Vreemdelingenrecht
Fisher, bemiddelen naar zorgaanbieder, bezwaar terecht niet-ontvankelijk verklaard.
Rechtbank Den Haag, 21 september 2020
ECLI:NL:RBDHA:2020:14576 · Rechtbank Den Haag · 21 september 2020
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-den-haag/bestuursrecht/vreemdelingenrecht/eerste-aanleg-enkelvoudig/ecli-nl-rbdha-2020-14576
Zaakgegevens
Op 21 september 2020 heeft de Rechtbank Den Haag in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.
- Instantie
- Rechtbank Den HaagRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Utrecht
- Datum uitspraak
- 21 september 2020
- Datum publicatie
- 9 april 2021
- Zaaknummer
- 19/9070
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Vreemdelingenrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudigEnkelvoudige kamerDe zaak is behandeld door één rechter.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBDHA:2020:14576
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Fisher, bemiddelen naar zorgaanbieder, bezwaar terecht niet-ontvankelijk verklaard.
Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: AWB 19/9070
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 21 september 2020 in de zaak tussen
[eiser] , geboren op [1970] , van Algerijnse nationaliteit, eiser
V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. W.G. Fisher),
en
de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
(gemachtigde: mr. H.P. Kallenbach).
Procesverloop
Op 23 januari 2019 heeft eiser verweerder verzocht om te bemiddelen naar een zorgaanbieder en het opstellen van een begeleidingsscenario.
Bij brief van 19 juli 2019 heeft verweerder op het verzoek van eiser gereageerd.
Eiser heeft tegen deze brief bezwaar gemaakt.
Bij besluit van 31 oktober 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser primair kennelijk niet-ontvankelijk verklaard en subsidiair ongegrond verklaard.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 september 2020. Eiser en zijn gemachtigde zijn, zonder voorafgaand bericht van verhindering, niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
1. Eiser heeft in zijn brief van 23 januari 2019 beschreven dat hij hartproblemen en verslavingsproblematiek heeft. Hij verzoekt verweerder te bemiddelen bij het verkrijgen van de adequate zorg. Eiser beoogt met dit verzoek uitdrukkelijk geen onderdak op de [Locatie] locatie in Ter Apel.
2. Verweerder heeft zich primair op het standpunt gesteld dat het bezwaar van eiser, gericht tegen verweerders brief van 19 juli 2019, kennelijk niet-ontvankelijk is. In de brief van 19 juli 2019 heeft verweerder aangegeven dat op hem geen rechtsplicht rust om voor eiser te bemiddelen naar een zorgaanbieder. Vreemdelingen zonder rechtmatig verblijf, zoals eiser, moeten zelf contact opnemen met een zorgaanbieder. Verweerder heeft in de brief van 19 juli 2019 alleen maar informatie verschaft aan eiser. Deze brief heeft geen rechtsgevolg in het leven geroepen. Daarom kan het bezwaar van eiser op deze brief niet worden aangemerkt als een bezwaar gericht tegen een feitelijke handeling als bedoeld in artikel 72, derde lid, Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Subsidiair heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat het verzoek niet voor inwilliging in aanmerking komt.
3. Eiser voert aan dat verweerder zijn aanvraag ten onrechte niet heeft doorgestuurd. Als het verweerder niet duidelijk was waarheen het moest worden doorgestuurd, had hij de zaak niet als kennelijk ongegrond moeten afdoen, maar eiser moeten horen. Eiser vraagt de rechtbank in beroep te beslissen of zijn aanvraag moet worden doorgestuurd naar het LVV loket in Groningen, of het Wmo loket in Leeuwarden.
4. De rechtbank staat allereerst ambtshalve voor de vraag gesteld of verweerder het bezwaar van eiser terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. De rechtbank stelt vast dat eiser in beroep geen gronden heeft aangevoerd tegen het primaire standpunt van verweerder, dat het bezwaar kennelijk niet-ontvankelijk is. Nu het primaire standpunt daarom standhoudt, zal de rechtbank het beroep al daarom ongegrond verklaren. De overige beroepsgronden behoeven geen bespreking meer.
5. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.A. Schuman, rechter, in aanwezigheid van mr. M.A. Beijl, griffier.
Als gevolg van maatregelen rondom het Corona virus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak alsnog in het openbaar uitgesproken.
de griffier is verhinderd
deze uitspraak te ondertekenen
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.