Vreemdelingenrecht
beroep niet tijdig, overmacht, bestuurlijke dwangsom, prematuur
Rechtbank Den Haag, 20 augustus 2021
ECLI:NL:RBDHA:2021:9413 · Rechtbank Den Haag · 20 augustus 2021
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-den-haag/bestuursrecht/vreemdelingenrecht/eerste-aanleg-enkelvoudig/ecli-nl-rbdha-2021-9413
Zaakgegevens
Op 20 augustus 2021 heeft de Rechtbank Den Haag in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.
- Instantie
- Rechtbank Den HaagRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Middelburg
- Datum uitspraak
- 20 augustus 2021
- Datum publicatie
- 26 augustus 2021
- Zaaknummer
- NL20.10908 en NL20.10909
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Vreemdelingenrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudigEnkelvoudige kamerDe zaak is behandeld door één rechter.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBDHA:2021:9413
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
beroep niet tijdig, overmacht, bestuurlijke dwangsom, prematuur
Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummers: NL20.10908 en NL20.10909
V-nummers: [Nummer 1], [Nummer 2]
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaken tussen
[Naam 1], eiseres
[Naam 2] , eiser
mede namens hun minderjarige kind [Naam 3],
gezamenlijk te noemen eisers,
(gemachtigde: mr. M.P.J.W.M. Govers),
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
(gemachtigde: mr. T. Kleve).
Procesverloop
Op 18 mei 2020 hebben eisers beroep ingesteld in verband met het niet tijdig nemen van een beslissing op hun twee asielaanvragen.
Bij twee separate besluiten van 20 november 2020 heeft verweerder alsnog op de aanvragen beslist.
Bij bericht van 18 december 2020 hebben eisers verzocht verweerder te veroordelen tot betaling van een bestuurlijke dwangsom van € 1.442 en vergoeding van de proceskosten.
De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.
Overwegingen
1.
Eisers hebben op 23 oktober 2019 een asielaanvraag ingediend. Verweerder heeft zich in de besluiten van 20 november 2020, waarbij de aanvragen ingewilligd werden, niet uitgesproken over de vraag of hij eisers een bestuurlijke dwangsom verschuldigd is. In zijn verweerschrift van 3 juni 2020 heeft verweerder het standpunt ingenomen dat vanwege overmacht geen bestuurlijke dwangsom aan eisers verschuldigd is. Uit het bericht van eisers van 18 december 2020 blijkt dat zij zich niet kunnen verenigen met verweerders standpunt en verzocht hebben verweerder te veroordelen tot betaling van de bestuurlijke dwangsom van € 1.442 en vergoeding van de proceskosten.
2. Op grond van artikel 42, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 bedraagt de beslistermijn voor een aanvraag zes maanden. De rechtbank stelt vast dat verweerder geen gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheden in het vierde en het vijfde lid om deze termijn te verlengen. Dit betekent dat verweerder in beginsel op 23 april 2020 een beslissing had moeten nemen.
3. Als vaststaand geldt inmiddels dat verweerder van 16 maart 2020 tot 16 mei 2020 vanwege overmacht niet in staat was om asielgehoren af te nemen en als gevolg daarvan niet kon beslissen in de daardoor geraakte procedures. Deze overmacht schortte de wettelijke termijn voor het nemen van een besluit zelfstandig op, tot 24 juni 2020. Vóór het eindigen van de beslistermijn is het WBV 2020/12 op 20 mei 2020 in werking getreden. Hiermee maakte verweerder, conform de Procedurerichtlijn, gebruik van zijn bevoegdheid op grond van artikel 42, vierde lid, aanhef en onder b, van de Vreemdelingenwet 2000 om de beslistermijn met zes maanden te verlengen. Als gevolg hiervan had verweerder tot en met 23 december 2020 de tijd om op de aanvragen te beslissen.
4. Verweerder heeft op de asielaanvragen van eisers beslist voordat de beslistermijn was verstreken. Nu de beslistermijn nog niet verstreken was, betekent dit dat verweerder geen bestuurlijke dwangsom verschuldigd is aan eisers en dat zowel de beroepen als het verzoek tot betaling van een bestuurlijke dwangsom prematuur zijn. Om die reden verklaart de rechtbank de beroepen niet-ontvankelijk op grond van artikel 6:12, tweede lid, aanhef en onder a, van de Awb.
5. Er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.
Beslissing
De rechtbank verklaart de beroepen niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. B.F.Th. de Roos, rechter, in aanwezigheid van mr. M.Ch. Grazell, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
Deze uitspraak is bekendgemaakt op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin
u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit
verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet
deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten,
kunt u dit in uw verzetschrift vermelden.