Vreemdelingenrecht

asielaanvragen niet-ontvankelijk dan wel kennelijk ongegrond verklaard - geen sprake van nieuwe elementen of…

Rechtbank Den Haag, 15 juni 2021

Zaakgegevens

Op 15 juni 2021 heeft de Rechtbank Den Haag in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.

Instantie
Rechtbank Den Haag
Zittingsplaats
Den Haag
Datum uitspraak
15 juni 2021
Datum publicatie
30 juni 2021
Zaaknummer
NL21.7632 en NL21.7634
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI
ECLI:NL:RBDHA:2021:6670
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

asielaanvragen niet-ontvankelijk dan wel kennelijk ongegrond verklaard - geen sprake van nieuwe elementen of bevindingen - geen 15c-situatie in Libië - beroepen ongegrond

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats 's-Gravenhage

Bestuursrecht

zaaknummers: NL21.7632 en NL21.7634


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaken tussen

[eiser 1] , eiser 1,V-nummer: [V-nummer 1] , [eiseres 1] , eiseres 1, V-nummer: [V-nummer 2] , [eiseres 2] , eiseres 2, V-nummer: [V-nummer 3] , [eiser 2] , eiser 2, V-nummer: [V-nummer 4] , [eiseres 3] , eiseres 3, V-nummer: [V-nummer 5] , [eiseres 4] , eiseres 4, V-nummer: 2857285828, [eiser 3] , eiser 3, V-nummer: [V-nummer 7] ,tezamen te noemen eisers,

(gemachtigde: mr. R.J.J. Flantua),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. F. Saglik).


Procesverloop
Bij besluiten van 11 mei 2021 (de bestreden besluiten) heeft verweerder de aanvragen van eisers, met uitzondering van eiseres 4 en eiser 3, tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in de verlengde procedure niet-ontvankelijk verklaard. De aanvragen van eiseres 4 en eiser 3 zijn kennelijk ongegrond verklaard.


Eisers hebben tegen de bestreden besluiten beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft, tezamen met de behandeling van de zaken NL21.7633 en NL21.7635, plaatsgevonden op 3 juni 2021. Eiser 1, eiseres 1 en eiser 3 zijn verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. Als tolk is verschenen A. Fawzy. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen


Waar gaat deze zaak over?

1. Eiser 1 en eiseres 2, die de Libische nationaliteit stellen te hebben, zijn de ouders van de andere eisers. Zij hebben, ook namens hun kinderen, een (opvolgende) asielaanvraag ingediend. De asielaanvragen van eisers zijn bij de bestreden besluiten niet-ontvankelijk dan wel kennelijk ongegrond verklaard, omdat eisers een opvolgende aanvraag hebben ingediend en volgens verweerder geen sprake is van nieuwe elementen of bevindingen die relevant kunnen zijn voor de beoordeling van de aanvragen. Eisers zijn het hier niet mee eens.

Wat ging vooraf aan de bestreden besluiten?

2.1.

Eisers hebben eerder een asielaanvraag ingediend waaraan zij ten grondslag hebben gelegd dat er een gewelddadige inval heeft plaatsgevonden bij het bedrijf van eiser 1 en bij de woning van het gezin. Ook hebben zij aan die aanvraag ten grondslag gelegd dat eiser 1 is ontvoerd.

2.2.

Verweerder heeft deze aanvragen bij afzonderlijke besluiten van 19 april 2017 afgewezen als ongegrond. Het ingestelde beroep van eisers is door de rechtbank ongegrond verklaard. Het ingestelde hoger beroep is door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) ongegrond verklaard.

2.3.

Op 28 mei 2019 hebben eisers opnieuw aanvragen om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Verweerder heeft in de bestreden besluiten op die aanvragen beslist.

Hoe luiden de bestreden besluiten?

3. Verweerder heeft de aanvragen van eisers niet-ontvankelijk verklaard op de grond dat sprake is van een opvolgende aanvraag waaraan eisers geen nieuwe elementen of bevindingen ten grondslag hebben gelegd of waarin geen nieuwe elementen of bevindingen aan de orde zijn gekomen die relevant kunnen zijn voor de beoordeling van de aanvraag. Verweerder heeft dit gedaan onder verwijzing naar de hierboven genoemde besluiten van 19 april 2017. Verweerder heeft hiermee toepassing gegeven aan artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000). De aanvraag van eiseres 4 en eiser 3 is afgewezen als kennelijk ongegrond, nu het voor hen een eerste aanvraag betreft.

Wat zijn de regels?

4. Het wettelijk kader is opgenomen in de bijlage die deel uitmaakt van deze uitspraak.

Wat voeren eisers aan?

5. Eisers voeren aan dat verweerder de aanvragen ten onrechte niet-ontvankelijk dan wel kennelijk ongegrond heeft verklaard. Volgens eisers hebben zij wel degelijk nieuwe elementen of bevindingen ten grondslag gelegd aan hun opvolgende aanvraag. Eisers wijzen in dit verband op de verslechterde algemene veiligheidssituatie in Libië. Volgens eisers is sprake van een situatie zoals bedoeld in artikel 15, onder c, van de Richtlijn 2011/95/EU (hierna: artikel 15c-situatie). Eisers verwijzen hierbij ook naar de prejudiciële vragen die zijn gesteld over artikel 15, onder c van Richtlijn 2011/95/EU en stellen dat op zijn minst gewacht had moeten worden tot de uitspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ EU).

Eisers wijzen voor de nieuwe elementen of bevindingen ten tweede op het aangepaste beleid van verweerder ten aanzien van risicogroepen in Libië. Nu eiseres 1 in Libië als lerares werkte, doet zich met het gewijzigde beleid over risicogroepen in Libië volgens eisers een voor hen relevante wijziging van het recht voor.

Tot slot wijzen eisers in het kader van nieuwe elementen of bevindingen op het gevaar voor eiser 1 op mogelijke rekrutering, toegedichte politieke overtuiging en het risico op ontvoering. Door de korte tijd en de complexiteit van de zaak, is het asielrelaas van eisers in de vorige asielprocedure niet volledig naar voren gekomen. Eisers gaan daarom inhoudelijk verder in op de dreiging van de militie waarover in de vorige procedure al is verklaard.

Wat is het oordeel van de rechtbank?

Nieuwe elementen of bevindingen

6.1.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder terecht heeft overwogen dat in Libië geen sprake is van een 15c-situatie. Verweerder heeft hiervoor verwezen naar het Algemeen Ambtsbericht Libië en de kamerbrief van verweerder van 30 juni 2020. In die brief heeft verweerder op basis van het ambtsbericht toegelicht dat geen sprake is van een 15c-situatie in Libië. Het aantal burgerslachtoffers is in 2020 weliswaar gestegen ten opzichte van voorgaande jaren, maar het aantal slachtoffers, afgezet tegen de totale bevolking in Libië, is beperkt gebleven en het openbaar leven in Tripoli heeft voor het grootste deel, ondanks de strijd die in en rondom Tripoli plaatsvond, kunnen doorgaan en er is, zoals ook uit het ambtsbericht blijkt, geen sprake geweest van willekeurig (ongericht) geweld waarbij de kans op burgerslachtoffers is vergroot. De rechtbank is met verweerder van oordeel dat de door eisers overgelegde stukken geen wezenlijk ander beeld geven van de situatie in Libië dan de situatie die eerder in het ambtsbericht is vermeld. De rechtbank overweegt verder dat de omstandigheid dat een aantal andere EU-lidstaten wel een 15c-situatie aanneemt voor Libië, op zichzelf niet maakt dat de beoordeling van verweerder ondeugdelijk is. Met de verwijzing van eisers naar de gestelde verslechterde veiligheidssituatie in Libië is dan ook geen sprake van nieuwe elementen of bevindingen.

De rechtbank ziet verder geen aanleiding om de zaak, in het licht van de prejudiciële vragen aan het HvJ EU, aan te houden. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling volgt namelijk dat individuele omstandigheden geen rol spelen bij de beoordeling of er sprake is van een 15c-situatie.

6.2.

De rechtbank overweegt over het gewijzigde beleid van verweerder ten aanzien van risicogroepen in Libië als volgt. Bij brief van 30 juni 2020 heeft verweerder dit beleid aangepast in de zin dat de risicogroep ‘vrouwen die werkzaam zijn in de publieke sector’ is vervangen door de risicogroep ‘vrouwen die maatschappelijk of politiek actief zijn’. Verweerder heeft ter zitting toegelicht dat hiermee sprake is van een verbreding van de risicogroep; vrouwen die werkzaam zijn in de publieke sector vallen nu binnen de ruimere groep van vrouwen die maatschappelijk actief zijn. De rechtbank overweegt dat dit voor eiseres 1 geen relevante wijziging van het beleid betreft. Eiseres 1 heeft bij haar eerste asielaanvraag verklaard dat zij in Libië werkte in de publieke sector als lerares. Dit betekent dat eiseres 1 ten tijde van haar eerst asielaanvraag ook al viel binnen het beleid ten aanzien van risicogroepen in Libië en dat de beleidswijziging daar dus geen verandering in brengt. De rechtbank overweegt dat verweerder zich bovendien terecht op het standpunt heeft gesteld dat eiseres 1 bij haar eerste asielaanvraag heeft verklaard dat zij geen problemen heeft ervaren vanwege haar werk als lerares. Voor zover eiseres in deze procedure voor het eerst heeft aangevoerd dat zij wel degelijk problemen heeft ondervonden vanwege haar werk als lerares, overweegt de rechtbank dat zij dit in de eerste procedure had kunnen aanvoeren. Dat betekent dat in zoverre ook geen sprake is sprake van nieuwe elementen of bevindingen.

6.3.

Ten aanzien van het betoog van eisers over mogelijke rekrutering van eiser 1, de toegedichte politieke overtuiging van eiser 1 en het risico op ontvoering, overweegt de rechtbank als volgt. Zoals verweerder terecht heeft gesteld, betreffen dit allemaal punten die eiser 1 tijdens de procedure over zijn eerste asielaanvraag naar voren heeft gebracht en die verweerder destijds heeft beoordeeld. Voor zover eiser 1 hierover aanvullende informatie naar voren heeft gebracht, overweegt de rechtbank dat het op de weg van eiser 1 lag om dit eerder, tijdens zijn eerste asielprocedure, naar voren te brengen. Niet is gebleken dat dit informatie betreft waarover eiser 1 niet eerder heeft kunnen verklaren. Dat betekent dat in zoverre evenmin sprake is van nieuwe elementen of bevindingen.

De Bahadder-exceptie

7.1.

Ter zitting hebben eisers zich op het standpunt gesteld dat in dit specifieke geval afgeweken moet worden van het vaste toetsingskader dat gehanteerd wordt bij opvolgende aanvragen. Eisers betogen dat er in de vorige procedure fouten zijn gemaakt en onzorgvuldig is gehandeld door verweerder. De rechtbank vat dit betoog op als een beroep op de Bahaddar-exceptie.

7.2.

De rechtbank overweegt dat bijzondere, op de individuele zaak betrekking hebbende, feiten en omstandigheden als bedoeld in paragraaf van 45 van het arrest Bahaddar ertoe kunnen leiden dat een in het nationale recht neergelegde procedureregel niet mag worden toegepast.Bij een geslaagd beroep op de Bahaddar-exceptie betekent dit in het geval van eisers dat de rechtbank de bestreden besluiten moet toetsen alsof het de afwijzing van een eerste aanvraag betreft, ondanks dat wat eisers hebben aangevoerd ten opzichte van de vorige afwijzende aanvragen niet nieuw of relevant is. In de door eisers naar voren gebrachte omstandigheden, ziet de rechtbank onvoldoende om te kunnen spreken van bijzondere, op de individuele zaak betrekking hebbende feiten en omstandigheden als bedoeld in overweging 45 van het arrest Bahaddar. Uit wat hierover naar voren is gebracht komt namelijk niet naar voren dat in geval van terugkeer onmiskenbaar sprake zal zijn van een situatie die in strijd is met artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).

Hoorplicht

8. De rechtbank volgt eisers ook niet in hun betoog dat zij ten onrechte niet zijn gehoord door verweerder. Uit het beleid van verweerder volgt dat hij kan afzien van het horen als de vreemdeling bij zijn opvolgende aanvraag een beroep doet op de gestelde verslechterde algemene veiligheidssituatie in zijn land van herkomst en verweerder op grond van informatie die uit openbare bronnen beschikbaar is, concludeert dat er geen sprake is van nieuwe elementen of bevindingen. Nu eisers in de toelichting bij hun opvolgende aanvraag alleen hebben verwezen naar de verslechterde veiligheidssituatie in Libië en verweerder dit terecht niet heeft aangemerkt als nieuw feit of nieuwe bevinding (zie rechtsoverweging 6.1), heeft verweerder in lijn met zijn beleid gehandeld en van het horen mogen afzien.

Eiseres 4 en eiser 3

9.1.

Eisers voeren verder aan dat verweerder de asielaanvragen van eiseres 4 en eiser 3 ten onrechte kennelijk ongegrond heeft verklaard op grond van artikel 30b, eerste lid, onder a, van de Vw 2000. Ook eiseres 4 en eiser 3 hebben de onveilige situatie in Libië en de slechte mensenrechtensituatie in dat land ten grondslag gelegd aan hun aanvraag. Verweerder kan daarom niet stellen dat zij alleen aangelegenheden aan de orde hebben gesteld die niet ter zake doen met betrekking tot de vraag of zij in aanmerking komen voor verlening van een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000.

9.2.

De rechtbank volgt eisers hierin niet. Eiseres 4 en eiser 3 waren ten tijde van de eerste asielaanvraag nog niet geboren. Eiseres 4 was ten tijde van de onderhavige aanvraag 1 jaar oud en eiser 3 is in de onderhavige procedure geboren. De rechtbank overweegt dat verweerder deze aanvragen terecht niet heeft beschouwd als zelfstandige aanvragen, maar als aanvragen die afhankelijk zijn van de aanvragen van hun ouders. Verweerder heeft daarom terecht de aanvragen van eiseres 4 en eiser 3 hetzelfde spoor laten volgen als de aanvragen van de ouders. De rechtbank ziet daarom aanleiding om tot het oordeel te komen dat verweerder hun eerste asielaanvraag terecht heeft behandeld in samenhang met de procedure van hun ouders en als kennelijk ongegrond heeft afgewezen op grond van artikel 30b, eerste lid, onder a, van de Vw 2000.

Humanitaire vergunning

10. De rechtbank volgt eisers ten slotte niet in hun stelling dat verweerder ambtshalve een humanitaire verblijfsvergunning op grond van artikel 3.5, 3.6a, 3.6b of 3.6ba van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000) had moeten verlenen. Verweerder heeft reeds in de eerste asielprocedure getoetst of eisers voor een dergelijke ambtshalve vergunning in aanmerking komen. Eisers hebben niet nader onderbouwd waarom op grond van de genoemde artikelen uit het Vb 2000 aan hen een verblijfsvergunning verleend zou moeten worden.


Wat is de conclusie?

11. De beroepen zijn ongegrond.

12. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing


De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.


Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Schaaf, rechter, in aanwezigheid vanmr. J.F.A. Bleichrodt, griffier.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

BIJLAGE

Richtlijn 2011/95/EU

Artikel 15 – Ernstige schade
Ernstige schade bestaat uit:
[…]
c) ernstige en individuele bedreiging van het leven of de persoon van een burger als gevolg van willekeurig geweld in het kader van een internationaal of binnenlands gewapend conflict.

Vreemdelingenwet 2000
Artikel 30a
1. Een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 kan niet-ontvankelijk worden verklaard in de zin van artikel 33 van de Procedurerichtlijn, indien:
[…]
d. de vreemdeling een opvolgende aanvraag heeft ingediend waaraan door de vreemdeling geen nieuwe elementen of bevindingen ten grondslag zijn gelegd of waarin geen nieuwe elementen of bevindingen aan de orde zijn gekomen die relevant kunnen zijn voor de beoordeling van de aanvraag;
[…]

Artikel 30b
1. Een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 kan worden afgewezen als kennelijk ongegrond in de zin van artikel 32, tweede lid, van de Procedurerichtlijn, indien:
a. de vreemdeling bij de indiening van zijn aanvraag en de toelichting van de feiten alleen aangelegenheden aan de orde heeft gesteld die niet ter zake doen met betrekking tot de vraag of hij in aanmerking komt voor verlening van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28;
[…]

Het gaat om de aanvragen van alle eisers, met uitzondering van eiseres 4 en eiser 3. Laatstgenoemden waren tijdens de eerste asielaanvraag nog niet geboren. Hun aanvraag is afgewezen als kennelijk ongegrond op grond van artikel 31, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) in samenhang bezien met artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000. Artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vw 2000. De uitspraak van rechtbank Den Haag, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, van 24 april 2019 (zaaknummers AWB 17/9103 en AWB 17/9097, niet gepubliceerd). De uitspraak van de Afdeling van 12 augustus 2019 (zaaknummer 201904175/1/V2, niet gepubliceerd). Zie de verwijzingsuitspraak van rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, van 19 oktober 2020 (ECLI:NL:RBDHA:2020:10488). Kenmerk 19637, nr. 2637. Zie de uitspraak van de Afdeling van 21 maart 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:915). Zie bijvoorbeeld de uitspraken van de Afdeling van 29 januari 2020 (ECLI:NL:RVS:2020:306) en 18 juli 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:2489). Artikel 83.0a van de Vreemdelingenwet 2000. Zie het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens in de zaak Bahaddar tegen Nederland van 19 februari 1998 (ECLI:CE:ECHR:1998:0219JUD002589494). Zie paragraaf C1/2.9 van de Vreemdelingencirculaire 2000.