Vreemdelingenrecht

Asiel / geaardheid / Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder de verklaringen van…

Rechtbank Den Haag, 20 april 2021

Zaakgegevens

Op 20 april 2021 heeft de Rechtbank Den Haag in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.

Instantie
Rechtbank Den Haag
Zittingsplaats
Amsterdam
Datum uitspraak
20 april 2021
Datum publicatie
29 september 2021
Zaaknummer
NL20.14803
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI
ECLI:NL:RBDHA:2021:10609
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Asiel / geaardheid / Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder de verklaringen van eiser zoals die zijn afgelegd tijdens het aanvullende gehoor en de door eiser overgelegde

schriftelijke verklaringen onvoldoende kenbaar heeft betrokken in zijn besluitvorming en daarmee onvoldoende heeft gemotiveerd dat eiser zijn gestelde geaardheid niet aannemelijk

heeft gemaakt.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Amsterdam

Bestuursrecht

zaaknummer: NL20.14803

[V-Nummer]


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser

(gemachtigde: mr. M.R. van der Linde),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. R.R. de Groot).

Procesverloop

Bij besluit van 2 juli 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser

van 21 november 2015 tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd

afgewezen als ongegrond op grond van artikel 31, eerste lid, van de Vreemdelingenwet

(Vw) 2000.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft een

verweerschrift ingediend.

Het onderzoek op de zitting heeft plaatsgevonden op 30 maart 2021. Eiser is verschenen,

bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen Y.I. Kushneryk, tolk in de

Oekraïense taal. Tevens zijn verschenen [naam 1] en [naam 2]

Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn voornoemde

gemachtigde.

Overwegingen

Wat ging aan de procedure vooraf

1.1.

Op 21 november 2015 heeft eiser een aanvraag ingediend voor een

verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Verweerder heeft die aanvraag afgewezen.

Deze rechtbank, zittingsplaats Haarlem, heeft het beroep hiertegen in de uitspraak van

20 maart 2017 gegrond verklaard. Eiser heeft op die zitting een nieuw asielmotief naar

voren bracht, zijnde zijn geaardheid en naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder

verzuimd dat nader te beoordelen.

1.2.

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) heeft het

hoger beroep hiertegen in de uitspraak van 12 juli 2019 ongegrond verklaard, omdat de

rechtbank op grond van het moment van indiening van een asielmotief en de concreetheid

ervan moet onderzoeken of zijzelf en verweerder het asielmotief bij het beroep kunnen

betrekken.

1.3.

Verweerder heeft vervolgens aanleiding gezien eiser aanvullend te horen over zijn

geaardheid. Vervolgens heeft verweerder met het bestreden besluit eisers aanvraag

nogmaals ongegrond verklaard.

Asielrelaas

2. Eiser heeft aan zijn asielaanvraag – samengevat – het volgende ten grondslag

gelegd. Eiser is afkomstig uit Oekraïne en heeft daar in het verleden tweemaal in het leger

gediend. Hij is bang om opnieuw te worden opgeroepen voor het leger en naar een

oorlogsgebied te worden uitgezonden. Hij heeft veel gezien en veel leugens meegemaakt.

Hij wil niet opnieuw deelnemen aan het bedrog. Op dienstweigering staat gevangenisstraf in

Oekraïne. Toen de nieuwe mobilisatiegolf begon is eiser gevlucht. In juli 2015 is eiser

meerdere keren telefonisch bedreigd, maar deze telefonische bedreigingen houden geen

verband met zijn vlucht. Daarnaast heeft eiser tijdens de zitting van 12 januari 2017 aangevoerd dat aan zijn asielaanvraag tevens zijn homoseksuele geaardheid

ten grondslag ligt. In dit kader voert eiser aan dat hij in Oekraïne nooit voor zijn

homoseksualiteit heeft durven uitkomen. Volgens eiser worden homoseksuelen in Oekraïne

mishandeld en vermoord en bieden de autoriteiten hen geen hulp. Eiser vreest bij terugkeer

naar Oekraïne te worden mishandeld of te worden opgenomen in een psychiatrische kliniek.

Het bestreden besluit

3.1.

Verweerder heeft in eisers asielrelaas vier relevante elementen onderscheiden:

1. Identiteit, nationaliteit en herkomst;

2. seksuele gerichtheid;

3. oproep voor militaire reservedienst; en

4. telefonische bedreigingen in 2015.

3.2.

Verweerder heeft alleen het tweede element ongeloofwaardig geacht. Volgens

verweerder is eiser, waar het in zijn authentieke verhaal gaat om de gevoelens die hij heeft

over zijn eerste ontdekking van zijn ‘anders zijn’ en zijn geaardheid, over de ontwikkelingen

daarin, tot het moment waarop hij zich realiseert en accepteert dat hij homoseksueel is en

over zijn relaties, blijven steken in algemeenheden, oppervlakkige en vage verklaringen. Uit

de wel door verweerder als geloofwaardig geachte elementen volgt niet dat eiser kan

worden aangemerkt als vluchteling in de zin van het Vluchtelingenverdrag. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat voor hem persoonlijk feiten en omstandigheden bestaan die zijn vrees voor vervolging in vluchtelingrechtelijke zin rechtvaardigen. Verweerder verwijst

hierbij naar paragraaf C2/3.2. van de Vreemdelingencirculaire 2000 en artikel 3.36 van het

Voorschrift Vreemdelingen 2000. Daarnaast heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat hij bij

terugkeer naar Oekraïne een reëel risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 van

het EVRM .

Beroepsgronden eiser

4. Volgens eiser heeft verweerder zich in het bestreden besluit ten onrechte niet

uitgelaten over de zwaarwegendheid van de door eiser verwachte problemen bij terugkeer

naar Oekraïne als homoseksuele man. Eiser heeft namelijk wel degelijk een authentiek en

individueel verhaal verteld, zoals wordt verwacht door verweerder. Zeker als je rekening

houdt met eisers introverte karakter. Ondanks het feit dat verweerder stelt dat eiser er deels

in geslaagd is om te beschrijven hoe hij er achter is gekomen dat hij homoseksueel was en

stelt dat het verhaal authentiek overkomt, komt verweerder toch tot de conclusie dat hiervan

geen sprake is. Dat is een onjuiste conclusie. Eiser meent dat verweerder het voor hem

centraal, denk- of reflectieproces over het hoofd ziet, omdat de gehoorambtenaar de vragen

aan eiser hierover op veel verschillende momenten tijdens het gehoor stelt en de antwoorden

van eiser dus op allerlei plekken over het gehoor verspreid staan genoteerd. Dit denk- en

reflectieproces van eiser is dan ook minder makkelijk zichtbaar voor verweerder bij de

lezing van het verslag van het aanvullend gehoor. Dat betekent echter niet dat eiser daarover

summier heeft verklaard. Ook heeft eiser later in het aanvullend gehoor desgevraagd

gedetailleerd verklaard over de voor hem positieve en minder positieve

karaktereigenschappen van zijn partners. In dit verband benadrukt eiser dat hij in Nederland

voor zijn huidige relatie met [partner] , één eerdere relatie heeft gehad in de afgelopen jaren

tijdens de lopende asielprocedure in Nederland, namelijk met [ex-partner 1] . Zowel [partner] als [ex-partner 1]

hebben een verklaring overgelegd en verweerder heeft daar ten onrechte geen waarde aan

gehecht.

Beoordeling rechtbank

5.1.

De rechtbank stelt vast dat verweerder Werkinstructie 2019/17 (de Werkinstructie)

heeft gehanteerd bij de beoordeling van de geloofwaardigheid van eisers asielaanvraag. Bij

deze werkinstructie speelt het persoonlijke verhaal van de vreemdeling een doorslaggevende

rol, waaronder het proces van ontdekking van de gerichtheid en de manier waarop de

vreemdeling daarmee zegt te zijn omgegaan. Van de vreemdeling mag doorgaans worden

verwacht dat hij kan verklaren over wat zijn seksuele gerichtheid voor hem en zijn

omgeving heeft betekend, wat de situatie is voor LHBTI-ers in zijn land van herkomst en

hoe zijn ervaringen, ook volgens zijn asielrelaas, in het algemene beeld passen. Uiteraard,

zo vermeldt de Werkinstructie, blijft het van belang om in de vraagstelling en de

beoordeling rekening te houden met de persoonlijkheid en achtergrond van de vreemdeling.

Elke vreemdeling heeft immers een eigen referentiekader op basis van opleiding, culturele

achtergrond, levensfase. Het onderzoek naar en de beoordeling van de geloofwaardigheid

van het LHBTI-zijn is dan ook, zoals de Werkinstructie vooropstelt, niet eenvoudig.

5.2

Het is op grond van artikel 31, eerste lid, van de Vw 2000 aan eiser om zijn

gestelde seksuele gerichtheid aannemelijk te maken. Naar het oordeel van de rechtbank

heeft verweerder onvoldoende gemotiveerd dat eiser hier niet in is geslaagd en overweegt

daartoe als volgt.

Ontdekking homoseksuele gevoelens

6.1.

Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat eiser algemeen en oppervlakkig

heeft verklaard over de ontdekking van zijn seksuele gerichtheid. Volgens verweerder mag

van eiser worden verwacht dat hij kan beschrijven hoe hij er achter is gekomen dat hij

homoseksuele gevoelens heeft. Eiser is hier volgens verweerder slechts deels in geslaagd.

Verweerder stelt zich hierbij op het standpunt dat het relaas van eiser op dit punt redelijk

authentiek overkomt maar dat in dit kader een stuk persoonlijke beleving ontbreekt en

onvoldoende sprake is van een denk- of reflectieproces.

6.2.

De rechtbank overweegt dat uit het verslag van het aanvullend gehoor onder meer

blijkt dat eiser heeft verklaard dat hij ongeveer dertien of veertien jaar oud was toen hij

erachter kwam dat hij homoseksueel was. Hij heeft dit toen aan niemand verteld, omdat hij

in een groot gezin is grootgebracht waarin dit niet werd getolereerd. Ook in de Oekraïense

samenleving wordt dit niet geaccepteerd. Eiser weet niet of er iets gebeurde waardoor hij

anders is gaan denken. Tijdens zijn schooltijd, toen eiser veertien jaar was, had hij bij een

medische controle de neiging om van andere jongens het geslachtsorgaan aan te raken. Eiser

wist toen nog niet wat hij met dit gevoel wilde en was de enige in zijn omgeving die zich zo

voelde. Verder heeft eiser op de vraag “U ontdekte dan dat u op mannen viel terwijl u niet

eens wist van deze mogelijkheid. Hoe ging dat of hoe voelde u zich daarbij?” geantwoord:

“Toen ik dat gevoel kreeg, toen ik voelde dat ik een jongen wilde aanraken, sindsdien ging

ik daar mij meer in verdiepen. Op de vraag “Hoe bedoelt u dat verdiepen?” heeft eiser

geantwoord “Ik ging lezen en ik heb informatie gevonden dat zulke mensen echt bestaan.”

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder onvoldoende gemotiveerd dat eisers

verklaringen – in onderlinge samenhang bezien – onvoldoende blijk geven van zijn denk- en

reflectieproces. De rechtbank volgt eiser in zoverre in zijn betoog dat dit denk- en

reflectieproces niet valt of staat met één gebeurtenis. Blijkens eisers verklaringen heeft dit

plaatsgevonden gedurende zijn latere levensloop en staat zijn doorgemaakte proces

verspreid in het verslag van het aanvullend gehoor. Verweerder heeft dan ook onvoldoende

gemotiveerd uiteengezet dat eiser over de ontdekking van zijn seksuele gerichtheid

oppervlakkig en algemeen heeft verklaard.

Periode na de ontdekking en [ex-partner 2]

7.1.

Verweerder heeft zich verder op het standpunt gesteld dat eiser ook ten aanzien van

de periode nadat hij ontdekte dat hij homoseksueel was en over zijn eerste homoseksuele

relatie met [ex-partner 2] summier heeft verklaard. Eiser kan volgens verweerder niet duidelijk

maken wat hij in de tussenliggende periode heeft gedaan met zijn homoseksuele gevoelens.

7.2.

Uit het verslag van het aanvullend gehoor blijkt dat eiser heeft verklaard dat hij

vanaf zijn ontdekking van zijn homoseksualiteit geen mogelijkheid had om in contact te

komen met andere jongens. Dit was voor eiser een moeilijke periode, want hij kon zijn

gevoelens met niemand delen en was aan zijn lot overgelaten. Eiser heeft ook verklaard dat

hij niet wist hoe hij zich moest voelen of gedragen, omdat alle mensen in eisers omgeving

radicaal tegen homoseksualiteit waren. Eiser heeft zijn homoseksualiteit daarom aan niemand verteld. Daarbij heeft eiser verklaard dat hij zich toen heeft afgesloten van de rest

en dat dit voor hem makkelijk was, omdat hij van nature een zeer introvert persoon is. Het

kostte hem niet veel moeite om zich af te sluiten. Daarnaast heeft eiser verklaard dat hij

tijdens deze periode vooral eenzaamheid ervoer, in die periode geen echte vrienden had en

heeft overwogen om in een klooster te gaan omdat zijn omgeving dan geen vragen meer zou

stellen over waarom hij nog geen gezin had. Eiser heeft verder verklaard dat hij continu

werd bevraagd over het feit waarom hij geen vriendin had, waarom hij niet getrouwd was en

dat hij in die periode leed aan een depressie. Eiser heeft ook verklaard dat hij zich bezig

hield met verschillende dingen zoals houtbewerking en lezen om niet over zijn

homoseksualiteit na te denken in die periode. Uit de verklaringen van eiser kan worden

opgemaakt wat hij dacht, hoe hij zich voelde en zich heeft geuit nadat hij achter zijn

homoseksuele geaardheid was gekomen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft

verweerder, gelet op eisers verklaringen – in onderlinge samenhang bezien – dan ook

onvoldoende gemotiveerd uiteengezet dat eiser over de periode na de ontdekking van zijn

geaardheid summier heeft verklaard.

8.1.

Verweerder heeft zich verder op het standpunt gesteld dat van een persoon die zijn

eerste relatie heeft gehad in een land als Oekraïne, waar homoseksualiteit nogal gevoelig

ligt, mag worden verwacht dat hij uitgebreid en gedetailleerd kan verklaren. De rechtbank

overweegt als volgt.

8.2.

Uit het verslag van het aanvullend gehoor blijkt dat eiser heeft verklaard dat hij en

[ex-partner 2] een paar maanden contact met elkaar hadden via internet voordat zij elkaar

ontmoetten en dat zij heel veel dingen met elkaar bespraken. Volgens eiser vertelde [ex-partner 2]

veel over zijn gezin en waar hij vandaan kwam. Daarnaast heeft eiser verklaard dat [ex-partner 2]

hem had uitgenodigd om naar Kiev te komen en zij daarna een gayclub hebben bezocht.

Eiser heeft de naam van de gayclub genoemd, namelijk [naam gayclub] , en verklaard dat dit één

van de gelukkigste periodes van zijn leven was. Eiser heeft [ex-partner 2] beschreven als een

zeer vrolijk persoon die veel grapjes maakte en hij heeft verklaard dat hij verliefd op hem

was. De fysieke relatie was echter van korte duur en zij hebben voornamelijk via internet

gecommuniceerd. Op de vraag wat eiser aantrok aan [ex-partner 2] heeft eiser verklaard dat een

van de aantrekkingspunten was dat dit zijn eerste homoseksuele contact zou zijn en dat

[ex-partner 2] een vrolijke en leuke man was. Hoewel verweerder kan worden gevolgd in de

stelling dat eiser over zijn aantrekking tot [ex-partner 2] enigszins oppervlakkig heeft verklaard,

heeft verweerder onvoldoende gemotiveerd, met name gelet op het tijdsverloop van de

relatie, dat eisers relaas op dit punt ongeloofwaardig is.

Getuigenverklaringen

9. Eiser heeft in beroep twee verklaringen overgelegd; één van de heer [naam 1] –

eisers gestelde ex partner en één van de heer [naam 2] – eisers gestelde huidige partner. Op

de zitting heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat niet kan worden uitgegaan van

de objectiviteit van de getuigenverklaringen. Anders dan verweerder, is de rechtbank echter

van oordeel dat het enkele feit dat een verklaring van een niet objectieve bron afkomstig zou

zijn, niet direct betekent dat die verklaring alle betekenis kan worden ontzegd. Verweerder

heeft verder gesteld dat eiser niet geloofwaardig over zijn geaardheid heeft verklaard en dat

de verklaringen van de getuigen daar niet aan af kan doen. De rechtbank overweegt dat in de

Werkinstructie is vermeld dat ‘verweerder altijd ingebrachte informatie van derden weegt,

maar dat het gewicht dat hieraan wordt toegekend afhankelijk is van de individuele casus’.

Uit verweerders standpunt op de zitting is voor de rechtbank onvoldoende gebleken dat

verweerder de inhoud van de verklaringen heeft betrokken in zijn besluitvorming. Dat

strookt echter niet met de opdracht aan verweerder blijkens de Werkinstructie. Eisers

beroepsgrond slaagt dan ook.

Veilig land van herkomst

10. De rechtbank stelt verder vast dat Oekraïne, met uitzondering van de gebieden die

niet onder de effectieve controle van de centrale autoriteiten staan, in het algemeen een

veilig land van herkomst is. Er moet daarom vanuit worden gegaan dat de autoriteiten

bescherming bieden tegen vervolging en behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM.

De rechtbank verwijst in dit kader naar de uitspraken van de Afdeling van

20 februari 2020 . Het is aan de vreemdeling om aannemelijk te maken dat het vragen van

bescherming bij eventuele problemen voor hem gevaarlijk of bij voorbaat zinloos is. Op de

zitting heeft verweerder erkend dat in verweerders besluitvorming geen standpunt is

ingenomen voor wat betreft de vraag of Oekraïne een veilig land van herkomst is voor eiser.

Dit levert dan ook een motiveringsgebrek in verweerders besluitvorming op.

Conclusie

11. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder de verklaringen

van eiser zoals die zijn afgelegd tijdens het aanvullende gehoor en de door eiser overgelegde

schriftelijke verklaringen onvoldoende kenbaar heeft betrokken in zijn besluitvorming en

daarmee onvoldoende heeft gemotiveerd dat eiser zijn gestelde geaardheid niet aannemelijk

heeft gemaakt. Daarnaast heeft verweerder zich in de besluitvorming niet uitgelaten over de

vraag of Oekraïne voor eiser een veilig land van herkomst is. Hierdoor is sprake van een

zorgvuldigheids- en motiveringsgebrek. Het bestreden besluit is daarom genomen in strijd

met het bepaalde in artikel 3:2 en artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht.

12. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze

kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door

een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.068,- (1 punt voor het indienen

van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van

€ 534,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- draagt verweerder op binnen zes weken na de dag van bekendmaking van deze

uitspraak een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.068,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.K. Mireku, rechter, in aanwezigheid van

mr. T.J.M. Schilder, griffier.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op 20 april 2021.

A.K. Mireku T.J.M. Schilder

Rechter

Griffier

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling

bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na de dag van bekendmaking.

AWB 16/21442. 201702674/1/V2. Verdrag van Genève betreffende de status van vluchtelingen van 1951 (Trb. 1954, 88), zoals gewijzigd bij Protocol van New York van 1967 (Trb. 1967, 76). Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. Pagina drie van het aanvullend gehoor. Pagina vier van het aanvullend gehoor. Pagina vijftien van het aanvullend gehoor. Pagina vier aanvullend gehoor. Pagina vijf aanvullend gehoor. Pagina vijf en zes aanvullend gehoor. Pagina elf en dertien aanvullend gehoor. Pagina acht en negen van het aanvullend gehoor. Pagina twaalf van het aanvullend gehoor. ECLI:NL:RVS:2020:550.