Vreemdelingenrecht
geen belang bij art. 64 Vw 2000 na uitzetting
Rechtbank Den Haag, 5 december 2019
ECLI:NL:RBDHA:2019:12917 · Rechtbank Den Haag · 5 december 2019
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-den-haag/bestuursrecht/vreemdelingenrecht/eerste-aanleg-enkelvoudig/ecli-nl-rbdha-2019-12917
Zaakgegevens
Op 5 december 2019 heeft de Rechtbank Den Haag in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.
- Instantie
- Rechtbank Den HaagRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Rotterdam
- Datum uitspraak
- 5 december 2019
- Datum publicatie
- 5 december 2019
- Zaaknummer
- AWB 19/3172
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Vreemdelingenrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudigEnkelvoudige kamerDe zaak is behandeld door één rechter.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBDHA:2019:12917
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
geen belang bij art. 64 Vw 2000 na uitzetting
Uitspraak
Rechtbank DEN HAAG
Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: AWB 19/3172
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 5 december 2019 in de zaak tussen
[naam eiser] , eiser,
V-nummer: [nummer]
gemachtigde: mr. S.C. van Paridon,
en
de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, daaronder mede begrepen diens rechtsvoorganger(s), verweerder,
gemachtigde: mr. M. Demoud-van Dongen.
Procesverloop
Bij besluit van 1 februari 2019 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser om uitstel van vertrek op grond van artikel 64 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) afgewezen.
Bij besluit van 28 maart 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 november 2019. Eiser en zijn gemachtigde zijn met voorafgaande kennisgeving niet ter zitting verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
1. Eiser heeft op 3 januari 2019 een aanvraag om uitstel van vertrek op grond van artikel 64 van de Vw 2000 ingediend, waarna het primaire besluit is genomen. Op 20 februari 2019 is eiser uitgezet naar Duitsland. Daarom doet zich de vraag voor of eiser nog procesbelang heeft bij onderhavig beroep.
2. In het kader van artikel 64 van de Vw 2000 staat uitsluitend ter beoordeling of uitzetting achterwege moet blijven wegens de gezondheidstoestand van de vreemdeling. Daarbij gaat het om uitzetting uit Nederland. Uit bovenstaande volgt echter dat eiser is uitgezet en niet meer in Nederland verblijft. Met het beroep kan hij dus niet bereiken dat hij niet wordt uitgezet. Daarom heeft hij geen belang bij de beoordeling ervan. Dat eiser anders dan in de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 31 oktober 2018, ECLI:NL:RVS:2018:3577 ten tijde van aanvraag en van het primaire besluit nog in Nederland verbleef, kan aan het voorgaande niet afdoen, omdat voor de vaststelling of eiser procesbelang heeft slechts van belang is of eiser ten tijde van de behandeling van zijn beroep nog in Nederland verbleef. De door eiser aangehaalde rechtspraak over terugkeerbesluiten kunnen hem ook niet baten. Terugkeerbesluiten kunnen immers ook na de uitzetting van belang zijn voor de rechtspositie van een vreemdeling, bijvoorbeeld voor de oplegging van een inreisverbod of in het kader van een schadevergoeding. Dat is bij aanvragen om toepassing van artikel 64 van de Vw 2000 niet het geval, althans niet in dit concrete geval. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat eiser zijn geleden schade niet heeft geconcretiseerd.
2. Het beroep is niet-ontvankelijk.
3. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.P. Hameete, rechter, in aanwezigheid van mr. C.L. Rademakers-Heins, griffier. De uitspraak is in het openbaar gedaan op 5 december 2019.
griffier rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden of digitaal ter beschikking gesteld aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.