben gemaakt tegen het bestreden besluit, maar dat zij ook als mede-indieners worden vermeld in een bezwaarschrift van 10 mei 2026. Ter zitting hebben verzoekers zich daarover op het standpunt gesteld dat het bezwaarschrift van 2 juni 2026 nadere gronden van het bezwaar van 10 mei 2026 omvat. Verzoekers hebben dus, ondanks de late kennisgeving van het besluit, tijdig bezwaar gemaakt. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter zijn verzoekers daarom niet in hun belangen geschaad. Aan de omstandigheid dat andere belanghebbenden mogelijk geen (tijdig) bezwaarschrift hebben kunnen indienen, kunnen verzoekers ook geen spoedeisend belang ontlenen. Overigens is ter zitting gebleken dat in ieder geval 22 bezwaarschriften zijn ingediend.

3.4.

De door verzoekers gestelde toename van overlast levert naar het oordeel van de voorzieningenrechter ook geen spoedeisend belang op. De voorzieningenrechter overweegt daartoe dat verzoekers niet concreet hebben onderbouwd dat de opvang in ‘Unit C’ tot een zodanige toename van overlast leidt dat de uitkomst van de bezwaarprocedure niet kan worden afwacht. Daarbij neemt de voorzieningenrechter in aanmerking dat ‘Unit C’ een bestaand gebouw is dat in de winterperiode al enkele jaren in gebruik is als opvang voor dak- en thuislozen. Bij de nu vergunde opvang in de zomerperiode gaat het om maximaal 26 opvangplaatsen, waarvan er blijkens het verhandelde ter zitting op dit moment tussen de 12 en 18 in gebruik zijn. Bovendien is geen sprake van een onomkeerbare situatie, omdat de opvang op deze locatie in het geval van een gegrond bezwaar kan worden beëindigd.

3.5.

Gelet op het voorgaande is niet gebleken van een spoedeisende situatie die een voorlopige voorziening vereist. Niet valt in te zien dat de uitkomst van de bezwaarprocedure niet kan worden afgewacht.

3.6.

Als geen sprake is van een spoedeisend belang, kan alleen nog een voorlopige voorziening worden getroffen als sprake is van een evident onrechtmatig besluit. Met evident onrechtmatig wordt bedoeld dat zonder diepgaand onderzoek naar de relevante feiten en het recht zeer ernstig moet worden betwijfeld of het door het college ingenomen standpunt juist is en of het bestreden besluit in de bezwaarprocedure stand zal houden. In wat verzoekers naar voren hebben gebracht ziet de voorzieningenrechter geen aanknopingspunt voor het oordeel dat het bestreden besluit evident onrechtmatig is. Ook daarom is er geen aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen.

Conclusie en gevolgen

4. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. S.H. van den Ende, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. J.A. Klein, griffier.

Uitgesproken in het openbaar op 29 juli 2026.

griffier

voorzieningenrechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Als bedoeld in artikel 5.1, eerste lid, onder a, van de Omgevingswet.