Vreemdelingenrecht
Dublin Italië, eiser met onbekende bestemming vertrokken, procesbelang. Beroep zonder zitting afgedaan…
Rechtbank Den Haag, 1 maart 2019
ECLI:NL:RBDHA:2019:2217 · Rechtbank Den Haag · 1 maart 2019
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-den-haag/bestuursrecht/vreemdelingenrecht/eerste-aanleg-enkelvoudig/ecli-nl-rbdha-2019-2217
Zaakgegevens
Op 1 maart 2019 heeft de Rechtbank Den Haag in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.
- Instantie
- Rechtbank Den HaagRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Middelburg
- Datum uitspraak
- 1 maart 2019
- Datum publicatie
- 11 maart 2019
- Zaaknummer
- NL19.2622
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Vreemdelingenrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudigEnkelvoudige kamerDe zaak is behandeld door één rechter.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBDHA:2019:2217
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Dublin Italië, eiser met onbekende bestemming vertrokken, procesbelang. Beroep zonder zitting afgedaan. Kennelijk niet-ontvankelijk.
Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL19.2622
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam] ,
(gemachtigde: mr. D. de Heuvel),
en
de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder.
Procesverloop
Bij besluit van 5 februari 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder eisers asielaanvraag niet in behandeling genomen op grond van artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 omdat Italië verantwoordelijk is voor de behandeling van zijn asielaanvraag.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Op 14 februari 2019 zijn de gronden van het beroep ingediend.
Verweerder heeft de stukken die op de zaak betrekking hebben beschikbaar gesteld.
Overwegingen
1. Ingevolge artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht kan de bestuursrechter, totdat partijen zijn uitgenodigd om op een zitting te verschijnen, het onderzoek sluiten indien voortzetting van het onderzoek niet nodig is, omdat hij kennelijk onbevoegd is of het beroep kennelijk niet-ontvankelijk, kennelijk ongegrond of kennelijk gegrond is.
2. Na kennis genomen te hebben van de stukken ziet de rechtbank in deze procedure aanleiding om met toepassing van deze bepaling uitspraak te doen. Zij overweegt hiertoe als volgt.
3. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling, onder meer de uitspraak van 22 januari 2014, geeft een vreemdeling die met onbekende bestemming is vertrokken zonder contact te onderhouden met zijn gemachtigde daarmee te kennen dat hij geen prijs meer stelt op de door hem aanvankelijk gezochte bescherming hier te lande. In dat geval heeft de vreemdeling geen rechtens te beschermen belang bij een inhoudelijke beoordeling van het ingestelde beroep.
4. In het voornemen van 28 januari 2019 heeft verweerder gemeld dat uit informatie van AVIM Nederland en uit informatie van het COA is gebleken dat eiser omstreeks 13 november 2018 met onbekende bestemming is vertrokken, zonder de beslissing op zijn aanvraag af te wachten.
5. De gemachtigde van eiser heeft in de gronden van beroep bericht dat niet kan worden achterhaald waarom eiser met onbekende bestemming vertrokken is. Aangevoerd wordt dat dit wellicht geen vrije keuze is geweest en dat de advocaat geen verzoek heeft ontvangen van eiser om de procedure in te trekken.
6. Aldus is niet gebleken dat eiser nog in contact staat met zijn gemachtigde. Hieruit moet worden afgeleid dat eiser kennelijk geen prijs meer stelt op toelating tot Nederland. Reeds hierom heeft eiser geen rechtens te beschermen belang bij een inhoudelijke beoordeling van het beroep.
7. Het beroep is daarom niet-ontvankelijk.
8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.F.I. Sinack, rechter, in aanwezigheid van S.A.K. Kurvink, griffier.
Deze uitspraak is in het openbaar gedaan, digitaal ondertekend en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan verzet worden ingesteld bij deze rechtbank binnen zes weken na de dag van bekendmaking. De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld over het verzet te worden gehoord.