Vreemdelingenrecht

terugkeerbesluit, geen toets aan artikel 8 van het EVRM nodig

Rechtbank Den Haag, 19 juli 2021

Zaakgegevens

Op 19 juli 2021 heeft de Rechtbank Den Haag in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.

Instantie
Rechtbank Den Haag
Zittingsplaats
Den Haag
Datum uitspraak
19 juli 2021
Datum publicatie
21 juli 2021
Zaaknummer
NL20.18194
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI
ECLI:NL:RBDHA:2021:7715
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

terugkeerbesluit, geen toets aan artikel 8 van het EVRM nodig

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Den Haag

Bestuursrecht

zaaknummer: NL20.18194


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser

V-nummer: 2901201403

(gemachtigde: mr. H. Uzumcu),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. R. Radema).


Procesverloop

Bij besluit van 14 september 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser een terugkeerbesluit opgelegd.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

De rechtbank heeft het beroep op 2 juli 2021 op zitting behandeld. Eiser en verweerder hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser betoogt dat het terugkeerbesluit in strijd is met artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens (EVRM). Eiser wil zich in Duitsland vestigen bij zijn vriendin en kind.

1.1.

Eiser heeft ter zitting zijn beroepsgrond dat het bestreden besluit ook een inreisverbod omvat en zijn beroepsgrond dat hij ten onrechte niet de gelegenheid heeft gehad een zienswijze in te dienen ingetrokken.

Oordeel van de rechtbank

2. Het betoog van eiser slaagt niet. De rechtbank is van oordeel dat verweerder bij het uitvaardigen van een terugkeerbesluit niet hoeft te toetsen of de terugkeer in strijd is met het recht op familie- en gezinsleven, zoals bedoeld in artikel 8 van het EVRM. Indien eiser meent in verband met het gestelde familie- of gezinsleven in aanmerking te komen voor een verblijfsvergunning dient hij dat te laten beoordelen in een procedure op basis van een daartoe ingediende aanvraag. De rechtbank verwijst in dit kader naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 1 november 2012 (ECLI:NL:RVS:2012:BY2816).

Conclusie

3. Het beroep is ongegrond.

4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Schaaf, rechter, in aanwezigheid van mr. A. Badermann, griffier.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na de dag van bekendmaking.