Vreemdelingenrecht
mondelinge uitspraak, vw mocht afzien van horen in bezwaar.
Rechtbank Den Haag, 5 augustus 2021
ECLI:NL:RBDHA:2021:11451 · Rechtbank Den Haag · 5 augustus 2021
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-den-haag/bestuursrecht/vreemdelingenrecht/eerste-aanleg-enkelvoudig/ecli-nl-rbdha-2021-11451
Zaakgegevens
Op 5 augustus 2021 heeft de Rechtbank Den Haag in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.
- Instantie
- Rechtbank Den HaagRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Den Haag
- Datum uitspraak
- 5 augustus 2021
- Datum publicatie
- 20 oktober 2021
- Zaaknummer
- AWB 20_9034
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Vreemdelingenrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudigEnkelvoudige kamerDe zaak is behandeld door één rechter.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBDHA:2021:11451
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
mondelinge uitspraak, vw mocht afzien van horen in bezwaar.
Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: AWB 20/9034
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van
5 augustus 2021 in de zaak tussen
[eiser], eiser, V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. A. Orhan),
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
(gemachtigde: mr. T. Stelpstra).
Procesverloop
Bij besluit van 11 augustus 2020 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser om uitstel van vertrek als bedoeld in artikel 64 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) afgewezen.
Bij besluit van 4 december 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 augustus 2021. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Overwegingen
1. Eiser voert in beroep enkel aan dat hij ten onrechte niet in bezwaar is gehoord.
2. De rechtbank is van oordeel dat verweerder in het bestreden besluit terecht heeft geconcludeerd dat het bezwaar kennelijk ongegrond was en dat daarom van het horen in bezwaar kon worden afgezien. Verweerder mag, gelet op vaste rechtspraak van de hoogste bestuursrechter, in principe uitgaan van de juistheid en volledigheid van het BMA-advies uitgaan. De rechtbank stelt vast dat door eiser in bezwaar geen concreet aanknopingspunt is aangevoerd om te twijfelen aan de juistheid en volledigheid van het BMA-advies. Verweerder heeft het bezwaar dan ook terecht als kennelijk ongegrond kunnen aanmerken en om die reden van het horen in bezwaar kunnen afzien. De stelling van eiser ter zitting dat er ook andere medische klachten spelen, dat deze door zijn financiële situatie niet onderbouwd konden worden en het BMA hem daarom had moeten onderzoeken, is pas in beroep voor het eerst naar voren gebracht en leidt daarom niet tot een ander oordeel.
3. Het beroep is daarom ongegrond.
4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.D. Gunster, rechter, in aanwezigheid van mr. D.M. Biermann, griffier, op 5 augustus 2021.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na de dag van bekendmaking.