Vreemdelingenrecht

Egyptische, asielaanvraag, lidmaatschap politieke partij en ondervonden problemen zijn niet geloofwaardig…

Rechtbank Den Haag, 20 december 2018

Zaakgegevens

Op 20 december 2018 heeft de Rechtbank Den Haag in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.

Instantie
Rechtbank Den Haag
Zittingsplaats
's-Gravenhage
Datum uitspraak
20 december 2018
Datum publicatie
3 januari 2019
Zaaknummer
NL18.22289
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI
ECLI:NL:RBDHA:2018:15506
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Egyptische, asielaanvraag, lidmaatschap politieke partij en ondervonden problemen zijn niet geloofwaardig geacht, een inreisverbod is opgelegd

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: NL18.22289


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], eiser, V-nummer [V-nummer]

(gemachtigde: mr. R.J. Schenkman),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. M.M. van Duren).


Procesverloop
Bij besluit van 21 november 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) afgewezen als kennelijk ongegrond. Tevens heeft verweerder een inreisverbod voor de duur van twee jaar opgelegd.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft, tezamen met de behandeling van de zaak NL18.22290, plaatsgevonden op 18 december 2018. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Tevens is N.L. Helali als tolk ter zitting verschenen.

Overwegingen

1. Eiser is geboren op [geboortedatum] 1995 en heeft de Egyptische nationaliteit. Hij heeft aan de grens te kennen gegeven een asielaanvraag in te willen dienen en heeft hiertoe op 25 oktober 2018 de onderhavige aanvraag ingediend. Gelet hierop is het besluit tot weigering van de toegang van eiser tot Nederland uitgesteld.

Eiser heeft eerder, op 5 juni 2014, een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Bij besluit van 19 augustus 2014 is deze aanvraag afgewezen omdat Italië verantwoordelijk was om de asielaanvraag te behandelen. Het hiertegen ingediende beroep is bij uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Utrecht, van 15 september 2014 ongegrond verklaard. Eiser is vervolgens per 9 oktober 2014 met onbekende bestemming vertrokken. Op 19 februari 2018 heeft eiser vervolgens een asielaanvraag in het Verenigd Koninkrijk ingediend. Eiser is op 25 oktober 2018 door het Verenigd Koninkrijk aan Nederland overgedragen.

2. Eiser heeft – samengevat weergegeven – aan zijn asielaanvraag ten grondslag gelegd dat hij begin 2013 lid is geworden van de ‘[X]’ (Freedom and Justice Party), onderdeel van de Moslimbroederschap. In 2013 heeft hij deelgenomen aan een langdurige demonstratie waarbij een tentenkamp is opgezet. Bij de ontruiming van het tentenkamp op 14 augustus 2013 zijn de oom en een vriend van eiser opgepakt. Naar aanleiding van de door hem verrichte activiteiten is de Egyptische staatsveiligheidsdienst naar eiser op zoek. Er wordt twee à drie keer per jaar bij zijn moeder navraag naar hem gedaan.

3. Verweerder heeft de aanvraag van eiser op grond van artikel 31, eerste lid, van de Vw 2000 in samenhang met artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder e, van de Vw 2000 afgewezen als kennelijk ongegrond en heeft daaraan het volgende ten grondslag gelegd. Verweerder heeft de volgende elementen in het asielrelaas van eiser als relevant gekwalificeerd:

1) nationaliteit, identiteit en herkomst;

2) lidmaatschap Freedom and Justice Party (onderdeel Moslimbroederschap) en daaraan gelieerde problemen.

Verweerder heeft de verklaringen van eiser over zijn nationaliteit, identiteit en herkomst geloofwaardig geacht. Daarentegen heeft verweerder niet geloofwaardig geacht dat eiser lid is geweest van de Freedom and Justice Party en hierdoor problemen heeft ondervonden.

Eiser kan niet worden aangemerkt als vluchteling in de zin van het Verdrag van Genève betreffende de status van vluchtelingen van 1951 (Trb. 1954, 88), zoals gewijzigd bij Protocol van New York van 1967 (Trb. 1967, 76) en heeft ook niet aannemelijk gemaakt dat hij bij uitzetting een reëel risico loopt op ernstige schade in de zin van artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).

4. Eiser kan zich niet verenigen met het bestreden besluit en heeft hiertoe – samengevat weergegeven – het volgende aangevoerd. Eiser stelt zich op het standpunt dat zijn aanvraag ten onrechte als kennelijk ongegrond is afgewezen. Hij heeft zijn lidmaatschap van de Freedom and Justice Party door middel van uitgebreide en gedetailleerde verklaringen aannemelijk gemaakt en heeft een originele lidmaatschapskaart overgelegd. Ten onrechte heeft verweerder de overgelegde kaart niet op echtheid onderzocht. Verder is eisers zienswijze op diverse punten gevolgd en heeft hij correcte data genoemd met betrekking tot de gebeurtenissen. Eiser heeft daarom wel aannemelijk gemaakt in de negatieve belangstelling van de Egyptische autoriteiten te staan. In de beoordeling heeft verweerder ten onrechte niet betrokken dat het eenvoudig is om eisers personalia te achterhalen aangezien hij als partijlid geregistreerd staat en dat het aannemelijk is dat zijn oom en vriend bij ondervragingen eisers naam genoemd hebben. Dit volgt uit de omstandigheid dat de autoriteiten bij de moeder van eiser langs zijn geweest. Tot slot voert eiser aan dat het onthouden van een vertrektermijn en het opleggen van een inreisverbod achterwege dient te blijven, nu geen sprake is van een kennelijk ongegronde aanvraag.

5. Verweerder heeft gemotiveerd verweer gevoerd.

6. Ingevolge artikel 31, eerste lid, van de Vw 2000 wordt een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van die wet afgewezen, indien de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat zijn aanvraag is gegrond op omstandigheden die, hetzij op zichzelf, hetzij in samenhang met andere feiten, een rechtsgrond voor verlening vormen.

Ingevolge artikel 30b, eerste lid, aanhef, van de Vw 2000 kan een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000 worden afgewezen als kennelijk ongegrond in de zin van artikel 32, tweede lid, van de Procedurerichtlijn, indien:

e. de vreemdeling kennelijk inconsequente en tegenstrijdige, kennelijk valse of duidelijk onwaarschijnlijke verklaringen heeft afgelegd die strijdig zijn met voldoende geverifieerde informatie over het land van herkomst, waardoor zijn verklaringen alle overtuigingskracht wordt ontnomen met betrekking tot de vraag of hij in aanmerking komt voor verlening van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000.

7. De rechtbank overweegt als volgt.

7.1.

Verweerder heeft eisers lidmaatschap van de Freedom and Justice Party en de daaraan gelieerde problemen niet ten onrechte ongeloofwaardig geacht. In dit verband heeft verweerder eiser kunnen aanrekenen dat hij op essentiële punten over de partij onvoldoende overtuigend en duidelijk heeft verklaard. Zo weet eiser niet wanneer de partij is opgericht noch wanneer deze is opgeheven, kan hij het logo van de partij niet beschrijven en weet hij niet waar het hoofdkantoor gevestigd is. Verder heeft verweerder in redelijkheid kunnen overwegen dat eiser in algemeenheden blijft steken wanneer hem gevraagd wordt naar de doelstellingen van de partij. Het antwoord dat zij de maatschappij wilden verbeteren, vrijheid en gerechtigheid wilden voor iedereen evenals gelijkheid heeft verweerder onvoldoende concreet kunnen vinden. Verweerder heeft van eiser in redelijkheid kunnen verwachten dat hij over zijn aanmelding bij de partij concreter had kunnen verklaren. De verklaring dat hij zich bij een gebouw in Nasr City heeft aangemeld en dat zij blij waren met zijn aanvraag en hem niets werd gevraagd, heeft verweerder vaag kunnen vinden. Reeds op grond van het voorgaande, heeft verweerder de verklaringen van eiser omtrent zijn lidmaatschap ongeloofwaardig kunnen achten. De omstandigheid dat eiser de namen van partijfunctionarissen en hun functie kan noemen, maakt dit niet anders.

7.2.

Wat betreft de door eiser overgelegde lidmaatschapskaart van de Freedom and Justice Party, heeft verweerder het bevreemdend kunnen vinden dat eiser pas in 2018 zijn lidmaatschapskaart uit Egypte heeft laten overkomen, terwijl hij reeds in oktober 2013 zijn land van herkomst heeft verlaten. Dat het toentertijd gevaarlijk zou zijn geweest om zijn kaart mee te nemen, heeft verweerder in redelijkheid niet hoeven volgen, aangezien de partij op het moment van eisers vertrek uit Egypte nog niet verboden was. De wijze waarop eiser aan deze kaart is gekomen, heeft verweerder bevreemdend kunnen vinden. Over Hisham, de Egyptenaar uit Liverpool die de kaart voor hem in Egypte zou hebben opgehaald, heeft eiser vaag verklaard. Zo kent eiser de volledige naam van Hisham niet, heeft hij zijn contactgegevens niet, kan hij niets over diens reis naar Egypte vertellen en heeft hij sinds die tijd geen contact met hem onderhouden. Verder is van belang dat de kaart geen afgiftedatum bevat. Zoals verweerder ter zitting terecht heeft opgemerkt, kan eiser met het overleggen van deze kaart dan ook niet onderbouwen dat hij in 2013 lid is geworden van de partij. Om die reden heeft het overgelegde document onvoldoende bewijswaarde, zodat nader onderzoek naar de authenticiteit niet kan bijdragen aan de geloofwaardigheid van het door eiser naar voren gebrachte asielrelaas. Zelfs al zou de kaart na documentonderzoek authentiek blijken, dan kan het document nog niet afdoen aan de door eiser afgelegde bevreemding wekkende verklaringen. Gelet op het voorgaande, heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank geen aanleiding hoeven zien om de overgelegde lidmaatschapskaart op authenticiteit te onderzoeken. Zoals volgt uit de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 18 mei 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:1326) strekt de samenwerkingsplicht uit artikel 4, eerste lid, van de Richtlijn 2011/95/EU niet zo ver dat verweerder altijd een overgelegd document op authenticiteit dient te onderzoeken.

7.3.

Wat betreft de aan het lidmaatschap van de Freedom and Justice Party gelieerde problemen die eiser verklaart te hebben ondervonden, heeft verweerder verwezen naar algemene bronnen waaruit blijkt dat de staatsgreep in Egypte op 3 juli 2013 heeft plaatsgevonden. Hoewel eiser stelt dat deze datum incorrect is en dat de staatsgreep heeft plaatsgevonden op 30 juni 2013, heeft hij dit niet nader onderbouwd. Gelet hierop ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat verweerder niet langer kan uitgaan van de juistheid van de informatie uit de bronnen waarnaar is verwezen in de besluitvorming. Verweerder heeft eiser dan ook kunnen aanrekenen dat hij hieromtrent wisselend met algemene landeninformatie heeft verklaard. In dit kader heeft verweerder eiser ook kunnen tegenwerpen dat hij geen onderzoek heeft verricht om te achterhalen wat er met zijn oom en vriend is gebeurd nadat zij zijn opgepakt. Verweerder verlangt niet van eiser dat hij hiertoe persoonlijk contact opneemt met de veiligheidsdienst maar wel dat hij enige poging onderneemt om te achterhalen wat er met hen is gebeurd. Naar het oordeel van de rechtbank hoeft verweerder niet nader te beargumenteren op welke wijze eiser mogelijk navraag had kunnen doen.

7.4.

Zoals hiervoor reeds is overwogen, heeft verweerder niet ten onrechte ongeloofwaardig geacht dat eiser lid is geweest van de Freedom and Justice Party en hierdoor problemen heeft ondervonden. Dat de veiligheidsdienst als gevolg hiervan naar hem op zoek zou zijn en bij zijn ouderlijk huis is langs geweest, heeft verweerder daarom niet hoeven volgen. Eiser heeft dan ook niet aannemelijk gemaakt dat hij in de negatieve belangstelling van de Egyptische autoriteiten staat.

7.5.

Nu verweerder de aanvraag van eiser als kennelijk ongegrond in de zin van artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder e, van de Vw 2000 heeft afgewezen, heeft verweerder op grond van artikel 62, tweede lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000 de voor een vreemdeling geldende vertrektermijn van vier weken kunnen verkorten en kunnen bepalen dat eiser Nederland onmiddellijk moet verlaten. Dit betekent ook dat verweerder een inreisverbod op grond van artikel 66a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000 tegen eiser heeft kunnen uitvaardigen. Eiser heeft tegen de oplegging van het inreisverbod geen omstandigheden naar voren gebracht die verweerder ertoe had moeten brengen om af te zien van het opleggen van het inreisverbod. Gelet hierop, is de rechtbank van oordeel dat verweerder een inreisverbod aan eiser heeft kunnen opleggen.

8. Het beroep is ongegrond.

9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing


De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.


Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J.P. Bosman, rechter, in aanwezigheid van

mr. J.C. de Grauw, griffier.

Deze uitspraak is in het openbaar gedaan, digitaal ondertekend en bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.