Vreemdelingenrecht
Asielaanvraag Iraakse man/ herhaalde aanvraag / doopakte geen nieuw element of bevinding / beroep ongegrond
Rechtbank Den Haag, 12 maart 2021
ECLI:NL:RBDHA:2021:10504 · Rechtbank Den Haag · 12 maart 2021
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-den-haag/bestuursrecht/vreemdelingenrecht/eerste-aanleg-enkelvoudig/ecli-nl-rbdha-2021-10504
Zaakgegevens
Op 12 maart 2021 heeft de Rechtbank Den Haag in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.
- Instantie
- Rechtbank Den HaagRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Amsterdam
- Datum uitspraak
- 12 maart 2021
- Datum publicatie
- 27 september 2021
- Zaaknummer
- NL21.2621 en NL21.2622
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Vreemdelingenrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudigEnkelvoudige kamerDe zaak is behandeld door één rechter.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBDHA:2021:10504
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Asielaanvraag Iraakse man/ herhaalde aanvraag / doopakte geen nieuw element of bevinding / beroep ongegrond
Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
zaaknummers: NL21.2621 (beroep) en NL21.2622 (voorlopige voorziening)
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer en de
voorzieningenrechter in de zaken tussen
[eiser] , eiser/verzoeker (hierna: eiser),
[V-Nummer]
(gemachtigde: mr. T. Thissen),
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
(gemachtigde: mr. S. Oba).
Procesverloop
Bij besluit van 17 februari 2021 (het bestreden besluit) heeft verweerder de opvolgende
aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet-
ontvankelijk verklaard.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Verder heeft hij verzocht om een
voorlopige voorziening te treffen.
Het onderzoek op de zitting van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter (hierna:
de rechtbank) heeft plaatsgevonden op 8 maart 2021. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen F. Haloob. Verweerder heeft zich laten
vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Na afloop van de behandeling van de zaak op de zitting heeft de rechtbank onmiddellijk
uitspraak gedaan.
Beslissing
De rechtbank:
In de zaak met nummer NL21.2621:
- verklaart het beroep ongegrond.
In de zaak met nummer NL21.2622:
- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Overwegingen
1. De rechtbank geeft hiervoor de volgende motivering.
2. Eiser heeft de Iraakse nationaliteit en is geboren op [geboortedatum] 1997.
3. De rechtbank moet de vraag beantwoorden of verweerder de asielaanvraag van eiser niet-ontvankelijk heeft mogen verklaren, omdat eiser geen relevante nieuwe elementen of bevindingen in de zin van artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vw aan zijn
opvolgende asielaanvraag ten grondslag heeft gelegd. Eiser heeft aan zijn opvolgende
asielaanvraag ten grondslag gelegd dat hij is gedoopt. Volgens eiser is de doopakte die hij
heeft overgelegd een nieuw element of een nieuwe bevinding.
4. De rechtbank is het niet met eiser eens. Eiser heeft zelf verklaard dat hij niet is
bekeerd tot het christendom en dat hij de doopakte alleen heeft gebruikt om opnieuw asiel te
kunnen krijgen. Daarmee valt weg wat eiser aan zijn opvolgende asielaanvraag ten
grondslag heeft gelegd. Eiser betoogt vervolgens dat niet uitgesloten is dat hij in het geval
van terugkeer naar Irak te vrezen heeft voor vervolging omdat hem ten onrechte een
bekering tot het christendom wordt toegedicht. Volgens de rechtbank is dat een aanname die
niet nader is onderbouwd. Op de zitting heeft eiser naar voren gebracht dat zijn vader
misschien aan de rest van eisers familie zal vertellen dat hij is gedoopt en dat hij om die
reden vreest om terug te keren naar Irak. Eiser heeft de vrees in de zin van artikel 3 van het
EVRM echter niet concreet gemaakt. Ook heeft eiser in het nader gehoor verklaard dat hij
niet te vrezen heeft voor zijn familie. Eiser heeft op de zitting ook naar voren gebracht dat
hij een asielvergunning wil krijgen omdat hij in Irak geen ontwikkeling of verandering ziet
en zich daar niet verder kan ontplooien. De rechtbank begrijpt dat maar dat is geen reden om
een asielvergunning te krijgen.
5. Verweerder heeft daarom terecht geconcludeerd dat eiser geen nieuwe elementen of bevindingen aan zijn opvolgende asielaanvraag ten grondslag heeft gelegd die relevant
kunnen zijn voor de beoordeling daarvan. Ook is niet gebleken van bijzondere feiten en
omstandigheden als bedoeld in artikel 83.0a van de Vw die maken dat de rechtbank het
bestreden besluit moet toetsen als ware het de afwijzing van een eerste aanvraag.
Verweerder heeft eisers opvolgende asielaanvraag dan ook niet-ontvankelijk mogen
verklaren.
6. Het beroep is ongegrond. Omdat op het beroep is beslist, heeft eiser geen belang
meer bij een beoordeling van zijn verzoek om een voorlopige voorziening. Dat verzoek
wordt daarom afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 8 maart 2021 door mr. A.K. Mireku,
(voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. R.S.H.M. Hussien, griffier.
Dit proces-verbaal is bekendgemaakt op 12 maart 2021
Mr. A.K. Mireku R.S.H.M. Hussien
Rechter
Griffier
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan, voor zover daarbij is beslist op het beroep, hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.
Tegen de beslissing op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.