Vreemdelingenrecht
Mondelinge uitspraak. Beroep ongegrond. Dublin Italië. Veilig land van herkomst. Tunesië
Rechtbank Den Haag, 17 september 2018
ECLI:NL:RBDHA:2018:11867 · Rechtbank Den Haag · 17 september 2018
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-den-haag/bestuursrecht/vreemdelingenrecht/eerste-aanleg-enkelvoudig/ecli-nl-rbdha-2018-11867
Zaakgegevens
Op 17 september 2018 heeft de Rechtbank Den Haag in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.
- Instantie
- Rechtbank Den HaagRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Middelburg
- Datum uitspraak
- 17 september 2018
- Datum publicatie
- 4 oktober 2018
- Zaaknummer
- NL18.15410
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Vreemdelingenrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudigEnkelvoudige kamerDe zaak is behandeld door één rechter.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBDHA:2018:11867
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Mondelinge uitspraak. Beroep ongegrond. Dublin Italië. Veilig land van herkomst. Tunesië
Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL18.15410
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam] , eiser
(gemachtigde: mr. H.K. Westerhof),
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
(gemachtigde: mr. N.H.T. Jansen).
Procesverloop
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 21 augustus 2018 (het bestreden besluit).
Het onderzoek ter zitting heeft, tezamen met de behandeling van de zaak NL18.15411, plaatsgevonden op 13 september 2018. Eiser en zijn gemachtigde zijn, met bericht vooraf niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Na afloop van de behandeling van de zaak ter zitting heeft de rechtbank onmiddellijk ter zitting uitspraak gedaan.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Overwegingen
1. Bij het bestreden besluit heeft verweerder de asielaanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond omdat eiser afkomstig is uit een veilig land van herkomst.
2. Eiser heeft in beroep bestreden dat Tunesië, zijn land van herkomst, in het algemeen een veilig land van herkomst is. Uit de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 20 oktober 2017 blijkt dat verweerder er in beginsel van uit mag gaan dat Tunesië een veilig land van herkomst is. Eiser heeft ter onderbouwing van zijn betoog verwezen naar een passage uit een landenrapport van het United States Department of State (USDOS), waaruit blijkt dat Tunesië te kampen heeft met veel corruptie waartegen niet adequaat wordt opgetreden. Naar aanleiding van een herbeoordeling veilig land van herkomst heeft verweerder op 11 juni 2018 besloten dat de aanwijzing van Tunesië als veilig land van herkomst wordt voortgezet. Deze herbeoordeling is mede op basis van het landenrapport van USDOS tot stand gekomen en hierom slaagt de grond van eiser niet.
3. Eiser heeft in zijn relaas geen specifieke persoonlijke omstandigheden naar voren gebracht waaruit zou moeten blijken dat Tunesië in zijn specifieke geval geen veilig land van herkomst is. De beroepsgrond dat aangifte of beklag wegens het incident in 2017 zinloos is, mist dan ook feitelijke grondslag.
4. Dit betekent dat verweerder de asielaanvraag van eiser terecht heeft afgewezen als kennelijk ongegrond. Dit is ook de grondslag voor het onthouden van een vertrektermijn, alsmede voor het opleggen van een inreisverbod. In eisers stelling dat hij geen gevaar vormt voor de samenleving, hoefde verweerder geen aanleiding te zien om wegens humanitaire of andere redenen af te zien van het opleggen van het inreisverbod.
5. Het beroep is ongegrond.
6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
De beslissing is in het openbaar uitgesproken door mr. B.F.Th. de Roos, rechter, in aanwezigheid van R. Ben Sellam, griffier, op 13 september 2018.
Dit proces-verbaal is digitaal ondertekend en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking van dit proces-verbaal. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.