Vreemdelingenrecht

Bewaring, mondelinge uitspraak, bewaring al opgeheven, bewaringsgronden niet bestreden, zicht op uitzetting…

Rechtbank Den Haag, 2 juli 2021

Zaakgegevens

Op 2 juli 2021 heeft de Rechtbank Den Haag in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.

Instantie
Rechtbank Den Haag
Zittingsplaats
Utrecht
Datum uitspraak
2 juli 2021
Datum publicatie
31 mei 2022
Zaaknummer
NL21.9777
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI
ECLI:NL:RBDHA:2021:16389
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Bewaring, mondelinge uitspraak, bewaring al opgeheven, bewaringsgronden niet bestreden, zicht op uitzetting, weigeren corona-test, medewerking van eiser mag worden verwacht en maakt niet dat zicht op uitzetting ontbreekt, beroep ongegrond.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL21.9777

proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser

V-nummer: [v-nummer] (gemachtigde: mr. M. Luijendijk),

en

de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: mr. E. Sweerts).

Procesverloop

Bij besluit van 21 juni 2021 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.

De rechtbank heeft het beroep op 28 juni 2021 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen de heer M. Chbab. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Na afloop van de behandeling van de zaak ter zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan.

Beslissing

De rechtbank:

  • verklaart het beroep ongegrond;

  • wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Overwegingen

De rechtbank geeft hiervoor de volgende motivering.

1. De rechtbank stelt vast dat de gronden die aan de maatregel van bewaring ten grondslag zijn gelegd niet door eiser zijn bestreden.

2. Eiser voert aan dat er geen zicht op uitzetting binnen redelijke termijn is, omdat eiser weigert mee te werken aan een covid-test en niet kan worden gedwongen daaraan mee te werken.

3. Voor de vraag of zicht op uitzetting bestaat, is van belang of vreemdelingen hun volledige en actieve medewerking verlenen. Volgens vaste jurisprudentie wordt bij het niet meewerken door de vreemdeling het zicht op uitzetting in beginsel aanwezig geacht. Dat eiser niet meewerkt en ook ter zitting verklaart in de toekomst niet mee te gaan werken aan een covid-test, maakt niet dat het zicht op uitzetting is komen te vervallen. Het meewerken aan een covid-test is in dit geval namelijk nodig voor de overdracht en van eiser mag worden verlangd dat hij hieraan zijn medewerking verleent. Deze beroepsgrond slaagt daarom niet.

4. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 28 juni 2021 door mr. J.G. Nicholson, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Bazaz, griffier.

Dit proces-verbaal is bekendgemaakt op:

02 juli 2021

[afbeelding niet beschikbaar]

Documentcode: [documentcode]

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking van dit proces-verbaal.

ECLI:NL:RBDHA:2021:16389 – Bewaring, mondelinge uitspraak, bewaring al opgeheven… | Uitspraken.nl