Bestuursrecht overig
Verzoeker is niet ontvankelijk in zijn wrakingsverzoek, omdat de motivering van het verzoek en de daaraan ten…
Rechtbank Den Haag, 30 juni 2017
ECLI:NL:RBDHA:2017:16351 · Rechtbank Den Haag · 30 juni 2017
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-den-haag/bestuursrecht/bestuursrecht-overig/wraking/ecli-nl-rbdha-2017-16351
Zaakgegevens
Op 30 juni 2017 heeft de Rechtbank Den Haag uitspraak gedaan in een zaak over bestuursrecht.
- Instantie
- Rechtbank Den HaagRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- 's-Gravenhage
- Datum uitspraak
- 30 juni 2017
- Datum publicatie
- 27 februari 2018
- Zaaknummer
- C/09/532717 KG RK 17-889
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Bestuursrecht overig
- Procedure
- WrakingWrakingEen partij vraagt om een rechter van de zaak te halen, omdat zij twijfelt aan diens onpartijdigheid.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBDHA:2017:16351
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Verzoeker is niet ontvankelijk in zijn wrakingsverzoek, omdat de motivering van het verzoek en de daaraan ten grondslag gelegde feiten en omstandigheden ontbreken in het verzoek en deze eerst (veel) later zijn gesteld.
Uitspraak
[afbeelding niet beschikbaar] [afbeelding niet beschikbaar]beslissing
WRAKINGSKAMER VAN DE RECHTBANK DEN HAAG
Meervoudige wrakingskamer
Wrakingnummer 2017/30
zaak-/rekestnummer: C/09/532717 KG RK 17-889
kenmerk: SGR AWB 16/6698 ERF G V194 G291 P2
datum beschikking: 30 juni 2017
BESLISSING
op het mondelinge verzoek tot wraking ingevolge 8:16 van de Algemene wet bestuursrecht, in de zaak van:
[verzoeker] ,
wonende te [woonplaats] ,
verzoeker,
gemachtigde: W.A. van Delft;
strekkende tot wraking van:
mr. R.C.H.M. Lips,
rechter in de rechtbank Den Haag.
Belanghebbende in deze procedure is:
de inspecteur van de Belastingdienst/Belastingen, kantoor Rotterdam,
verwerende partij in de hoofdprocedure.
1 De voorgeschiedenis en het procesverloop
Op 19 mei 2017 is in de procedure van verzoeker tegen de Belastingdienst een zitting gehouden ten overstaan van de rechter. Tijdens deze zitting heeft (de gemachtigde van) verzoeker de rechter gewraakt. Van het verhandelde ter zitting is op 19 mei 2017 een proces-verbaal opgemaakt, waarvan een afschrift op die datum aan partijen is verzonden.
De rechter heeft per brief van 6 juni 2017 op het wrakingsverzoek gereageerd.
Verzoeker heeft per brief van 22 juni 2017, afkomstig van zijn gemachtigde en ter griffie ingekomen op 23 juni 2017, de gronden van onderhavig wrakingsverzoek ingediend. De rechter heeft per brief van 23 juni 2017 op deze brief gereageerd.
2 De mondelinge behandeling van het wrakingsverzoek
Op 26 juni 2017 is het wrakingsverzoek ter zitting van deze wrakingskamer behandeld. Verschenen zijn mrs. [verweerder] en [verweerder] namens de Inspecteur van de Belastingdienst. Verzoeker en zijn gemachtigde zijn, met bericht van verhindering, niet verschenen. De rechter is, met bericht van afwezigheid, niet verschenen.
3 Het standpunt van verzoeker
Aan het wrakingsverzoek is - verkort en zakelijk weergegeven - het volgende ten grondslag gelegd. De rechter heeft zich ter zitting niet willen uitlaten over een uitstelverzoek. Bovendien gaf de rechter door zijn optreden en gezichtsuitdrukking ter zitting de indruk vooringenomen te zijn.
4 Het standpunt van de gewraakte rechter
De gewraakte rechter berust niet in de wraking. Hij weerspreekt de visie van verzoeker. Het nog niet beslissen op een aanhoudingsverzoek is voorts een processuele beslissing, die als zodanig onvoldoende is om (de schijn van) partijdigheid aan te nemen. Verder zijn de wrakingsgronden te laat ingediend.
5 Het standpunt van de Inspecteur van de Belastingdienst
Ter zitting van de wrakingskamer hebben mrs. [verweerder] en [verweerder] aangegeven de door verzoeker geschetste gang van zaken niet te herkennen. Zij hebben op de zitting van 19 mei 2017 geen punten van partijdigheid waargenomen; beide partijen zijn kritisch bevraagd.
6 De beoordeling
Op grond van artikel 8:16, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht dient het wrakingsverzoek te worden gedaan zodra de feiten en omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden, bekend zijn geworden. Volgens lid 2 van dat artikel dient het wrakingsverzoek bovendien gemotiveerd te zijn en volgens lid 3 dienen de feiten en omstandigheden tegelijk te worden voorgedragen.
In het onderhavige geval is het wrakingsverzoek direct ter zitting van 19 mei 2017 gedaan, waarbij de gemachtigde van verzoeker blijkens het proces-verbaal van de zitting heeft aangegeven dat hij de gronden van de wraking niet direct kan meedelen. De gemachtigde van verzoeker heeft pas bij brief van 22 juni 2017 de feiten en omstandigheden naar voren gebracht die naar hij stelt aanleiding hebben gegeven tot het wrakingsverzoek. Nu de motivering van het verzoek en de daaraan ten grondslag gelegde feiten en omstandigheden ontbreken in het verzoek en eerst (veel) later zijn gesteld, dient het verzoek volgens vaste jurisprudentie niet in behandeling te worden genomen dan wel niet ontvankelijk te worden verklaard. Het karakter van het instituut wraking (dat immers is bedoeld om onmiddellijk een gesignaleerde partijdigheid dan wel de schijn daarvan aan de orde te kunnen stellen) verdraagt zich immers niet met zodanig tijdsverloop. Verzoeker heeft in zijn brief bovendien geen omstandigheid aangevoerd die dit tijdsverloop tussen het verzoek tot wraking ter zitting en het aanvoeren van de wrakingsgronden per brief kan rechtvaardigen. Verzoeker is om die reden niet ontvankelijk in zijn wrakingsverzoek.
7 De beslissing
De wrakingskamer:
- verklaart verzoeker niet ontvankelijk in zijn wrakingsverzoek;
- bepaalt dat het proces in de hoofdzaak wordt voortgezet in de stand waarin het zich bevond ten tijde van het indienen van het wrakingsverzoek;
- beveelt dat (een afschrift van) deze beslissing met inachtneming van het bepaalde bij artikel 8:18, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht wordt toegezonden aan:
• de verzoeker p/a zijn gemachtigde W.A. van Delft;
• verweerder in de hoofdzaak;
• de rechter mr. R.C.H.M. Lips.
Deze beslissing is gegeven door mrs. G.P. Verbeek, T.F. Hesselink en E.F. Brinkman, rechters, in tegenwoordigheid van mr. Y.F. Ritmeijer als griffier en in het openbaar uitgesproken op 30 juni 2017.