Vreemdelingenrecht

bewaring, eerste beroep, lichter middel, ongegrond

Rechtbank Den Haag, 21 februari 2022

Zaakgegevens

Op 21 februari 2022 heeft de Rechtbank Den Haag in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.

Instantie
Rechtbank Den Haag
Zittingsplaats
Utrecht
Datum uitspraak
21 februari 2022
Datum publicatie
24 oktober 2022
Zaaknummer
NL22.2363
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI
ECLI:NL:RBDHA:2022:10928
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

bewaring, eerste beroep, lichter middel, ongegrond

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL22.2363

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser,

V-nummer: [V-nummer]

(gemachtigde: mr. R.J. Portegies), en

de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: S. Faddach).

Procesverloop

Bij besluit van 11 februari 2022 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 februari 2022. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen P. Berry. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de maatregel nodig is, omdat een concreet aanknopingspunt bestaat voor een overdracht als bedoeld in de Dublinverordening en een significant risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. Verweerder heeft als zware gronden1 vermeld dat eiser:

3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;

3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op

vreemdelingen heeft onttrokken;

3d. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;

3f. zich zonder noodzaak heeft ontdaan van zijn reis- of identiteitsdocumenten;

3k. een overdrachtsbesluit heeft ontvangen en geen medewerking verleent aan de overdracht

[afbeelding niet beschikbaar]

1. Artikel 5.1b, derde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb).

aan de lidstaat die verantwoordelijk is voor de behandeling van zijn asielverzoek;

3l. een overdrachtsbesluit heeft ontvangen, hem op zijn initiatief een termijn is gesteld om uit eigen beweging te vertrekken naar de lidstaat die verantwoordelijk is voor de behandeling van zijn asielverzoek, en hij niet uit eigen beweging binnen deze termijn is vertrokken;

3m. een overdrachtsbesluit heeft ontvangen en onmiddellijke overdracht of overdracht op zeer korte termijn noodzakelijk is ten behoeve van het realiseren van de overdracht binnen zes maanden na het akkoord van de lidstaat die verantwoordelijk is voor de behandeling van zijn asielverzoek;

en als lichte gronden2 vermeld dat eiser:

4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;

4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;

4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.

Eiser heeft de gronden van de maatregel van bewaring niet betwist.

2. Eiser stelt dat verweerder kan volstaan met het opleggen van een lichter middel dan de maatregel van bewaring. Hij wenst namelijk in Nederland asiel aan te vragen. Eiser wil deze procedure in vrijheid afwachten.

3. De rechtbank oordeelt als volgt. De gronden die aan de maatregel van bewaring ten grondslag liggen, rechtvaardigen dat er een reëel risico is dat eiser zich aan het toezicht op vreemdelingen zal onttrekken. Daar komt bij dat eiser onvoldoende overtuigend heeft gesteld dat een lichter middel dan de bewaring zal volstaan om de daadwerkelijke effectuering van zijn overdracht naar Italië te realiseren. Verweerder heeft aldus deugdelijk gemotiveerd dat niet met het opleggen van een lichter middel kon worden volstaan. In de omstandigheid dat eiser ter zitting heeft aangegeven dat hij in Nederland asiel wenst aan te vragen, heeft verweerder geen aanleiding hoeven zien om een ander standpunt in te nemen.

4. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

  • verklaart het beroep ongegrond;

  • wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.J.A. Schaaf, rechter, in aanwezigheid van mr. E. Mulder, griffier.

[afbeelding niet beschikbaar]

2 Artikel 5.1b, vierde lid, van het Vb.

De uitspraak is uitgesproken en bekendgemaakt op:

21 februari 2022

en zal openbaar worden gemaakt door publicatie op rechtspraak.nl.

[afbeelding niet beschikbaar]

Documentcode: [documentcode]

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.