Vreemdelingenrecht
Kennelijk ongegrond, artikel 8:54 van de Awb, geen gronden.
Rechtbank Den Haag, 15 december 2021
ECLI:NL:RBDHA:2021:14117 · Rechtbank Den Haag · 15 december 2021
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-den-haag/bestuursrecht/vreemdelingenrecht/eerste-aanleg-enkelvoudig/ecli-nl-rbdha-2021-14117
Zaakgegevens
Op 15 december 2021 heeft de Rechtbank Den Haag in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.
- Instantie
- Rechtbank Den HaagRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Middelburg
- Datum uitspraak
- 15 december 2021
- Datum publicatie
- 21 december 2021
- Zaaknummer
- NL21.18481
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Vreemdelingenrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudigEnkelvoudige kamerDe zaak is behandeld door één rechter.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBDHA:2021:14117
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Kennelijk ongegrond, artikel 8:54 van de Awb, geen gronden.
Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL21.18481
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam], eiser
v-nummer: [nummer]
(gemachtigde: mr. F. Lavell),
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
Procesverloop
Bij besluit van 24 november 2021 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Overwegingen
1. Ingevolge artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) kan de bestuursrechter, totdat partijen zijn uitgenodigd om op een zitting te verschijnen, het onderzoek sluiten indien voortzetting van het onderzoek niet nodig is omdat hij kennelijk onbevoegd is of het beroep kennelijk niet ontvankelijk, kennelijk ongegrond of kennelijk gegrond is.
2. Na kennis genomen te hebben van de stukken ziet de rechtbank in deze procedure aanleiding om met toepassing van deze bepaling uitspraak te doen. Zij overweegt hiertoe als volgt.
3. Op 5 november 2021 heeft verweerder schriftelijk het voornemen geuit om de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel niet in behandeling te nemen omdat Zwitserland verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.
4. Omdat bij verweerder op het tijdstip van het voornemen nog geen gemachtigde bekend was, heeft verweerder op 5 november 2021 het voornemen samen met het onderliggend dossier aan de Raad voor de Rechtsbijstand (RvR) van het aanmeldcentrum in Ter Apel gestuurd. Verweerder heeft daarbij verzocht om aan de zaak een gemachtigde te koppelen en het voornemen met de processtukken aan de gemachtigde toe te zenden.
5. Eiser heeft geen zienswijze ingediend tegen het voornemen. Bij het bestreden besluit heeft verweerder vervolgens de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel definitief niet in behandeling genomen omdat Zwitserland verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.
6. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. In het beroepschrift van 26 november 2021 heeft de gemachtigde van eiser verzocht om een nadere termijn om de gronden van beroep aan te vullen. In het beroepschrift is reeds als (summiere) beroepsgrond aangevoerd dat, voor zover gemachtigde kan nagaan, hij geen voornemen van verweerder heeft mogen ontvangen en dat om die reden het bestreden besluit niet rechtens is.
7. De rechtbank heeft verweerder verzocht om te reageren op de door eiser aangevoerde beroepsgrond. Verweerder heeft dit bij schrijven van 9 december 2021 gedaan. Verweerder meldt dat de RvR op 5 november 2021 om 17:29 uur de processtukken waaronder het voornemen per mail aan de gemachtigde van eiser heeft toegezonden.
8. Eiser is bij herstelverzuimbrief van 26 november 2021 in de gelegenheid gesteld om het beroepschrift aan te vullen. Gebleken is dat eiser, hoewel hiertoe in de gelegenheid te zijn gesteld, de beroepsgronden niet nader heeft aangevuld. Eiser heeft zijn beroepsgrond dat hij het voornemen mogelijk niet heeft ontvangen niet nader onderbouwd. Gelet op de reactie van verweerder zoals vermeld onder rechtsoverweging 7 en dat eiser zijn beroepsgrond niet nader heeft onderbouwd slaagt de beroepsgrond van eiser niet. De rechtbank twijfelt hier niet over en daarom is het beroep kennelijk ongegrond.
9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep kennelijk ongegrond
Deze uitspraak is gedaan door mr. K.M. de Jager, rechter, in aanwezigheid van mr. S.D.C.J. Verheezen, griffier en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden.